Handelende van de Karaïbanen of Amerikaansche Inwoonders van
Zuriname.
[Waarschijnlijk afkomst en gesteltheid van de Karaïbanen.] De eigenaars
en ingeboorne Menschen dezer Colonie, zijn van ouds af genaamt Indianen
en hare Vrouwen Indianinnen, uit wat oorspronklijk Geslagte en is my
niet bekend, dog waarschijnlijk van Jafet, dewijl men in hen eenige
denkbeelden van de Zundvloed by overlevering bespeurt worden. De Mannen
zijn doorgaans grof, vet en kort van Lighaam; bruin-geel of liever, zo
men daar zegt onder de Christenen, roodagtig-bruin van koleur; lachende
van gelaat, breed van schouderen en van heupen, byna alle van een
frissche gezontheid. Haar aangezigt is rond en breed, en ten meesten
deele zijn hare wangen geteikend met twe kleine kuultjes in het midden.
Haar mond is tamelijk wijd, en hare tanden zijn volkome wit en digt aan
een staande. De oogen zijn kleinagtig en swart, maar zeer
doorstralende. Ook is haar voor-hoofd en hare neuze plat, maar door
geweld gemaakt, en niet natuurlijk: want hare Moederen drukken die zo
in hare geboorte, en nog gedurig den tijd dat zy haar zogen; haar
inbeeldende dat hier inschoonheid en volmaaktheid gelegen is: want
zonder dat zoude hare neuze wel gevormt wezen, en haar voor-hoofd
verheven als het onze. Hebbende doorgaans lang sluik swart hoofd-hair,
dat hun tot op de heupe en wat korter hangt; zy zijn geweldig
zorgvuldig in haar te kemmen, en agten dat zeer eerbaar te wezen. Hunne
hairen Olijen zy, en hebben eene vindinge om het te doen wasschen. De
Vrouwen kemmen gemeenlijk hare Mannen en Kinderen. Mannen en Vrouwen
vlegten hun hair van agteren, en doen het eindigen in eenen kleinen
hoorn, die zy midden op het hoofd stellen. Aan beide de zijden laten zy
het met lokken hangen, na de natuurlijke vryheid. Voorts gaan de
Karaïbanen mede nakend, genoegzaam met redelijk verstand en
geheugenisse begaaft, gelijk als de Negers zonder eenige kledinge; als
alleenlijk hebbenze om het Schamel-deel en strook geel geverft Linnen,
een vierendeel breed en twe ellen lang, het welk zy Langoutin noemen,
dat zy mede tusschen de beenen door winden, en voor en agter op’t
Lighaam met de einden laten neder [Maniere om haar Lighaam te
beschilderen.] hangen. Haar Lighaam is met allerlei figuren en
verbeeldinge, van uit’er maten schone rode verw, die zy Zinzolijn
noemen, neffens swart, dat negen dagen duurt, op een bezondere kunstige
manier beschildert; hebbende een klein zilver maantje aan het middelste
deel van de neus hangen. Op hare rugge dragen zy een merk-teken daar by
zy te kennen zijn, welkers Kapiteins Onderdaan en uit wat voor
Landschap zy zijn. Eenige hebben knevel-baarden en andere heel glad.
Deze noemen hare Vrouwen Quoniam en zijn zeer blohertige Krijgs-Helden,
zo dat zy niet wel voor ’t hoofd komen als dappere edelmoedige
Soldaten, maar listelijk en bedrieglijk op verrassinge. Egter hebben zy
lange Jaren Oorlogen tegens de Christenen gevoert, alzo het Land in een
ontelbare menigte van die Natien bevolkt is; mede in veel verscheidene
zoorten als de Negers. De meeste die in deze Colonie zig bevinden, zijn
Karaïbaansche Indianen en Indianinnen, en men zegt dat een Christen
bekwaam is om tien Indianen op de vlugt te drijven, deels door
blohertigheid en vreze die zy voor de zelve dragen; gelijk men
ondervindinge daar van heeft.
[Bezigheden van de Karaïbanen.] De meeste bezigheden van de Karaïbanen
is zig op de Jagt en Visscherije te begeven, waar in zy een goed
gedeelte van hunnen tijd door-brengen, maar byzonderlijk in de
Visscherije. Men ziet haar zelden gaan uit hare Huizen zonder Boog en
Pijlen. En zy zijn geweldig snedig om ’er haar mede te dienen, haar
gewennende tot deze oeffening van haar aldertederste Jonkheid. Het gene
te wege brengt dat met ’er tijd; zy haar zo schrander en zo verzekert
maken op het handelen van den Boog, dat op hondert schreden zy in een
oort van eenen Rijksdaalder zouden treffen, zonder immer te missen.
[Zijn zeer scherpzinnig om met de Angel te Visschen, en Pijl te
schieten.] Zy zijn verwonderlijk scherpzinnig om met den Angel te
Visschen, en den Vis met de Pijle te schieten. En men zoude hare
geduldigheid in deze oeffening niet konnen verwonderen, want zy zouden
’er zomtijds een gantschen halven dag aan blijven zonder haar te
vermoeijen. En als, wanneer zy den Vis lang genoeg hebben aangelokt, zy
eindelijk eenen groten en magtigen komen te bespeuren, die haar wel
aanstaat, en wel terhand is, schieten zy ’er met de Pijle op, even als
de Brazilianen. En gelijk zy uitermaten goede swemmeren zijn, zo werpen
zy terstond haar zelve zonder schroom in het water na de Pijle, om hare
prooije aan te grijpen.
[Hout om veel Visschen te vangen.] Dat zo d’ andere uitvindingen tot de
Visscherije aan onze Karaïbanen komen t’ ontbreken, hebben zy toevlugt
tot een zeker hout het welke zy stampen na dat zy het aanstukken
gesneden hebben. Dan werpen zy het in de poelen, of in de plaatzen daar
de zee stille is. En dit is gelijk eene al-vermogende Momie, met
dewelke zy zo veel Vis vangen als zy willen. Maar zy zijn zo voorzigtig
dat zy haar met deze uiterste konst-greep niet dienen, als in den nood,
om niet al te groot eene vernielinge te maken.
[Verdere Werkzaamheid.] Na de Jagt en Visscherije, begeven zy haar aan
verscheide geringe werken, gelijk om bedden van Katoen te maken, zeer
wel geweven, en die zy Amakken noemen. Zomtijds makenze eenige
Callabassen, een zoorte van een Boom-gewas, die midden door gesneden
twe Schaaltjes zijn, die zy behendig beschilderen, daar zy dan uit
drinken, van welke gewas daar in verscheide zoorten en grote zijn. Ook
wel Pagaaltjes, een aard van lang gevlogtene Korven, van Riet dun
gespleten, dat zy zodanig digt weten te werken met veel nettigheid en
tot veelderlei gerijf, dat het eenige tijd op ’t water kan leggen
zonder het nat in te swelgen. De Vrouwen spinnen het Katoen op de
knije, en gebruiken gewoonlijk nog klossen, nog haspel.
[Maakzel en toestel van een Pirauge.] Zy zijn niet minder zorgvuldig
aan hare Pirauges, of Zee-schepen te werken, en aan alle haren toestel
van Vrede en van Oorlog. Deze maken zy van eenigen dikken Boom, die zy
uit hollen, schaven en effenen, met eene verwonderlijke behendigheid.
De grote Piraugen zijn zomtijds gehuift of op-geboegt gelijk men
spreekt, na het bovenste rondom; boven al na agter met eenige
by-gevoegde Planken. Zomtijds schilderen zy ’er haren Maboya op. Temets
Wilden, of snakerijen. De Karaïbanen die langs de Zee hare goederen na
Paramaribo moeten vervoeren, hebben groter Pirauges als de gene die de
Rivier op en neder varen. ’t Zijn lange smalle Schepen, in ’t midden
wijder als aan beide einden die scherp aflopen, zijn van onderen rond,
en van ’t eene eind na ’t ander toe zijnze ook rondagtig, zo dat de
beide einden uit het water steken. Aan beide zijden loopt een lange
spier, een weinig hoger als ’t boort, dat met kleine spiertjes langs
het zelve heen ondersteund word, met haar Lighaam steunenze daar tegens
aan, terwijl ze Pagayen, of voort roeijen. Ziet het gestel op de
by-gevoegde Plaat:
A. De Pirauge daar de Karaïbanen in Varen.
B. De Kapitein of Opper-hoofd van ’t Vaar-tuig.
C. Een Kano.
D. De Boskagien zo ze zig aan de Rivier vertonen.
De Scheppers zijn een half Mans lengte lang, ook wel langer na dat de
Vaar-tuigen groot zijn, onder met een lang werpig breed blad, en boven
aan de stok met een kouk, dit gereedschap noemenze Parl. De grote
Vaar-tuigen voeren dikwils dartig à veertig Mannen, met hare
Oorlogs-gereedschappen; en werd van haar Pirauge, de kleinder zoort
Kano, genoemd. Als ze nu varen, zo zit de Opperhoofd van ’t Vaar-tuig
agter op met een Parl in de hand, daar zy hare Vaar-tuigen zo wel mede
weten te sturen, als de onze met een Roer; dezelve Opper-hoofd heeft
een Hoed op ’t hoofd tot onderscheid van d’ andere.
[Zy maken ook Potten.] De Karaïbanen houden haar ook bezig met het
maken van aarde Potten van alle zoorten, die zy konnen bakken in ovens
gelijk onze Potte-bakkeren. En met die zelve aarde maken zy Platen of
Tegelen, op dewelke zy de Cassave doen bakken.
[Onnozele telders.] Zy zijn onnozele Menschen in het tellen, gelijk ik
in verscheide dusdanige gelegentheden heb aangemerkt, want als zy met
een party van dartig bollen Verwe, by haar Oriane of Roekoe, te koop en
te ruilen komen, zo weten zy niet agter een te tellen; dan zy leggen
vijf bollen by malkanderen volgens het getal der vingeren aan de hand,
en dan wederom vijf anderen, dan haar eigentlijk getal zig niet verder
vermeerdert, als tot vijf; zo als ze dan tien willen wijzen, tonen zy
ook alle de vingeren; en twintig word met de vingeren en tonen aan de
voeten te zamen gewezen.
[Schelpen werd van haar als Geld gebruikt.] Het gewonelijke geld dezer
Indianen, onder haar, bestaat in Zee-Schelpen, langwerpig met een
gaatje in de lengte doorgaande, een gedeelte swart-bruin, en een andere
zoort wit; drie swart-bruine stukjes, gelden zo veel als zes witte,
zijnde de waarde van twe duiten Hollands, en gevolglijk, twaalf swarte
of vier-en-twintig witte een Hollandsche Stuiver.
Men kan haar niet in spreken dat zy Klederen dragen, dan zy geven voor,
wijl zy des daags twe, drie, en meer malen in ’t water zijn, dat zy dan
grote moeite met het uit en aantrekken hebben; dies te neffens ook hare
Naburen grote schande; tot veragtingen en onlusten van Oorlogen, zoude
aandoen.
[De Zurakusis zijn schone vrouwen.] De Zarakusis zijn uitmuntende
schone Vrouwen, gaande in ’t geheel nakend, zelfs met het Moederlijke
deel, en de hairen daar lang sluik aan nederhangende, die zy ook met de
Kam kemmen; ’t is een groot Volk. Hebbende alleene een witte Kristal in
de onder lip hangen, van de grote eener duim dikte. Zijn byzondere
Oorlogs-luiden, wrekende haar aan haar Vyands bloed.
[De Carios.] De Carios gaan mede met ’t gehele lighaam nakent; houdende
Koophandel met haar naaste bloed, als wanneer die zelve haar niet wel
en behagen, de Man verkoopt zijn Wijf en Dogter, ook de Broeder zijn
Zuster, zo wanneer hem die niet schoon genoeg en is, als hebbende het
Mannelijke oor de oppermagt; dragende ook Kristallen aan de lip.
Mestende hare Vyanden die zy overwinnen, zo Vrouwelijk als Mannelijk
geslagt, Jonge en Oude, zonder eenige de minste onderscheid, etende de
zelve op hare zonderlinge Feest-dagen: etende ook allerlei zoorten van
vet in hare Spijzen; daar en tegens alle andere dier Natien het zelve
voor zeer schadelijk en ongezond, houden, altoos weg werpen.
[Secotiaansche Wijven.] De Secotiaansche Wijven, en zo de Indianen haar
noemen Omchay, zijn van een redelijke gestalte, op het hoofd hebben zy
een Krans van haire op staande kort, latende het ongevlogten op de
schouderen hangen; en zijn zagt van vel, maar niet dik om ’t lijf. Deze
hebben kleine oogen, die zy Onou noemen, platte en breede neuzen, een
kort voor-hoofd en eene wijde mond. Meesten deel hangen zy blauwe
Kristalle Koralen, en geamaljeerde beentjes aan de hals en ooren; het
voor-hoofd, de wangen, de knien, armen en schenkels, zijn haar met
roode stippen gezierd; de navel op de buik snijden zy af. Onder de
Christen Menschen gaande, slaan zy de armen kruis wijs over
malkanderen, en zijn bekleed van de navel af tot op de heupen; van
agteren met een ruig Dieren-vel, dat ook heel konstig toe bereid is,
omhangen. Haar grootste vermaak is te wandelen en de Jagt, neffens de
Visschery, by te wonen; en te Swemmen, als Dotho Nereus Dogter,
snijdende het water met hare borsten dat het schuimt. Hoe wild zy ook
mogen zijn zo zijnze zeer grote beminders van de eer, en voor al dat
regtvaardig en waaragtig is, hebbende dit uit een eigen
aangeborentheid, houdende zy in grote veragtinge de boosdadigers en
bedriegers, ja zo zeer als zy vrienden der goede en deugtzaamheden
zijn.
Deze Natie verschelen zeer veel van de Swarten; zo Mannen als Vrouwen,
wegens hare meerder Menschelijker over-een-komen met de Christenen;
daarom alleene in Huis gebruikt worden om op hare Meesters en Vrouwen
te passen, zijnde haar die vryheid gelaten tot meerder zagtmoedigheid,
als beminnaars hares ouden eigen Vaderland; schuilende onder haar geen
armoede; nogte dier zelver vreze, een blijk gevende dat zy zijn voor de
gemeenschap van goederen, in Spijs en Drank hebbende, gene andere
tijdelijke bezittinge nog poginge om de zelve, want als wanneer zy maar
een klein Visje vangen, en twintig sterk waren, zo zoude het gulhertig
in zo veel delen gedeelt worden als zy magtig zijn. Nemen ook bezonder
in agt het pond van vergeldinge, omtrent die gene die haar goed of
kwaad doen.
[Huizen en Woninge.] Hare Huizen en Woninge zijn kleine Hutjes, van
hout en takken gemaakt, met bladeren gedekt, en Land-waard in op
verscheide plaatzen, Dorps-gewijs in de Bosschagien voor en omtrent
Vlietende Beken, gebouwt; en eenige der zelve stuwen een hoek op de
geboomtens, om daar te meer voor de glibberige Slang zeker te schuilen.
[Zijn zeer langzaam in haar redenvoeringe.] Zy zijn zeer lang wijlig in
hare redenvoeringe, ’t geen zy in een kwartier uurs zouden zeggen, daar
hebben zy ten minsten een halve dag toe van noden, swervende hare
uitgelezene gezellinne rondom haar; ondertusschen gebruiken zy by deze
langzaamheid het gedult van nooit of ooit in malkanders redenen te
vallen, en den aanhoorder, zo hy al iets zeggen wil, vergenoegt zig met
den spreker te gemoet te voeren, Wa; Wa; het geen in ons Nederduits zal
betekenen het is wel. Ik heb eens, zo als wy elk in een Amaks of
Hang-bedde lagen, een Meisje horen zingen, gestadig de zelve woorden
horende zonder eenige veranderinge van iets; vraagde ik aan de Tolk wat
dit gezang, ’t geen zo menigmaal herhaald wierd, dog behelsde? Niet
anders, gaf hy my ten antwoord, als klein Vadertje, klein Vadertje,
mijn Oogjes, mijn Oogjes, als ik gestorven ben. Dit had wel een geheel
uur geduurt, wanneer de Moeder haar toe grauwde, datje Vader hier was
hy zoude uw bestraffen; want de Man zoude met de naam van klein
Vadertje benadeelt zijn in eere en Dapperheid. Hebben ook een zeker
slag van eer bewijzen onder malkanderen, wanneer zy den een den andere
op de wegen ontmoeten, dat is; dat het minste voor het meeste getal
moet wijken, en indien zy niet meer dan twe en zijn, moeten zy eerst
beginnen te groeten, de drie die haar tegen komen.
[Grote verwonderinge der Karaïbanen indien ze iemant zien Schrijven.]
Deze Karaïbanen betonen een grote verwondering wanneer zy iemant zien
Schrijven, want zy konnen niet begrijpen dat men op zodanige manier
zijn gedagten aan andere, die afwezig zijn, kan mede delen: Gelijk het
gebeurt is, dat een Indiaan van zijn Meester wierd gezonden met eenige
der beste Vrugten van ’t Land, aan een Heer die eerst nieuwlings in ’t
Land gekomen was, neffens een Briefje; deze Indiaan eet onderwegen
eenige der zelve. t’ Huis komende by zijn eigen Meester met een
antwoord, vind de Meester, dat de Indiaan het getal der Vrugten hadde
vermindert, waar over de Meester de Indiaan bestrafte, die dan daar
sterk tegens sprak van zulks niet gedaan te hebben, daar in de Meester
hem overtuigde; eindelijk de Indiaan tot bekentenis gekomen zijnde,
zegt, dat de Meester het niet konde weten, ten zy dat Jupitore, dat is
te zeggen Duivel, moeste kwaad op de slokker geweest zijn, en de
Meester zulks gezegt hebben.
[Goden-dienst.] Zo verscheiden als zy zijn in Volkeren, zo verdeelt en
verscheiden zijn zy ook in hare Goden-diensten; maar in ’t gemeen
erkennen zy de Zon, de Maan, voor haar Opperste Goden; of den Hemel vol
blaakende Sterren. Eenige aanbidden den Duivel aan; de welke als
wanneer hy op haar verstoord is, hem Assche in de oogen werpen. Andere
het viguur van Hekate, Godin van Hemel en Hel. Eenige Mannen Trouwen
twe of drie Vrouwen, die na de dood van hare Mannen nooit wederom
Trouwen, maar gaan altijd daar na in ’t swart, en besmeren haar
aangezigt met kool-stof en vet. Eenige geven eerst hare Dogters aan een
iegelijk die by haar leggen wil, en daar na geven zy haar ten Huwelijk.
Ook geloven zy, dat hare Ziel na de dood opvaart in de Starren, en te
gelijk met dezelve nederdalen, onder den Horizon, in een Paradijs van
genugten.
[Haar Bygelovigheid.] Zeggende dat de grote Meester in den beginne eene
menigte van Pijlen in de aarde stak, en dat de Mannen en Vrouwen daar
uit voort gekomen zijn. Verscheide belachelijke opinien van de Man die
goed doet, als dat hy eens veel Tabak dronk, en dat hy doen de Pijl gaf
aan hare Opperste, met een bevel dat hy die zorgvuldiglijk bewaren
zoude, op dat zo doende hem dan niets ontbreken konde; maar hy verloor
de Pijl, en verviel daar door in groot gebrek en elende.
[Aanbidden Starren en andere dingen.] Veel van haar aanbidden de
Starren alleene, die zy Cherien noemen, als wanneer die in de mid-nagt
over de Noord-lijn, aan den Hemel gestegen, beginnen weder te dalen:
Ook de Wateren der Zee; die zy Parano noemen; de Regen-boog, Rivieren,
Fonteinen en Bomen; ook wilde Dieren, op dat die haar niet zoude
beschadigen. Als zy reizen laten zy op de kruis-wegen en gevaarlijke
plaatzen, tot een teken haar ’er yver, vederen; en zo zy niets anders
hadden, steenen. Wanneer zy vrezen, zo rakenze de aarde aan en zien op
de Starren; en in der waarheid zy aanbidden yder ding, ’t welk zy, of
beminden, of vreesden.
[Beduidenisse die ze geven van de vlekken die in de Maan zijn.] De
vlekken die in de Maan zijn, die zy Nona noemen, houden zy te zijn een
Man die daar gevangen zit om Bloed-schande met zijn Zuster. Menende zo
zy vele van hare Vyanden dooden, dat zy over de Bergen zullen gevoert
worden in plezierige Hoven, om daar te danssen en haar te verheugen met
hare Voor-vaderen. Overal hebben zy vuur met haar, om haar daar door
tegens de Duivel te beschermen, die zy gedenken daar voor verveerd te
zijn. Zijnde in de Bosschen een zeker zoort van hard hout, waar mede
zy, met twe stukken op malkanderen slaande, altoos vuur maken, zonder
toe doen van eenig staal of yzer.
Mede vast stellende dat een Vrouw eerst geboorn is in de Scheppinge der
Wereld, en uit een van de Goden voort gekomen is en alzo Kinderen
gebaart heeft; hoe vele Jaren dat dit geleden, of in wat eeuw, en weten
zy niet te zeggen; maar hare Voor-ouderen en Ouderen hadden haar dit
gezegt waaragtig te zijn, ’t welk ook by haar alzo onwedersprekelijk
word aangenomen. Oordelende dat alle Goden Menschelijke naturen hebben,
en alle hare Goden-beeltenisse na Menschlijke gedaantens maken, die
Rewasowok, of ook wel by andere Kiwasa, noemen.
[Offeren ook aan de Zon.] Eenige Offeren eens ’s Jaars aan de Zon, die
zy Ouayou noemen, een Harten-huit, met kruiden gestoffeert, hangende
kranssen van vrugten om zijne horens; en deze gifte alzo prezenterende.
Na het Oosten bidden zy de Zonne, dat hy wil maken dat haar Land
wederom zulke vrugten voort brengt. Maar aan hare Oudsten of hare
Regeerders, zijn zy gewoon hare eerst geboorne van ’t Mannelijke
geslagt te Offeren. Het Overspel van de Vrouwen, word by eenige ook
gestraft met geesselen; in eenige Dorpen word de Natie van zijn
Maagschap toegelaten, de keel, van de Overspeelders en
Overspeelderessen, af te snijden, als die op de daad bevonden worden.
Zy aanbidden den Duivel, aan de welke hy verschijnt, en van dorst
klagende, zo word ’er Menschen-bloed vergoten om zijn dorst te lessen.
Vele wederom zijn aanbidders van de Zon, of Ouayou; en te gelijk het
Water, dat zy Tonna noemen, overmits de Zonne door hare warmte, en het
Water door hare vogtigheid, alle dingen voort brengen; derhalven als zy
eten en drinken, zo zijn zy gewoon eenig deel van hare Spijze in de
lugt op te werpen na de Zonne, daar door te kennen gevende, dat eenige
zielen daar door van hier om hoog ten Hemel varen, en wederom in hare
trage lighamen keeren.
[Erkennen nogtans een Opperste God.] Andere nogtans van deze Amerikanen
erkennen eenen Opperste God, (noemende de zelve Mirococha, ook wel
Pachacamac, en dat hy woond in ’t zeer schone Zuid-Land,) nogtans
dienen zy ’er vele, en dat ’er een Opperste Wezen is, die goed doet en
niemant kwaad, gelijk wel de Duivel, die zy ook wel Jarakin en Toupan
noemen, en daarom van haar veel geagt, door besweringen en Offeringe
dienen. De bedriegers van dit Volk hare Leermeesters, die zy Pejes
noemen, maken haar wijs dat zy grote gemeenschap met deze zo genaamde
Duivels houden.
[Goddelijke eere die ze aan eenige gevangens bewijzen.] Deze maken ook
wel Goden van hare voornaamste Gevangens, aan de welke zy Goddelijke
eere bewijzen, zomtijds zes en zomtijds twaalf Maanden lang; maar ten
laasten dooden zy hem. Deze Pejes trekt hem het herte uit, en Offerend
al rokende van bloed de Zon; daar na word hy verders geopend, aan
stukken gesneden en gegeeten; zo als ergens anders dit haar bedrijf zal
voorkomen.
[Straffe van Dievery en Doodslag.] Zommige straffen Dievery en Doodslag
met verlies van neus en ooren, en eenige met de dood. ’t Werd voor een
Godsdienst gehouden als hare Dogters, van de Pejes, ontschaakt worden.
Wanneer het Dondert en Blixemt, zo zeggen zy dat de Zon op haar
gestoort is. Indien ’er een Eclipsis is, zo bekrabben de getrouwde
Vrouwen haar aangezigt; de Maagden trekken bloed uit met scharpe
Vis-haken. Als een Komeet gezien word zo slaanze de Trommelen, menende
de zelve daar door te verdrijven. De Medicijn en belachelijke
Tover-konst, als zy jong zijn, word haar geleerd; zijnde als dan twe
Jaren in de Bosschen, die zy Vropa noemen, opgesloten; alle die tijd
blijven zy in hare Zellen, ende en zien geen Vrouwen, nog en eeten dan
geen Vlees; wordende van hare Meesters, of ook wel Autmoins of Joanas,
in de nagt geleerd. Eenige drogen hare Dooden aan ’t vuur, de beenderen
ten laasten gebrand, en de huid word de Vrouw aangeboden, om van haar
als een Reliquie bewaart te worden.
[Houden veel van de Tovenaars.] Eenige Natien houden veel van swarte
Konstenaars of Tovenaars, die zy onder haar zeggen te hebben, de welke
in hare Tovery wonderbaarlijke en onnatuurlijke actien, dewijl zy met
de boze Geesten gemeenschap houden, en raadplegen over hare Vyanden,
ook alle andere dingen zoeken uit te vinden. De Mannen laten het hoofd
over al bescheren, uit genomen de kruin; over het eene oor dragen zy
een swarte Vogel, die een teken van hare konst is. Zy gaan geheel
nakend, uit genomen de Schaamte, die bedekken zy mede met een wild
Dieren-vel; dragende op de zijde een zak: En nadien de Inwoonders
menigmaal hare konst in schijn van waarheid vinden, geven zy aan deze
verborgene bedriegery, die hare onnozelheid niet begrijpt, groot
geloof.
Ook maken zy uit hare Wijven Waar-zeggeressen; dat zig alzo toe draagt,
eerst gaan eeniger, dier zo genaamde Waar-zeggers in een Hutte, tot
haar komen dan alle de Vrouwen, die zy een voor een beroken; dit gedaan
zijnde, moeten de Discipelen eerst zo lang schreijen, dan springen en
omlopen, tot dat zy van moedigheid nedervallen, als of zy dood ter
aarde lagen; daar na zegt de Waar-zegger, zy zullen haast wederom
levendig worden, en als zy dan (superstiesieus) by haar zelfs gekomen
zijn, zegt de konst bekende Waar-zegger, dat zy zijn begaaft, konstige
en toe komende dingen te voorzeggen, in manier, als zy aan de Wilde Bos
Karaïbanen voorspelen, zo wanneer zy ten Oorlog gaan, tegens hare
Vyanden, om gewelt met gewelt te stuiten.
Als wanneer hare Karaïbees, dat zijn hare Tovenaars, en zo zy het
noemen hare Leer-meesters, of Viroances, aan komen om met haar Feest te
houden, en hare Maraka, Geloofs-meester, in te wijden, zo stellen zy
zig op deze manier tot den dans.
[Dans om hare Geloofs-Meester in te wijden.] Zy stonden alle in een
ronde kring d’ eene aan d’ andere, buikten zig een weinig voor over, en
trampelen dan maar met hare regter schinkel, regter hand leggende op de
neersbillen, de linker hand latende by het Lighaam neder zinken; zo
eene kring maken zy of twe en drie, in ’t midden, dog van de zelve
kring waren drie à vier van de Viroances, met gezierde hoeden op,
klederen en arm-banden van Vogel vederen, en hadden in de handen hare
Vaderlijke Huis-Goden Maraka, of hare Rassel en de Heiligdom, ook wel
Keuvas en ook Kouvasavoch, gaande de Karaïbees een maal agter en een
maal voorwaart, en bliezen met een lange Fluit, het tot Poeder gemaakte
kruid Petum, daar in. Sprekende een yder Dansser aan met deze woorden:
Neemt alle aan den Geest der sterkte, op dat gy uwe Vyanden overwinnen
moogt, dreigende Oorlog en Dood. Dat zelve Ceremoen geschied van hare
Karaïbees menigmaal, dog een gruwel, als zy vers uit een swaar gevegt
en moort gekomen, dit zoude aanroeren eer zy in stroom-water wederom
gereinigt zijn. Hebbende meest een iegelijk zijn eigen Rassel, dat by
andere ook Tammaraka genaamt word: Deze worden van hare Waar-zeggers
jaarlijks berookt en ingewijd na hare wijze; die ook mede bedrieglijk,
deze Tammaraka, een geest in blaast op dat hy spreken zoude, gevende
het dan de Wilde, daar by bevelende, dat zy ten Oorlog gaan zullen en
de Vyanden vangen. Dan de Geesten, zo in deze Tammaraka zijn, lusten
Slaven vlees te eten, benoemende een yder dezen Rammelaar, zo verre zy
ten Oorlog zig bereiden, Beminde Zoon; maken daar een Tent of Hutte
voor, zettende het te eten. Begerende deze Duivelagtige Oorlogs-lieden
van deze Zoon alles in voorspoed, wat haar tot hulpe van noden, zoude
strekken.
[Zy Geloven ook aan een Gewas.] Gelovende mede aan een Gewas, dat wast
als ronde Mande een hoofd grote; het is inwendig zagt, steken een stok
daar door, snijdende een gat daar in, in forma als een mond, doende
daar dan kleine steentjes in op dat het rammelen zoude; gebruikende dit
ook in haar zingen en danssen.
[Eendragtigheid in hare gezangen.] Zijnde de Thenever, harer Liederen,
in den beginne zeer treurig, daar egter het einde uittermaten lieflijk
is; zo dat men zig over hare wilde Gezang, daar zy de Musijk niet
konnen, ten hoogsten te verwonderen staat, hoe het zo wel klinkt en
aanminnig, met evendragtigheid stemt, op Alto en Basso.
[By-eenkomst van Oud en Jonge Karaïbanen tot den Dans met Fluit en
Trommelen.] Andere wederom komen wel met twe en drie hondert, en by
wijlen tot een menigte duizenden, te zamen, van Jong en Oude, Man en
Wijf, na dat veel Volk in hare plaatzen is, daar zy dan eerst de grond
toe bereiden en schoon maken. Dan zo is ’er een uit den hoop, midden op
de plaats en begint te danssen, voerende de rey; dan danssen de andere
alle met malkanderen, en hangen yder met haar drie en vier Perzonen
aanmalkanderen in goede ordere. De eerste zo de rey voert gaat voor,
het meerder gedeelte agterwaarts, kerende zig zomwijlen om, de anderen
doen hem zulks na; daar op zo vangt de Fluiter en de Trommelslager, een
manier van een vois, te razen; zingende d’ andere de rey vorder
aanstonts na, en als het gemeen die horen zingen, zo beginnen zy alle
t’ zamen te schreuwen, dat men wel een baal Katoen van noden heeft om
de ooren te stoppen, en alzo het Artem Musicam te verdoven. De eene
heeft dit de andere dat in de hand; een ander wederom een uitgenomen
Lighaam, dat gevult is met kleine steentjes, daar zy een Duivels
gerammel mede maken; de vierde heeft het hoofd met allerlei koleur van
veren bestoken; de vijfde heeft Slek-horens om zijn knien en armen,
eenige buiken haar met het lijf op de zijde heel krom, die wederom op
d’ andere zijde, anderen ligten haar linker been op, eenige de armen en
vloeken; eenige houden haar of zy blind of scheel waren, andere of zy
doof waren; d’ eene lagt d’ ander huilt; anderen hebben bedrijven of zy
met eysseren bulsters der razerny om zet waren.
[Tot besluit van de Godsdienst.] In zomma, zy bedrijven zo wonderlijke
potzen, als een snode Toneel Speelder haar niet zoude verbeteren.
Tusschen het danssen, drinken zy de drank van de vrugt Caccurata, zo
als dan by haar des tijds alleen als iets extra gebruikelijk is, en
brengen dan ook malkanderen eens. Op deze dolle wijze danssen zy
veeltijds den ganschen dag aan een, en nog wel de gehele, daar aan
volgende, nagt; met zulken behaaglijke yver, dat het Veld door ’t
lopende sweet zal bedouwt worden; als gemenelijk de tol van speelzieke
Jongens, met de klitzende sweep voort gedreven over een ruim Zaal
(wijd,) om heen en weder swiert, daar de gonssende slag op slag, hem
vaart geeft, en de onnozele Kinderen daar over verstomt staan, de
Jongelinge zig vast over ’t omlopende Bos-boom-hout verwonderen. Even
eens swirrelt dit baloorige Volk door een, zig veinzende van Bacchus
Godheid bezeten te zijn.