Aard, Natuur en Eigenschappen der Swarte Slaven, des zelfs Geboorte
Plaatzen en verdere over voeringe aan de Amerikaansche Kusten, enz.
Eer ik verder gewag maak, tot de Beschrijvinge der Swarte Slaven en
Slavinnen, zo zal ik eerst handelen van des zelfs Vaderland daar zy van
daan gehaald werden, met de overvoeringe na de andere Kusten, en voorts
eenige geschiedenissen, deze Volkeren betreffende, aantekenen.
[Uit wat Land de Swarte Slaven afkomstig zijn.] Het Vaderland van deze
Swarte Slaven is de Zuidwestlijke en Westlijke Kust van Afrika, hetende
het Grote Negerland, de Kusten zijn Guineesche, Congosche en
Angolasche; hier hebbenze haar Steden, Dorpen en Koninglijke Land
Regeringen, de Stad Benua in ’t Rijk van Benin is wel vijf mijlen
groot. De Edele Heeren Bewindhebberen van de West-Indische Compagnie
hebben alhier, over de Guineesche Kust, de zouverine bezittinge; ’t
Fort d’ Elmina is de Hooftplaats alwaar de Gouverneur Generaal zijn
verblijf heeft, en voert ook gezag over de Gouverneur van Curacao,
leggende omtrent hondert mijlen bewesten Zuriname, tegen over de vaste
Kust die de Spanjaarden in bezitting hebben: Vorders handelt de
Maatschappy ook Slaven op de Kusten van Congo en Angola, die de
Portugezen in bezitting hebben, op de zelve mogen alle Natien van
Europa vry handelen, maar niet op de Guineesche.
[Misverstand van eenige in ’t verkopen der Slaven.] Te onregt wanen
vele, die menen, dat hier de Ouders hun Kinderen, de Mannen haar
Vrouwen, of den eenen Broeder den ander verkoopt. De gene, welke van
dusdanige gedagten zijn, bedriegen haar zelfs; want dit nooit en
gebeurt dan uit nootzakelijkheid, en om deze of gene misdaad; dog de
meeste Slaven, die na andere Kusten werden gebragt, zijn Menschen die
in den Oorlog zijn gevangen, en die door de Overwinnaars, als hun Buit
zijnde, werden verkogt.
[Overvoeringe en verkopinge van de Slaven.] De Slaven werden van de
voorsz. Kusten, ten getalle van 400. à 500., in gescheept, en na
Amerika in deze Colonie Zuriname, als mede Curacao; aldaar ten dienste
van de Planters en alle verdere Ingezetene, by paren publijk verkogt,
gemeenlijk Man en Vrouwlijk geslagte t’ zamen uitgeveilt, daar zy ook,
gelijk een Creatuur, eerst gemonstert worden, en draven voor uw heen en
weder, spreidende de armen van malkanderen, de beenen ook op alle
manieren bewegende, en eindelijk de mond open doen of haar ook iets
mogte schelen; zo aan Man als Vrouw, Jong en Oud, tot aan de gaven van
Adam en Eva toe, word opzigt genomen. In middeler tijd van de Reis zo
worden ook wel vele ziek, en hebben, als zy in de Schepen geladen
worden, het eene of ander Venus-kwaad onder de leden, de zelve worden
Malinkerts genoemt, wordende voor veel minder prijs als de gezonde
verkogt; daar door men ook een goed voordeel behaalt, als men zo
gelukkig is dat zy herstelt zijnde wederom op komen, hebbende daar dan
eenige goede Spijze van de Meester, en thans bekwame Geneesmiddelen van
een Doctor, daar het dan zonder gemengeling van ’t eene voor ’t andere
op heen loopt. Verkogt zijnde, zo word de naam van de Meester, haar in
twe en drie Merk-letteren, op de Borst gebrand, na dat de plaats al
vorens met een weinig Boom-Olie bestreken is, zijnde het zelve van
zilver of koper daar toe gemaakt, geschiedende dat t’ elke malen als zy
een ander Meester bekomen, werdende de vorige namen, als te veel
zijnde, uitgeswore.
Zelfs worden de kleine Kinderen van het zoete lot des harer liever
Ouderen versteken, als die van de Moeders borst afgerukt worden; als
een ongelukkig Ner haar verspiede, door die gene, dewelke haar
valschelijk zonder lotinge en zonder Regter hier toe verleid, verdag
vaardende den groten hoop der Swarte, en neemt kennis van handel en
wandel, als bedrukte die haar leven moede, hare zielen verruikelozen,
ziende eerst haar noot-lot der Inscheping en het zeewater, willende
liever zuure armoede en sware arbeid in haar geboorte plaats uitstaan,
als tegens haren wil hunne Kusten en Land verlaten.
[Redenen waarom de Slaven onwillig zijn om haar te laten vervoeren.]
Deze Natie houden haar meesten tijd wel te vrede als zy in de Colonie
zijn, maar onderwegen heeft haar de vreze zodanig bezet, dat zy vermene
onder de Spanjaarts vervoert te worden, als wetende van de Tijrannie,
die te Mexico en Peru, door haar gepleegt was, door ’t verbeelde van de
Jodendom: Zo dat zy veeltijds ondernemen om het Schip af te lopen, of
haar in zee te werpen, om haar van die wanhoop uit een nog ellendiger
leven te verlossen, daar de Kapiteins dier Schepen, door goede wagt
houdinge aan de Luiken van ’t Schip, zorg voor dragen; werdende ook van
haar Natie eenige van de stoutste Venten tot Gidszen of Opzigters over
haar gestelt, gedurende de Reis, die daar wonderlijk mede opgeschikt
zijn. By dag werden alle uuren vier Slaven boven gelaten op het dek, om
haar wat te verluftigen en af te wasschen, om dat ze van haar sweet zo
vreeslijk stinken. ’t Schip werd mede ’s daags twe à drie malen
gespoelt, om de frisse lugt hier door te genieten.
De West-Indische Maatschappy brengt nu ter tijd geen Slaven meer over
na andere Kusten, voor en al eer hondert Guldens op hand word gegeven
by de inteikening in Holland, en dan moeten ze zo lang wagten, tot dat
’er zo veel ingeteikent zijn, dat zy ’er bekwamelijk een Schip op
kosten van dien konnen toe rusten, waar door het zomtijds lang aanhout
eer een Schip in Zuriname met Slaven komt.
In de laaste onderneming der Franschen, hebben de Zurinamers ook grote
schade geleden aan haar Slaven, want buiten de gene die ze mee namen,
zijn ’er over de zeven hondert of veel meer, in de Bosschen, weg
geraakt.
[Gevoelen van de Slaven-Handel of die overeen-komstig is met de
Goddelijke Wet.] Vele Menschen peinzende zieltogen op de Slaven-Handel,
wijl het zig niet gegrond zoude vinden met de Goddelijke Wet, daar over
zal ik niet oordele, maar heen wijzen aan de bladeren des Ouden
Testaments, daar staat wel uitdrukkelijk van Heidensche Slaven te kopen
van de Volkeren die rondsom wonen, en die als vremdeling in ’t Land
zijn, ziet daar van Levit. 25: vs. 44. daar ook verscheidene Wetten
gegeven zijn, van de manier hoe men haar handelen zal, ziet Exod. 21:
vs. 20. en op andere plaatzen meer.
[Voorval van een Swartinne.] Eenige Christenen willen, dat men behoorde
die Menschen te bekeeren en tot de Christelijke Religie te brengen,
daar veel moeite nu voor en na om gedaan is. Men heeft een exempel, dat
een Swartinne in Amsterdam is overgebragt met hare Meester, alwaar zy,
na eenige tijd geweest te zijn, het Nederlands geleerd had, wierd
eindelijk gebragt tot de Gereformeerde Godsdienst, zelfs tot de
Belijdenisse van dien; na verloop van zeven Jaren, dat zy wederom in de
Colonie Zuriname gebragt wierd, begaf zy haar wederom tot het leven en
gezelschap van haar eigen naatsionaal Volk, tot een liber en vrije
drift, zeggende dat zy onder geen dwang van Conscientie met die
beswaarnis wilde leven, om dat de vryheid van dien alles te boven kwam,
enz. Zijnde hare Religie veel aangenamer aan de zinnen dan die van ’t
Christendom; want die Menschen zijn meer ingenomen met wezentlijke
betogen, als gevoelens van vermaaklijkheden, die by haar min bekent
zijn, daarom by haar niet gegrond en aangenomen worden.
[Gestalte van een Swarte Slaaf en Slavinne.] De Swarte Slaven zijn
over-een-komstig van grote en swaarte van lighaam met de Europianen,
maar platagtig van aangezigt; (dog verschillig met de Karaïbanen wiens
aangezigten veel platter zijn,) hebben een holle ingevallen neus, haar
oogen-wit is heel wit, verschelende hier in met de Swarten die men
Mooren noemd, wiens oog-wit veel rood of rosagtiger is; hare tanden
zijn zo wit als Elpenbeen, niet groot, en zo wel gereguleert als men in
Europa niet vind, ook makenze daar zeer veel werk van, ’t hair is
wolagtig, dat zy met willens kort houden, maar de Vrouwen hebben ’t wat
langer, zo dat zommige het tot een tuit dragen, en andere hebben het
regt opstaande een hand breed hoog, by de kanten om scherenze ’t met
een Scheermes op het vel af, en als ’t dan een weinig ruig is, zo
makenze met een Scheermes ronde kringen en slangen langs het hoofd in
het dunne ruige haar, in ’t kort de Negers en Negerinnen zijn tamelijk
mooy besneden van aangezigt en lighaam; de kleding is niet veel van
belang, dog hun Meester of Meesteresse zijn verschuldigt aan haar, van
vijf Jaar af (want dus lang lopenze naakt van haar geboorte aan) iets
te geven om hun Schamelheid mee te dekken, van grijs of blauw
Oessenabrugs of Haarlems Bond, na dat ze in gunst zijn; dat van de
Slaven is een smal strook zes ellen lang en de breedte van een hand,
dit windenze eenige malen om de middel, maar zo gereguleert dat een
slag tusschen de beenen door gaat, alwaar de Schamelheid in verborgen
is, en de twe enden hangen neer, alwaar zy hun Geld of iets anders in
beknopen: De Slavinnen hebben van ’t zelve stof twe ellen lang; zo
breed als het goed is, de zelf-kant op en neer, en slaan ’t een slag of
twe om ’t lighaam, dat dan als een schort hangt. Zie nader, van ’t
gestel der zelve, op nevensstaande Plaat; de beduidenis daar van is
A. De Neger.
B. De Negerinne.
C. ’t Zuiker-Riet.
D. Een Pagaal, of Korf, daar de Vrugt in gedragen werd.
[Zondags werken de Slaven voor haar zelven.] De gene die nu wat Geld
kunnen verdienen, want Zondags hebbenze vry en dan mogenze voor haar
zelf werken, mits dat het Huis-werk van eenige gedaan werd; die op de
Plantagien moeten ook haar eigen Kost-gronden bewerken, daar ze de
gehele week van moeten leven, zo ze dan iets tot overvloed kunnen
krijgen, dat brengenze na Paramaribo, als mede Hoenders, Eynen, en
ander Vee, dat ze zelfs aankweken, om het aldaar te verkopen. De Slaven
in de Stad Paramaribo gaan Zondags aan de Waterkant, of lopen na de
Savana Baaljaren, zijnde een zeker zoort van Danssen, alzo by haar
genoemt; maar dit is verboden, om dat ze te veel verstand met malkander
hielden, en al zingende haar zaken, die d’ eene d’ ander toe wilde te
weten, ondekten, zomtijds daar onder ook wel fluitende met de mond. De
gene nu die voor andere werken op de voornoemde dag dat is dan voor
haar zelven; (’t gebeurt ook wel dat de Negerinnen een Schellinkje met
het Venus-spel verdienen van een Blanke,) hier voor kopen de Slaven wel
een mooijer strook om hun middel, ook Tabak, Pijpen en Dram, daar ze
haar zomtijds wel in verlopen: De Slavinnen kopen dan mede een mooijer
kleetje, van Haarlemmer of ander gedrukt Bond, ’t geen zy Paantje
noemen, en een borst-lap daar de borsten inhangen van streept Bond, ’t
welk van haar werd genoemd Bobbe-lap, maar de meeste lopen met de
borsten bloot; ook kopenze Koralen om de handen, armen en hals, ook
mooije witte tanden die tot een snoer geregen worden, de zelve dragen
zy dan om de hals; deze tanden werden uit haar Land, van de Slaven die
hier komen, mede gebragt, en dan verkopenze de zelve onder malkanderen.
[Kwaadaardigheid dier Volkeren.] De Swarten zijn kwaadaardiger van
geneigtheid dan goeder, haatdragend en strijfkoppig, daarom moetenze
dikwils slagen hebben dat ze voorby konden, zy zijn mede heel kijfagtig
onder malkanderen, en de Wijven plokharen altemets ook wel; voor het
overige zijn zy weinig met de jaloezy bezet, en ook redelijk leerzaam
om eenige Hand-werken te leren, als Timmeren, Kuipen; de Vrouwen
daar-en-tegens Naaijen, en doen diergelijke dingen.
[Manier van Trouwen.] ’t Trouwen op deze onze Zurinaamsche Plantagien
gaat op volgende wijze toe, de Negerman een Negerin ter Vrouwe
begerende, zo vraagt hy zijn Meester om konsent, daar toe, om dit of
dat Wijf te mogen hebben, die hun gemeenlijk zulks toe staat, die haar
als dan vermaand om wel en vreedzaam, als te zaam gebonden Luiden Man
en Vrouw, te leven, zonder eenige verdere Ceremonie van Trouwen door
een Priester, maar door dit zeggen alleene zijn zy dan gehuwelijkt, ’t
welk zy meest alle doen, zo haast zy tot eenige Jaren komen; alleene om
dat zy van hare Huis-vrouwen zullen worden opgepast en gedient, om haar
het eeten en drank te bereiden, in hare gedwonge arbeid en zuure
armoede; en voorts leven zy in de Egte gemeenzaam, houdende het egter
alle hare Vrouwen, en de Vrouwen het alle hare Mannen, te zijn, wel
wetende dat twe meerder konnen als een, en de verandering een nieuwe
lust by brengt. De Man gaat (zo hy een Vrouw van een ander Plantagie
heeft als die gene daar hy op woond) alle nagten na zijn Liefje toe, de
Kinderen die ’er geboren werden horen de Meester of Vrouw van de
Slavinne toe. De Planters hebben liefst dat haar Slaven en Slavinnen op
hun eigen Plantagien Trouwen, om dat ze anders te loopagtig en
diefagtig worden: Die van Paramaribo zouden ’t liefst ook zo hebben,
dog dit kan niet geschieden, wijl zy van zo veel Slaven niet zijn
voorzien, daarom moeten zy zomtijds tegen haar zin toestaan, dat haar
Slaven buitens Huis Trouwen.
Op dusdanige wijze werd het Trouwen op Zuriname verrigt, gelijk voor
heen gesproken is, tusschen de Swarte Slaven en Slavinnen, maar zeer
verschillig by haar eigen Land, waar van wy den Lezer iets zullen mede
delen, zo als de Heer Bosman ’t zelve heeft aangetekent.
[Verdere zeden der Fidase.] De verdere zeden en gebruiken der Fidase
(welke niet met den Godsdienst vermengt zijn) hebben met die van de
Goud-Kust een goede over-een-komst, behalven dat deze in alles vry
rijkelijker te werk gaan; want daar de Negers van de Goud-Kust zig
vernoegen [Trouwen zonderling veel Wijven.] met een, twe, drie, en de
voornaamste op zijn meest met agt, tien of twintig Wijven, daar hebben
’er deze wel veertig of vijftig, en de voorname Kapiteinen drie à vier
honderd, ook eenige wel duizend, en den Koning tusschen de vier en vijf
duizend stuks.
’t Grootste gedeelte dezer Wijven dienen maar zimpelijk om voor hun
Mannen in ’t Land te arbeiden; dog de mooiste en fraaiste blijven in
Huis; waar dat ze mede van den arbeid niet zijn bevrijd, behalven dat
ze nog daar-en-boven hun Mannen moeten oppassen en dienen, gemerkt de
Negers, die van eenig vermogen zijn, geen Mans-perzoon in de Woningen,
waar dat hy zig met zijn Wijven onthoud, zullen laten komen.
[Zijn op de zelve zo min-yverig, dat ze die op het minste vermoeden van
oneerbaarheid aan de Europianen verkopen.] De Mannen zijn hier zo
wonderlijk min-yverig op hun Wijven, dat ze de zelve op het alderminste
vermoeden aan de Europianen, om vervoerd te werden, verkopen; en niet
als de Negers van de Goud-Kust, welke zig niet ontzien, om met hare
Wijven een openbaren Handel te drijven.
Hier gaat het geheel anders in zijn werk; want by aldien iemant hier
een ander mans Wijf afzoend, zo is hy genoegzaam lijveloos, indien de
Beledigde maar van eenig vermogen is; ja zelfs geraakt, om de misdaad
van zo eenen, zijn gehele Geslagte zomtijds in slaverny.
[Sware straf over ’t beslapen van een voornaam Perzoon zijn Wijf. ’s
Konings Wijven mogen zelfs niet aangeroert werden.] Aangaande des
Konings Wijven; indien een Mans-perzoon de zelve maar aanraakte, ’t zy
by ongeluk of al willens, zo zou zo eenen zijn kop, of ten minsten zijn
vryheid kwijt zijn; en tot boete van zijn onnozele misdaad, zig zelven
een eeuwige slaverny moeten onderwerpen. Waarom ook al de gene, die
ontrent ’s Konings Woningen iets te doen hebben, zig met roepen laten
horen, op dat ’s Konings Wijven mogen verdagt zijn, dat ’er een
Mans-perzoon ontrent is.
Om die zelve reden laat zig de Koning, zo als ik hier voren van de
voornaamste ook heb gezegt, binnens Huis van zijn Wijven dienen; zonder
dat ’er ooit eenig Mans-perzoon in komt, ten zy ’er iets te vermaken of
te verhelpen is, in welk geval de Wijven zig zo lang aan een andere
kant moeten begeven.
[Ook eenige niet bezien.] Wanneer de Arbeiders op de Daken, om iets te
verstellen, moeten zijn, zo roepenze mede gestadig, ten einde de
voornaamste Vrouwen des Konings zig zo lang binnens Huis houden; want
het bezien van de zodanige zelfs voor een misdaad werd gerekend.
[Hoedanig ’s Konings Wijven zig buitens Huis gedragen.] Zo wanneer ’s
Konings Wijven na ’t Land gaan om te arbeiden, ’t geen dagelijks met
veel honderden te gelijk gebeurt, zo zullenze, wanneer haar een
Mans-perzoon ontmoet, al van verre roepen, sta ruim; dewelke dan
aanstonds van de weg af op zijn knien valt, en, zonder haar eens ter
degen te derven aanzien, voorby laat gaan.
[De Koning verkoopt zomtijds een goed gedeelte zijner Wijven, zonder
dat het getal verminderd word.] Om het alderminste ongenoegen, en
wegens beuzelingen, verkoopt de Koning zomtijds een stuk of twintig van
zijn Wijven, zonder dat der zelver getal ooit komt te minderen; want
drie van zijn Kapiteins, niet van de minste Rang, en welke over het
Fidase Serrail opzigt hebben, leveren hem alle dagen weder in de
plaats; want zo zy maar een fraai Vrou-mensch zien, zo brengenze de
zelve tot de Koning, waar tegen zig niemant in ’t gehele Land derf
stellen.
Als een Dame by den Koning gebragt is, en dat ze hem behaagt, zo werdze
een reis of drie van hem bekend, daar na moet zy ’t vervolg van haar
leven als een zedige Non verslijten.
[Niemant wil gaarn een Vrou des Konings zijn, maar geven eenige zig
liever aan de dood over.] Om deze oorzaak werden de Vrouwlieden ook
gants ongaarn tot een Vrouw des Konings verkoren; kiezende de zommige
liever een haastige dood, als zo een verdrietig leven.
Voor twe Jaren wilden gezeide Kapiteins een mooi jong Meisje tot den
Koning brengen; dog mits zy niet veel behagen in het Nonne-leven had,
zo ontvlugte zy uit hunne handen, en zig vervolgt ziende, werpt zig uit
mistroostigheid in een diepe Put, waar in versmoorde. Ik zal het aan de
Vrouwtjes overlaten, om te oordelen, of zo een, die dat gene, ’t welk,
haar het meeste vermaak kan geven, niet ongelukkig is, wanneer ze het
zelve na een reis zoenens of twe met p .... moet verslijten. Veel beter
was ’t dan nooit, als wanneer ze zo ligt in verzoekingen zouden vallen.
Dog, niet hoger.
[De Oudste Zoon is Erfgenaam van alle zijn Vaders Goederen en Vrouwen.]
By ’t afsterven van den Vader des Huisgezins, erft de oudste Zoon alle
des zelfs Goederen, ook zijn Wijven, die hy voortaan voor zijn eigen
houd, en bezigt; uitgezondert de gene die hem ter Wereld heeft gebragt;
dewelke hy een afgezonderde Woning, en nodig onderhoud (indienze van
zig zelven niet kan bestaan) verschaft. Dit is by den Koning, de
Kapiteinen, en ook den Gemenen Man, gebruikelijk.
[Den Koning aan zijn eige Dogter getrouwt.] Dezen tegenwoordigen Koning
is ook aan twe van zijn eige Dogters getrouwd geweest, dog welze
bereeds beide overleden zijn, en zijn vreugd met de zelve van een korte
duur geweest is, zo beeld hy zig in, dat de Goden hem hier mede over de
Schenddaad hebben gestraft; en dies heeft hy ook gesworen, dusdanigen
daad nooit meer te zullen ondernemen.
[Uittrouwen van een Dogter des Konings aan den Engelsche Koopman;] Om
in geen verzoekinge te vallen, trouwden hy te mijner tijd zijn eenige
Dogter uit aan den Engelschen Koopman, die alhier den Handel wegens
dien Landaard waarnam. Ik zeer vry met hem zijnde, bestrafte hem hier
over; en om dat hyze my niet eerst had aangeboden, besloeg ik hem al
lachende in een zekere Boete, ’t geen hy gewilliglijk betaalde; met
byvoeging, dat zijn Dogter, schoon getrouwd, egter tot mijn dienst was,
indien ik ze maar begeerde; dat om de zelve wederom te halen, het hem
maar een woord had te kosten.
[en redenering deswegens met den schrijver.] Wat dunkt U E. Mijn Heer,
zijn de Dogters van dezen Koning niet redelijk veil en goed koop, maar
’t is van den brui, dat het Trouwen van zo een Konings Kind hier te
Land niet veel voordeel kan geven; anderzints had het aan my zelven
moeten haperen, byaldien ik niet al voor lang gelukkig was geweest.
[Veelheid van Kinderen.] Wegens de gezeide veelheid van Wijven, is het
ook wel af te meten, dat geen klein getal Kinderen moeten voortkomen,
indien de Mannen anderzints maar in staat zijn, om de zelve te konnen
toestellen, want verandering van Spijs, zeid het Spreekwoord, doet wel
en graag eeten, en dies ontbreekt het hier aan een byna ongelooflijke
Kinder-Teelt niet; want gemerkt de Vrouwtjes niet geheel onvrugtbaar
vallen, en de Mannen ook wel in staat zijn, om ’er het hare toe doen,
zo en behoeft men ’er niet eens aan te twijffelen, want behalven dat de
Mans door hun goede wijs van leven, en ’t voedzaam eeten en drinken,
nog gedurig andere middelen tot versterkinge der Natuur gebruiken, en
te gelijk ook sterke [Mans-perzonen met over de twe honderd Kinderen.]
en lijvige Menschen zijn, zomoet U E. zig niet verwonderen, zo wanneer
voor vast en zeker zeg, dat ik hier Manlieden heb gezien, dewelke
Vaders waren van over de twe honderd Kinderen; en op dat hier van in my
geen twijffeling mogt overblijven, zo is my het zelve, en al de gene
die ’er van ons na gevraagt hebben, met twe voorbeelden nader
bevestigt; eerstelijk met een van des Konings Kapiteinen, met name
Agoei, dewelke ons zedert eenige Jaren voor Tolk heeft gediend.
[Gesprek deswegens met een Kapitein.] Ik vroeg den zelven eens, in ’t
bywezen van een onzer Schippers en mijn Assistent, hoe veel Kinderen
dat hy wel rijk was, vermits ik hem altoos met een goed gedeelte zag
verzeld? welke my daar op half verzugtende antwoorde, dat hy ongelukkig
genoeg was van ’er niet te veel te hebben, en dat der zelver niet boven
de zeventig stuks bedroeg. Ik vroeg wijders of hy ’er geen dood had? hy
zeide, ontrent zo veel als ’er nog in levenden lijve waren. En overmits
deze Man ’t gezeide getal (te zamen ontrent honderd en veertig
uitmakende) voor weinig schattede, zo kond U E. eens denken, hoe veel
’er die gene wel moeten hebben, die zig rijk van Kinderen mogen noemen.
[Als ook met den Koning.] Waar over de Koning (in wiens
tegenwoordigheid dit voorviel) my deze verklaring gaf, en een Perzoon
aanwees, een zijner Onder-koningen zijnde, die alleen met zijn Zoons en
Zoons-Zoons, nevens haarlieder Slaven, hun algemene Vyand, welke met
een goede magt van Volk waren afgekomen, hadden afgewezen, en te rug
gedreven. Voegende hier verders nog by, dat deze Onder-koning, met zijn
Zoons, en hare Zonen, een getal van over de twe duizend konden
uitmaken, zonder dat ’er de Dogters of de overledenen onder gerekend
wierden.
Oordeeld nu eens, mijn Vriend, of deze Menschen niet bekwaam zouden
zijn, om, of ’er elders eens weder een Nieuwe Wereld wierd ontdekt, de
zelve binnen korten tijd te bevolken.
Byaldien het gezeide waaragtig is; gelijk ik het ’er zonder de minste
twijffeling voor houde (mits ’s Konings zeggen, door de daar
tegenwoordig zijnde Groten, wierd bevestigt) en dat het veel
Kinder-maken algemeen door dit gehele Land is, behoefd men zig van nu
af over de Volkrijkheid der zelver niet meer te verwonderen; nog ook,
waar dat zo groten getal Slaven; als hier Jaarlijks werden ingehandeld,
van daan komen.
Laat ons nu weder eens zien hoe het Opvoeden en Kinder-baren van de
Swarten, op de Kust Zuriname, toe gaat.
[Opvoedinge der Kinderen, op Zuriname gebruikelijk, van de Swarte
Slaven.] Hare Kinderen hebben zy zeer lief, voedende die met grote
zorge na den aard der gewoonte, waar in zy menigmaal de Christenen
overtreffen; schoon zy zo zagt en gemakkelijk, met veel spandering en
verspillinge van geld, en anklederende Zieraden, lekkere Spijze en
goede gemaniertheden, zo extra niet in heusheden, als in Europa,
dienstig, niet worden opgebragt; hebbende dat alles ook niet nodig, ja
spottende met mal-onnodige zinlijkheden der Europæanen, oordelende dat
’t milde Aard-land van zelfs genoeg verschaft, al ’t geen de Natuur in
haar eenvoudigheid tot Levens onderhoud vereischt, zo dat ze ’t weinige
dat ze begeren met zo veel te groter gerustheid en vergenoegen
genieten, als de Europëers tot voldoening van hare onverzadelijke
begeerlijkheden ontrusten.
[Werden wit geboren.] Deze hare Kinderen die uit de natuur wit geboren
ter Wereld komen, worden van tijd tot tijd in de ledematen geel, verder
bruin, als iemant die geslagen is; de plekken in hoedanigheden door
smerten veranderd vind, na dat zy eenige malen met warm en dan met koud
water, aan de Rivieren, gewassen worden, om haar te harder te maken,
dat zelfs Oude en Jonge alle dagen in een gebruik hebben om haar te
reinigen; werdende de jong gebore Kinderen dan in een Lap Ossenabrugs
grijs Linnen van twe elle gewonden, en wanneer de Moeder twe à drie
dagen bevallen is geweest, neemt zy het Kind met haar daar zy werkt te
Velde, hebbende het op de rugge in de doek hangen die voor onder de
borsten is toe geknoopt; leggende het nu en dan op de grond te woelen
en spartelen, gelijk ik menigmaal aanschouwt hebbe; en my, wanneer ik
eerst alhier in ’t Land kwam, als een zeer vreemd wonder scheen voor te
komen, ziende in deze figuurlijke een Negerinne; hebbende haar Kind,
met een Paantje of voorgemelde Doek op de rugge gebonden, in de Keuken
de Spijs bereiden; ’t welk my zo dwers voor kwam dat ik voor dat maal
van die Spijze niet konde eeten, vrezende voor onreinigheid; alzo men
die manier van handeling der Kinderen, en zulke Swarte naakt Koks, in
Europa niet gewoon is.
Dog daar na ziende des Lands gebruik, en gewaar wordende dat alles in
’t uiterste zuiver en klaarder toe ging, als van menig stinkende
onnutte slons van Dienstboo in ’t Vaderland; heb ik my daar aan niet
meer gestoten, nogte weiniger eeten en drinken om staan gelaten, wijl
ik nagaans merkte de grote zorgvuldigheid, neffens de manier van ’t
Land om zig door Swarte of Rode Slaven, zo vrije als onvrije, te laten
dienen en oppassen; dan ook weinig in gebruik is, Christenen of Blanke
Dienstboden, tot Huis arrebeid te gebruiken, niet verders als de
ordonnantie en overleg tot de Menagie.
Hoe aangenaam, hoe zoet, smaakt de vermoeid’ het Rusten,
Hoe lekker vind de Dorst een teug uit Beek of Bron,
Geen smakelijker Zous de beste Kok verzon
Dan die de Honger maakt, wat Spijs kan hem verlusten?
[Afkomst en Godsdienst der Slaven.] Deze Afrikaansche, in Amerika
overgebragte Mooren, zijn verscheide in Religie Heidensche Slaven uit
den geslagte Chams, in een verwerde menigte van gevoelens, begrave in
duisternisse der onwetentheid, en kromme stegen der dwalingen die
ontallijk zijn. Het bestond de geregtigheid Gods, de Menschen, die in
den beginne van eenerlei Tale en Religie waren, te laten vallen in een
Babel der verwerringe, zo van Talen als valsche Religien, om dat ze de
Waarheid niet vast en hielden, maar gebroken Bakken die geen water
houden; en dat ze de Fontein der Levendige wateren verwierpen, hun
zelven te verzadigen met het vergiftige vlees der Kwakelen, die het
brood der Engelen moede waren en met de Swijnen draf eeten, en de
heilzame spijs hares Vaders Huis versmade.
Voedende hare beloften met zeer grote bezigheden, ziende haar ook
Bedevaarde doen, eenige houden gedurig hare handen boven ’t hoofd t’
zamen geslagen; andere steken de eene hand uit in de Lugt; andere weder
vele zeldzame posturen den gantschen tijd hares levens.
[Aanbidden de Duivel en andere Afgoden.] Eenige van haar aanbidden den
Duivel en vele Afgoden, als nog in vele Plaatzen; zy geloven veel
Goden, maar voornamelijk die al de andere gemaakt heeft, en dat alle
Creaturen van water gemaakt zijn; de Vrouw voor de Man, dewelke door de
hulpe van de Goden ontfing en Kinder-baarde; gevende aan hare Goden
gedaantens van Menschen. Veel van hare devotie bestaat in huilen, en om
het vuur te danszen, zingen, en in haar eigen vlees te snijden; andere
aanbidden onsterffelijke Goden, als de Zon, Maan en de Wereld; zommige
sterffelijke als Jupiter, Pan en Herkules; andere wederom die onder de
Linie wonen en bidden de Zon niet aan, maar vloekenze geduriglijk als
zy opgaat, om dat hare overgrote hitte haar beschadigde; andere houte
Afgoden, de Negers gelijkende, aan wiens voeten leggen hopen van
Horenen, van viervoetig Vee, waar by gesteld zijn de Bekkenelen van
hare Vyanden die in den Oorlog gedood zijn; en hoe de vuisten in de
strijd gruwelijker bloed storten, hoe zy woester en wilder vuur en vlam
spuwen, als een overtreffelijke blijk van zijne Stam. Zy stellen vast
dat zy [Offer van Spijs en Drank, om haar Afgod te verzoenen, zo ze
ziek zijn.] nooit ziek zijn, dan als hare Afgod op haar vertoornt is;
daarom zoeken zy hem te behagen, met voor zijne voeten te gieten,
eenige Drank neffens Offer van Spijze. Zy zijn gewoon hare Dooden te
wassen en te schilderen, begraven ook Spijze met haar, en zommige van
hare gebruiken de goederen, stortende aan de voeten des Grafs het bloed
van eenige viervoetig Gedierte; zomtijds brandenze de Doode, eenige
kleden haar op de begraffenis als een Duivel, met veel monden en
glaasse oogen, roeren met een staf de asse. Zy zijn ook zeer genegen in
’t voor-zegginge van Vogelen, en hare Leermeesters in zulke agtinge by
haar, dat zy menen, dat het leven en de dood, overvloed en honger, in
hare magt staat; vele aanbidden eenige Wanschepzelen.
[Die van Loango laten hun besnijden ter eere van hun Afgod.] Die van
Loango komen, aanbidden Afgoden en worden besneden in ’t gezigt, aan
weder zijde van de slaaf van ’t hoofd, over de waan en aan ’t kin, met
twe en drie sneden, eenige aan eene zijde des wangs, ter eere van haren
Afgod; andere hebben rozen en starren, door middel van Kruid gebrand,
op ’t gezigte.
[Een Dogter die gebrand was over ’t lighaam.] Ik heb zelfs gezien een
Dogter van hare Oudste, of liever Kapitein, en zo andere willen Koning;
die van de hals af rondom het lighaam van ’t Schamelijke dele, tot aan
de nagels van de tonen, in een zeer aardig figuur gebrand was, zonder
eenige de minste fout in de figuren aan ’t lighaam te vinden: Diens
Vader zelfs over eenige duizenden Menschen magt en bevel had, dienende
voor een Huis-Slavin by een Christen, op Zuriname, dog wierd in die
opzigt redelijker als andere Slaven gehandelt.
[Op wat maniere de Ambagtsman zijn Afgod verzoend.] Yder Ambagtsman
verzoend zijnen Afgod met zulke dingen die zijn Ambagt aangaan; op de
Dood van hare Vrienden doodenze Geiten ter eere van hare Afgoden, en
houden verscheide Maaltijden ter gedagtenisse van de overledene. In de
Goden-dienste hebben deze in Zuriname geen publijke Vergaderinge, ook
zijn zy verscheiden in hare gevoelens in Afrika, daar zy van daan
komen.
[Afgod te Kenga.] Te Kenga, Zee-haven van Loango, daar word van een
Oude Vrouw eenen Afgod bewaard, de welke eens des Jaars met grote
plegtigheid en Feest-houdinge, vereerd word.
[Te Morumba.] En te Morumba dertig mijlen Noord-waard, worden Jongens
besworen om dezen Afgod te dienen, wordende in gewijd met harde Spijze
en tien dagen stil swijgens, neffens onthoudinge van zekere Spijs, en
een snee in hare schouwderen. En anderen een yder Man zijnen bezonderen
Afgod.
[Te Congo aanbidden zy Wanschepzelen.] Te Congo aanbidden zy eenige
Wanschepzelen. De Vrouwen zijn mede omwonden met Koralen aan de armen
en benen, voor die niet in ’t Veld arbeiden; en de Mannen dragen
Kristalle baggen in de ooren en eenige in de onder lip.
[’t Kwaad wijten zy de Duivel.] Als haar iets over komt of kwaad
wedervaart, weten zy de Duivel te noemen en voor kwaad aan te schelden;
welke hare loze Leermeesters, dat onwetende Volk vertonen in een swarte
gruwlijke gedaante, zomtijds van een swarte Hond, zomtijds een
afschuwelijke Padde; konsacrerende deze haren Afgod de eerste teug, van
spijs en drank; indien zy haar zelven met Kalk bestrijken, zo meinenze
dat ze haren God daar mede goede dienst doen. Zy hebben zekere Bomen in
grote agtinge, met de zelve beraad slaande als met Orakelen; aanbidden
zekere Vogel, welke vederen heeft gelijk Sterren; de Tonijn is een
Heilige Vis by haar die men niet mag aanraken: Zy maken ook Goden van
Stroo, om den gestorvenen in de andere Wereld gezelschap te houden, hem
begravende, word hy overeinde op zijn voeten gesteld, met een staf in
de hand; en indien ’t een groot Perzonagie is, een vat met Melk by hem:
Hoe wel men meent dat zy niet anders als om kwaad te doen genegen zijn,
zo werden zy nogtans met geweld, door vreze getempt, om het goede te
ondergaan.
Dit kool Swarte Volk vermaakt zig ook met verscheide gedaanten, om zig
hier en daar in de huid te snijden; pogende malkander in
verscheidenheid van wezen te overtreffen, daar van eenige
Duivel-banners [Voorval van de Schrijver en zijn Vriend aan een Neger
bespeurd over het onweer.] zijn. Een Vriend en ik hadden ons op zekeren
tijd Land-waard in, zijnde onder een Boom, begeven, om de storm van
Donder en Regen te ontgaan, die doe ter tijd geweldig was; een Neger
stond gedurig by ons bevende als een loof, ligtende nu en dan zijn
handen op na den Hemel, en ik weet niet met wat voor woorden, den een
of anderen Duivel of Bullebak aansprekende; en daar op, als wy ’er het
alderminst op verdagt waren, sprong voor den dag als een dol Mensch, en
rukte een lang Mes uit de gordel zijner bladeren, swaaijende het zelve
7. ofte 8. malen om ’t hoofd, hebbende nog eenige andere kuren daar
mede gemaakt, stak het wederom op, kuste de vogtige aarde driemaal en
rees vrolijk weder op; zonder ons eenige verschrikkinge aan te brengen,
rustende het onweder van zijne Donderslagen.
[Op wat maniere zy de Cassave wortel toemaken en eeten;] ’t Brood zo by
de Indianen en Negers, word bereid en gegeten, het zelve word gemaakt
van de Wortel van de Boom Cassave geheten; deze Boom groeid gemeenlijk
ter hoogte van vijf tot zes voeten, zijnde byna van blad als een
Essen-boom, de wortel is tamelijk in substantie, van alles de Rammilas
gelijkende, en ’t gene daar eigentlijk het Brood van bereid word; het
welk zy op een steen of hout raspen in manier van een breede vijl,
hebbende daar toe geen Mortieren om ’t te stoten, daar na leggen zy ’t
geraspte in een grote tene draai korf; naar de voorsz. geraspte Vrugt
wel uitgeparst te hebben, laten zy dat drogen; nagaans weken zy het
wederom in ’t water en maken dan een Deeg hier van, ’t welk zy op een
grote platte steen of yzere plaat voor ’t vuur uitgespreid leggen, en
de gelijkheid van zeer dunne koeken geven; aldus bereid zijnde konnen
die koeken wel drie à vier Jaren, op een droge plaats leggende, goed
blijven. De vogt uit deze wortelen geperst is een zeer groot en sterk
vergift, gelijk men heeft ondervonden als de Honden daar van drinken,
zo aanstonds sterven. Dat nat word egter van haar bewaart en met Atty,
dat is haar Landze Peper, gekookt tot een bekwame Drank; in den aard is
deze vogt Zuiker-zoet en zeer aangenaam van smaak.
[de zelve is ook goed van smaak.] Dit is dun gebakken zijnde nog al
smaaklijk, maar men kan wel oordele zo voedzaam niet te zijn als Weite
Brood; daar nogtans vele Christenen meer werk van maken als van witte
Brood, na het gebruik, zo word het ook zagter of harder, dikker ofte
dun gebakken.
Zijnde egter het Weite Meel om 2. à 2½. stuiver ’t pond dikwils te
koop, wijl het de Engelsche van de andere Eilanden aldaar genoegzaam
brengen; werdende in ’t gemeen niet als fijn Brood van een iegelijk
gegeten. Maar de Indianen en Negers, immer en altoos, gebruiken dit
meergemelde Cassave Brood, daar zy haar mede vergenoegen zonder na iets
anders om te zien of te denken.
Haar Huis-raad is zelden meer als een Pan, een Schotel en een Dek-kleed
des nagts; hun kost is haast klaar gemaakt, haast gegeten, haast
verteert en haast beschreven, haar Tafel is de vaste grond; voor [Wat
ze aan haar Gasten geven te eeten, en hoe de Spijs toe gemaakt werd.]
elk van hare Gasten leggenze een à twe Cassave koeken, beneffens een
Lepel van hout met een Steel van een half el langte, en de Lepel is
zelfs zo groot en wijd dat menze nauwelijks over gapen kan, daar zy de
Bry, Tom; mede na de mond brengen; zommige hebben Vrugten, andere
wederom niet; zommige hebben Vlees, andere niet; zommige brengen de
Spijs voor zo swart als een kool, andere wederom zo wit als Melk;
andere wederom groen, geel, blauw, rood, of anderzins na dat het de Kok
in de zin komt.
[Van de Dranken.] De Drank, waar mede de Slaven haar vervrolijken, werd
Dram, Kil-Duivel of anders gezegt Duivels-dood, genoemt; welke men de
Kanne van twe Stoop voor 12. stuivers koopt. Deze gemelde Dram, werd
van de vuiligheid van de Lekker of Melasjes, anders Zuiker-water,
gedistileerd; waar dat zy haar na een swaren arbeid mede vrolijk maken,
zo met Danssen, Springen, Trommelen, met toe doen van veel wonderlijke
gebeerden, dat haar niet ligt vervelen zal, schoon zy sweten dat het
nat haar van ’t naakte Lighaam afloopt; waar toe zy haar ook verzieren,
van figuurlijk, met rode Verf op haar Lighaam te Schilderen, als mede
haar met Koralen om de hals en armen omwinden en op ’t beste fraai
maken. Het staat ook vry, buiten het regt van overtredinge, zommig werk
op Feest-dagen te beneerstigen; haar Goden-dienst verbied, niemant by
haar het Water te verleiden; Vogelen lagen te leggen, Bomen of te
branden; een heining om zijn Land te vlegten; en de korrende Kudden in
varsse Stromen af te spoelen; woelende diervoege mede om strijd, om
haar Graf-Altaar, van Takken by een te stuwen, en tot op een grote hoop
te vullen.
[Drank die de Engel Gabriël bereid heeft, zo de Mooren zeggen.] De
Mooren bereiden een Drank van swarte Besien, en, zo zy zeggen, gezond,
als afdrijvende alle swaargeestigheid en vrolijkheid makende; dog niet
zo zeer daarom geprezen, als om dat het naar haar voorgeven de eerste
maal toe gemaakt is by den Engel Gabriël, om daar door het vervalle
menschelijk Geslagt weder op te wekken; alzo het zeer goed is om de
Venus gaande te maken.
Over de Maaltijd zijn ’t de vrolijkste Gezellen die ’er mogen gevonden
worden, eetende en drinkende graag, daar over niet krakeelagtig, als
zig wel wetende na de Spijs en Drank te voegen, en dan voornamentlijk
wanneer zy Vrouwen, ik meen gemene Vrouwen, by haar hebben.
[Straffe die aan de Negers werd gedaan over hun baldadigheid.] Ik zal
hier nu mede ter neder stellen de baldadigheden van de Negers, die zy
op de Plantagien zomtijds hebben uitgeregt, en de straffen die de zelve
over de gedane feiten ontfangen. Wanneer nu de voorgemelde Negers hare
werken niet willen doen, nog te gehoorzamen den gene die zy daar in
onderworpen zijn, of als zy uit wraak eene van hare Maats met de vuist,
uit al den hoop gegrepen en op de rug nederleggende, tegens een
Steen-rots aan klist dat het spatte, en de vloer van bloed en etter
drijft; krakende de swart bebloede beenders en schinkels, lillende
tusschen zijn tanden het lauw ellendige vlees in zijn mond, brakende na
weinig tijds de brokken, met de gedronkene Dram gemengt, ten kele uit.
Indien deze booswigten, ’t zy Mans of Vrouwen, het haar te laste
leggende werk weigeren, zo werden zy met Sweep-slagen daar toe
gedwongen.
Als wanneer zy eenig kwaad, buiten de straffe des doods, verdiend te
hebben, (bedrijven) zo werd de zelve door order van de Meester, of ook
wel door hem zelfs; gestraft; werdende de misdadige de handen met een
touw te zamen gebonden, na boven aan een Boom opgetrokken (of over een
Balk van ’t Huis op een zekere hoogte van de grond) en daar vast
gemaakt zijnde, zo word hem 50. ponden op de grond staande aan de
voeten vast gemaakt en die aan een gebonden, om daar door het slingeren
en schoppen met de voeten te beletten; gehouden zijnde deze strenge
straf nog geduldig te lijden, of ten minsten met wringen en naar
schreuwen haar droevige ellend te beklagen; na dat egter alvoorns door
zijn Meester de misslagen hem voor gehouden zijn, en gevraagt is of hy
de zelve wil belijden, met redenen waarom hy zulks gedaan heeft, en na
het zelve beleden te hebben, of door eenige harer Makkers overtuigt
zijnde van de zulken foute; word hem eerst door de Meester of eenige
Blanke Dienaren; en gevolglijk door [Werden met een sweep van
Water-Pinans gevlogten zo geslagen dat ze geen Mensch gelijken.] de
Swarte Broeder-gezellen, zodanig met een Sweep (gevlogten van
Water-Pinans, een zoort van zeer taai Riet met scherpe doornen)
geslagen en gegezeld, dat hy eerder een gevilde of stroopte Hond
gelijkende is, als een Mensch. En wanneer men bevind, dat zy door
aangedronge pijne zo kwaadaardig zijn, dat zy zomtijds haar zoeken te
stikken, wijl zy de kop in de borst zetten en de adem weten in te
houden, daar by de tong dubbeld leggen, om door ’t stikken haar het
leven te benemen, in deze rampzalige straffe zo neemt, tot voorkominge
van ’t zelve te benemen, een stuk brand-hout en stoot haar dat voor de
tanden, zo dat haar de lippen dikker schroeijen als die dog anders
zijn, zo dat zy adem-halen, en als wanneer men oordeeld haar genoeg
gekastijd te hebben, los gelaten zijnde, dat die lapperige stukkende
huit met een scherp zuur van Lamoen-zap, met pulver gemengt zijnde,
gewreven, dat de vorige elendige pijne moet vermeerderen voor een korte
wijl, strekkende verders tot etteringe en gehele genezinge der wonden;
blijvende dog de tekens daar van, als de Brand-merken, haar om ’t lijf.
[Verdere straffen aan de zelve over het weg lopen.] En zo de zelve wel
in ’t Bos lopen om haar eenige weken van ’t werk te bevrijden; na dat
menze wederom bekomen heeft, zo snijd men voor de eerste maal de
hak-senuw uit; en by een twede fout, als iets verders willende, zo
rezolveerd men haar het regter been af te zetten, om het weg lopen te
beletten; in ’t welke ik zelfs oog-getuige ben geweest, dat zy dusdanig
gestraft wierden. Alzo het een Volk is onmogelijk zonder slagen en
straffen te konnen regeren, dog zo moet men nog daar wel zeer
voorzigtig in zijn, dat ze niet onschuldig gestraft worden; dan men
exempelen heeft, dat men zulke onregte straffe heeft zien wreken, aan
de Meester of die des zelfs plaats is reprezenterende, dat zy schuldig
zijnde by overtuiginge niet zullen doen; dog men liever hadde dat nooit
gene straffen en behoorde te geschieden, schoon tusschen de Slaven mede
zeer veel onderscheid van humeur is, meerder als onder de Christenen;
edog goed en kwaad, sterke en swakken; hoewel in ’t algemeen onder de
Slaven veel kwaadaardiger Menschen, die ook tegelijk heel sterk worden
gevonden, en nootzakelijk door de straffe moeten in getoomt worden, en
gedwongen tot goedwilligheid.
[Ordere die gegeven is van de Heer Gouverneur en Raden indien een Slaaf
tegens zijn Meester, enz. komt op te staan.] Daarom by de Heer
Gouverneur en Raden is geordonneert, zo wanneer een Slaaf tegens zijn
Meester, den Neger Officier, Chirurgijn, Timmerman of Molen-Knegt, enz.
of eenige Christen, tot presumtie van de dood, by dreiginge of door
eenig vergift, in wrake komt op te staan, men gehouden is het zelve aan
de Heer Fiskaal aan te brengen, op zekere pœne daar toe staande, om als
dan daar over gestraft te worden nabehoren, door den Rigter dier
Plaats. Uit reden van deze strenge wet en dees voorgevalle exempelare
straffen, hoord men nu weinig van zulke harde ongelukken, nogte eenige
dreigende voornemens en tumulte op de Plantagies; te meer, alzo zy
meest onder malkanderen oneens zijn, en den een den anderen verdagt
zijnde, de Meester aanbrengen, en door dien het Land Bos en Water-agtig
in de Woestijne is, hebben zy geen de minste gelegentheid om uit de
Colonie, in een ander Gewest, te konnen vlugten, zo dat zy worden, na
verloop van eenige tijd in ’t Bos geweest te zijn, voor ’t meerder
gedeelte wederom gevangen; ontfangende hier over de straffe als voren
gezegt is.
[Jagt die op de zelve wel gedaan werd.] Daar word, door andere Negers
en Indianen, wel een Jagt in ’t Bos gedaan, in zekere tijde des Jaars
om de weg gelopene te vangen; of word ook wel door particuliere Jagers
van de Meesters gedaan, die om Wild, in de eenzame Wouden gaan dwalen.
[De weggelopene Slaven kiezen een tot Hoofd over hun alle uit en bouwen
Hutten.] Wanneer het gebeurt dat een groot gedeelte Slaven van zommige
Plantagien zijn weg gelopen, zo hokken ze by malkanderen en maken een
t’ zamenwoning, levende als dan van de Jagt en Aard-vrugten die ze
Planten. Een van de bekwaamste verkiezenze tot Hoofd over hun, aan
wienze alle onderdanigheid dan schuldig zijn; dit verrigt hebbende
bouwenze Hutten om daar in te wonen. De naast gelegene Plantagien
hebben veel tijds grote overlast van haar, nadien zy de Slaven, die in
de Bosschen te verre afgedwaalt zijn, gevangen nemen; wanneerze dan
niet goedwillig willen mede gaan, dwingen zy de zelve daar wel toe, en
doen die dan als Slaven by hun wonen.
Indien deze weg-gelopene Slaven al te grote baldadigheid uit regten, zo
werd (door ordre van de Heer Gouverneur) van Paramaribo eenige Soldaten
en Burgers, verzeld met een party Negers die haar moeten oppassen, de
Rivier Zuriname opgezonden, om deze rebellen zo ’t mogelijk is gevangen
te krijgen: Zomtijds gebeurt het wel dat ze wat opdoen, en ook dat ze
wel onverrigter zaken moeten te rug keeren; zo het dan gebeurt dat
eenige van de zelve gevangentlijk werden mede gevoerd, zo zijn de
Slaven door ’t gehele Land gans bevreest, want d’ een zegt zulks d’
ander voort, en als de reis vrugteloos uit valt, dan zijn ze weder veel
trotzer.
[Togt der Nederlanders op de Slaven.] Voor de laastemaal, dat de
Nederlanders een togt op de weg-gelopene Slaven deden, haddenze een
goede overwinninge; want de Rivier opgevaren zijnde tot aan de Blauwe
Berg, aan Land getreden zijnde, gingen zy de zelve over; een Gids was
by haar die de weg na de Swarten toe wel wiste, (zomtijds gebeurt het
wel dat ze door een Gids, die zeid dat hy de weg niet weet, of wel de
verkeerde met willens wijst, werden bedrogen en de reis vrugteloos
afloopt,) als zy ’er nu na ’t zeggen van de Gids ontrent by waren, zo
hieldenze halte om niet ondekt te werden, en haar d’ aanstaande nagt te
overvallen; ’s avonds doe het donker was gingen zy in stilte al voort
en kwamen ’er ’s nagts; waar op de Nederlanders aanstonds allarm
maakten, zo dat het Dorp geheel in oproer raakte. De Swarten hoopten
haar terstond by een voor ’t Huis van den Opperhoofd, dat een heel
groot Gebouw was, om te zien van wat voor Vyanden zy overvallen
wierden; zo ras als de Blanke zagen dat het tijd was gaven zy vuur,
waar door een party Swarten gekwetst wierden en de overige vreeslijk
verschrikten, dog uit wanhoop stelden zy hun lustig te weer, door dien
zy ook van Schiet-geweer voorzien waren, en het zelve van haar groot
Woon-huis na beneden afschoten; wijders hadden zy ook Houwers,
Kap-messen en Bijlen, ’t geen ze in ’t weg lopen mede namen. Eindelijk
kozen de Swarten, om dat ze te kort schoten, ’t Hazepat; een groot
gedeelte wierd gevangen [Vinden veel voorraad in ’t Huis van haar
Overste.] na Paramaribo gebragt. Zo ras als de Blanke meester van d’
Overste zijn Huis waren geworden, zagen zy alles nauwkeurig deur,
bevonden in ’t zelve en in andere Woningen wel voor drie Jaren Spijze;
want daar lagen hele hopen van de Turksche Tarw of Maïs; doe ze haar
wat hersteld en uitgerust hadden, staken zy alle deze Woningen in de
brand, en vertrokken weder na Paramaribo. Men zegt dat deze Slaven, te
weten de Mans, al over de agt hondert sterk waren, buiten de Vrouwen en
Kinderen; de Blanke maakten met hun allen tagtig Man uit. Deze weg
gelopene hadden hier zo lang gewoond, dat ze al getrouwde Kinders, die
van haar leven geen Blanke gezien hadden; na dit voorval was ’er een
grote verslagentheid onder al de Slaven in Zuriname.
Naderhand is ’t gebeurt dat dit voorval in de vergeteltheid kwam, en de
Slaven die weg-gelopen waren zig weer te zamen rotten, begonden wederom
alle moet willigheid te bedrijven: Zo is ’er ook een party
Paramaribosche Burgers en Planters op uitgeweest om ze te ondekken,
maar ’t ongeluk wilde dat ’er niets opgedaan wierd; de Slaven zulks te
weten gekomen zijnde, waren hier over zo trots, dat indien zy niet al
te wel van haar Meester of Vrouw bejegend wierden, terstond dreigden om
weg te lopen.
Gelijk gebeurd is van zekere Slaaf, die van zijn Meester te Paramaribo
was weg-gelopen, en ’s nagts de stoutigheid nog durfde gebruiken, om
binnen voorsz. Plaats by zijn aanhangers te verschijnen; de Meester
hier van verwittigt zijnde, liet vier Mannen op hem passen met goede
Houwers voorzien, want hy droeg ook een by zig: Hy zijn gang gaande als
voorheen, wierd eindelijk overrast; hier viel een scherp gevegt voor,
maar veel Honden der Hazen dood zijnde, wierd hy gevangen genomen, en
was zo vreeslijk gekwetst, dat zijn Meester wanhoopte ontrent zijn
genezinge, gaf hem om dies wille over aan ’t Geregt, op dat hy straf
ontfangen zou tot spiegel van andere. Zijn Sententie wierd gemaakt, als
dat hy levendig zou gevierendeeld werden en de stukken in de Rivier
gesmeten; hy wierd dan losbandig op de aarde neder gelegt, zijn hoofd
op een lange balk, d’ eerste slag die hy in de benede buik kreeg, deed
al zijn water uit de blaas barsten, zonder dat hy het minste geluit gaf
en zag ’er zelf nog na; de twede slag met de Bijl die wou hy met de
hand afkeren, maar den hand en de boven buik wierden door gehouwen, nog
al zonder geluid; de Slaven en Slavinnen hier over lachende, zeiden
tegens malkanderen dat is een Man! eindelijk de derde slag op ’t borst
en hert deed hem de dood, zijn hoofd wierd afgehouwen, ’t lighaam
vorders in vier stukken, en in de Rivier geworpen. Deze Volkeren
makende over het sterven weinig ja geen swarigheid, zeggende dat zy na
de Bakkerare, dat is, Hollanders haar Land gaan, en na eenige tijd als
een Blanke wederom keeren tot hare Broeders; dan, zy stellen ook vast
de Blanke ook hare voorgaande Geslagt en Broederen zijn, voor zo verre
als die uit Europa met de Schepen daar komen.
Om dan de kwaadaardigheid van de Slaven voor te komen, is ’er een gebod
uitgegaan over de gehele Land-streek, dat elk Planter zal gehouden
wezen by zijn by hebbende bedienden, zo veel nog te ontbieden, dat
tegens yder twintig Slaven een Blanke zal wezen, ’t welk nu in ’t werk
gesteld werd. Eer ik tot het verhandeling harer Dooden zal overgaan,
moet ik nog hier iets zeldzaams verhalen.
[Voornemen van een Blanke Neger Officier om zig als Koning over
Zuriname op te werpen.] Een zekere Perzoon, zijnde een Blanke Neger
Officier, kreeg een voornemen in ’t hoofd, om zig als Koning over
geheel Zuriname op te werpen: Om dit uit te voeren, maakte hy een
heimelijk verstand met de Slaven van zijn Plantagie, dat ze hem hier in
zouden behulpzaam wezen, en deed haar grote beloften; mits dat zy zulks
aan de Slaven op alle Plantagien zouden bekend maken, wat hy voor had;
’t welk was, om op een nagt alle Blanke dood te slaan, zo wel aan
Paramaribo als op de Plantagien. De Slaven beloofden hem alles na te
komen, maakten het hun mede Makkers, te weten de voornaamste van yder
Plantagie, bekend; deze om geen gevaar te lopen, vreesden de aanslag te
wagen, ontzeiden haar dit voorstel. Waar over de t’ zamen-gesworene
verlegen wierden, en dursten ’t haar Neger Officier niet bekend maken
hoe ze gevaren waren, dog zeiden hem al ’t geen hy liefst wou horen. Hy
bleef dan nog in die voornemens van ’t zelve uit te voeren, niet anders
wetende of de zaken gingen regt. Als nu die ongelukkige nagt verscheen,
waar in hy zijn opzet zou aanvangen, (zo hy niet anders meende) was met
de Slaven in ’t Veld gegaan om zijn laaste besluit te nemen; maar zy,
die een zamen swering tegens hem gemaakt hadden, namen hem gevangen,
bonden hem handen en voeten, brogten hem voorts by zijn Meester, en
deden haar beklag tegen de zelve. De Meester alles overwegende, wierd
te rade hem na Paramaribo te brengen, en aldaar te verklagen, vrezende
dat ’er zulke voornemens meer mogten groeijen; hy wierde dan geregt en
tot een spiegel Opgehangen.
[Op hoedanigen maniere de Swarten hare Dooden begraven en verdere
Ceremonien.] Indien een van de Swarten koomt te sterven, werden ook
alle hare Vrienden en Bekenden ontboden, om over de Overledene rouw te
helpen bedrijven; schreijende en kermen deerlijk, zonder ophouden, zo
lang de Doode niet begraven is, en gewoon des Duivels lof te zingen;
eenige huuren Vrouwen, die den tijd van zes Maanden alle dagen drie
maal over hun Doode huilen. Een Dood-kist van Planken gemaakt zijnde,
word hy daar ingelegt op eenige Bannannes bladeren, in plaats van
stroo, neffens een à twe ellen Ossenabrugs Lijnwaat, een Brood,
Scheermes, en eenige Koralen onder zijn hoofd gelegt, waar op hy na het
Graf gedragen en begraven word. In ’t Graf gesteld zijnde, word dan een
Schotel zoppe, met een Haan gekookt, boven op zijn Graft gegoten, op
dat die Doode, heen en weder wandelende, dorst, honger en koude lijden,
en hy na deze mogte komen te verrijzen, daar van eeten kan, als mede
het andere goed tot zijn gebruik kan strekken; en de Haan hem
waarschouwe de tijd zijn ’er verrijzenisse. Wanneer hem eenige redenen,
waarom hy gestorven is, afgevraagt zijnde, en niet en antwoord, om dat
een Doode niet en spreekt maar stil leid; zo gaan zy alle in een ronde
kring eenige malen, onder ’t roepen en kermen, om het Graf; en dan
wederom te rug na haar gewezene sterf Hutte of Woning, al weenende en
zugtende, zo prats ziende als een Kat die het krollen aanhing, tot dat
de Spijze en hare Maaltijden bereid zijn, die zy aanregten in een
houten Bak met Zop of liever Bry, by haar Tras genaamt, en een Schotel
Teyer en Teyer bladeren; neffens eenige andere Kruiden by een stukje
zoute Vlees, of eenig ander Wild, of Vis, by haar gevangen, met een
lange zop gestooft, of ordinaar wat Roomsche Tarwe of Milie, die zy
stampen en koken; gevolglijk tot een Spijze bereiden in manier als
witte Pap, dat by haar Tom, Tom, genaamt word; en nog eenige aard
Vrugten. Andere houwen het Vlees aan stukken en steken het nog lillende
aan ’t Spit, daar na trekkens het lijf uit, in ’t Gras leggende
bankettere van ’t vette Wild-braad, en zetten ’er een dronk Melasjes,
of Zyroop met water gedunt tot een bekwaam zoet en spoeling der dermen;
of een zekere Indiaansche Drank, ook wel de sterke Kil-duivel of
Duivels-dood, waar mede zy lustig Gastereren, zig verheugende drie, zes
en ook zomtijds twaalf Maanden. Na dit afsterven doen zy, ter eere van
den zelven Overledene, wederom een Maaltijd, om haar het vorige wederom
indagtig te brengen, Offeren de eerste beet aan de Zon; dan beginnenze
van haar verdoolde Makkers te spreken, en twijffelen tusschen hoop en
vrees, of die levendig of dood zijn. Zy alle hebben het gevoelen van
Pythagoras, nopende de verhuizinge van de Ziel van ’t eene Lighaam in
’t ander; en dat zy als zy komen te sterven herboorn zullen worden, in
middels na Europa gaan, en wederkeeren in haar Vaderland, op het gezang
van de rijke Dogter de Zon, die binnen het pragtige gewelft haar
ruizende sprel by nagt door de fijne stoffe schied.
Dit werd ook wel van haar gebruikt, dat, zo eer de Doode met aarde
bedekt is, eenige van de zelve dan gaan om Takjes van Lemmetjes Bomen
te plukken, en steken die boven de Doode in de grond en laten dat zo
wassen: Als dit gedaan is, zo danssenze al drinkende rondom het Graf,
zingende de deugden van de Overledene: De Dram werd van haar Meester
daar toe gegeven; als ze haar lang genoeg vermaakt hebben, zo gaat elk,
gelijk hy gekomen is, weer na Huis.
Tot vermaak van de Lezer zullen we, tot besluit van dit Hooft-Deel,
hier iets ter nederstellen aangaande de Spraak der Swarten, zo ze van
haar op de Zurinaamsche Kust gesproken werd, dewijl haar eigen
Moeder-taal niet te verstaan is. Maar om dat d’ Engelschen deze Colonie
lange tijd hebben bezeten, (gelijk voren gewag gemaakt is,) zo hebbenze
dier zelver Spraak meest geleerd; dog om dat ’er Negerze woorden onder
lopen, zo werd het Neger-Engels genoemt; gelijk blijkt uit dit
na-volgende.
[Spraak der Negers.]
Oudy. Goedendag.
Oe fasje jou tem? Hoe vaarje al?
My bon. Al wel.
Jou bon toe? Vaarje ook wel?
Ay. Ja.
My belle wel. Ik vaar heel wel.
Jou wantje sie don pinkinine? Wilje een beetje zitten gaan?
Jie no draei? Hebje geen dorst?
Ay mie wanto drinkje. Ja my lust wel drinken.
Grande dankje no ver mie. Groten dank niet voor my.
Jo wantje smoke Pipe Tobakke? Wilje niet een Pijp Tabak roken?
Jo wantje loeke mie jary? Wilje mijn Tuin reis zien?
Loeke mie Druije se hausum? Zie mijn Druiven hoe mooi zijn ze?
Mie jary no grandebon? Is mijn Tuin niet goed?
Ay hantsum fo trou. Ja ze is heel mooi.
Jo wantje gaen wakke lange mie? Wilje met my uitgaan?
Oe plasje joe wil gaen? Waar wilje gaan?
Mie wil gaen na Watre-zy. Ik wil na de Water-kant gaan.
Oe tem wie wil gaen na Riba? Wanneer wille wy de Rivier op-varen.
Oe plesje tem. Wat tijd het u belieft.
Een ander Zamen-Spraak.
Mie Misisi take joe oudy. Mijn Vrouw laat je goedendag
zeggen.
Akesi of joe tan an house? En vraagt of je t’ Huis zult
blijven?
à Wilkom loeke joe na agter dina Ze wilje t’ agtermiddag komen
tem. bezoeken.
No mie ben benakase ta entre ples Neen ik heb al by een ander late
à reddi wen. vragen of ’t haar beliefde dat ik
zou komen.
As hem ples hem kom te maare. Als ’t haar belieft zo kan ze
morgen komen.
Oe som bady Mastre vor joe? Wie is jou Meester?
Oe fasse nam vor joe Mastre? Hoe heet jou Meester?
Oe fasse kase joe Misisi? Hoe heet jou Vrouw?
Oe plesse jo liewy? Waar woonje?
Klosse byna Forte. Digt by ’t Fort.
Jie no love mie moore. Je hebt my niet meer lief.
Je wantje sliepe lange mie? Wilje niet by my slape?
No mie no wantje. Neen ik wil niet.
Jie no bon. Jy bent niet goed.
Jie monbie toe moussie. Jy bent te gierig.
Kom bosse mie wantem. Kom zoen my reis.
Tot Na-geregt.
Na tappe. Om hoog.
Na bie laeu. Om laag.
Zon komotte. De Zon komt op.
Zon gaeud on. De Zon gaat onder.
Santje. Een ding, en al wat voor haar niet te
noemen of zeldzaam is.
Kaba. Gedaan.
Hause. Een Huis.
Tappe. Het Dak.
Tappe windels. Doet de Vensters toe.
Ope windels. Doet de Vensters open.
Ver wate jie no ope windels? Waarom doe je de Vensters niet open?
Om de Lezer, niet te lang, met deze stoffe op te houden, dewijl al te
veel walgzaam is; zo zullen we overgaan tot de Indianen, die de Colonie
Zuriname uit den eersten Oorsprong, als eigen Land-aard hebben bewoond.