Hoe het Zuiker-Riet in Amerika is overgebragt. Van ’t Riet Mambou
en Rotang. Planting en Aankweking van het Zuiker-Riet op Zuriname.
Schade der Mieren. ’t Gestel der Zuiker-Molens, en des zelfs
Bewerkinge. ’t Zuiker-Riet op alle Kusten waar het gevonden werd.
Woon-Huis der Planters, Neger Huisjes en ’t Stook-huis. Wat een
Plantagie wel zou kosten om van nieuws aan te leggen.
[Zuiker-Riet is aan Amerika niet eigen.] Onder alle Gewassen, die op de
Zurinaamsche Kust vallen, en waar van ’t getal en de verscheidenheid
der zoorten byna onbeschrijvelijk is, word ’er geen met meer voordeel
aangekweekt, als het vermaarde Zuiker-Riet. ’t Welk egter aan Amerika
niet eigen is, maar, na des zelfs ondekking, eerste door de Spanjaarts
en Portugezen van de Kanarische Eilanden op de Amerikaansche, en dus
voorts op de Vaste Kust van Brazyl en Zuriname, daar het zo uitnemende
wel tiert overgebragt en geplant.
Men vind wel hier en daar in Amerika, voornamelijk omtrent den
Silver-Stroom of Rio de la Plata, een zoort van Riet in het wilde
wassen, waar uit door de zonne-hitte een honing-zoet zap sweet, maar
niet zo goed als het zuiker-vogt der Kanarische Rieten.
[’t Riet Mambou en Rotang.] In Oost-Indiën geeft het groot Riet Mambou,
doorgaans Bamboes genoemt, en ook ’t klein Riet Rotang een lieflijk
zap, dat, door de zonne allengs verhard en van smaak verandert, een
wezentlijk zout verbeelt, gelijk het ten dele is, en daarom van de
Grieken en Romeinen ook zomtijds Indiaansch zout genoemt. Want dat dit
het zelve is, ’t geen nog hedendaags van de voornoemde Rieten verzamelt
word, blijkt [Indiaansche Sacar.] zo uit de eige Indiaansche Sacar,
waar onder het nu nog, gelijk oud-tijds, bekent is, als uit de
hoedanigheden, die de zelve zijn. Uit de jonge Struiken dezer
Oost-Indische Rieten, word het gemelde zap, als dan nog zeer zoet en
vloeibaar, van de Indianen gretig gezogen: en van der zelver teerste en
zappigste spruiten maakt men voornamelijk het aangenaam [Achar.] Achar,
dat, naar Europa overgezonden, de Lekker-Monden zeer wel smaakt. Dit
zoete merg der Mambous en Rotangs verliest zijne floeibaarheid, gelijk
gezegt is, en verandert van kleur en smaak, wanneer de Rieten hoog
opgeschoten zijn en oud worden, puilende als dan tusschen de lidden
uit, word aldaar zo hard, dat het kan gebrokkelt worden, en is dan het
zo zeer ge-agte en regte Sacar, of Tabaxir. Men vind het evenwel aan de
gemelde Rieten niet overal in Oost Indiën, en, daar het valt, op de
eene plaats [’t Sacar tot artzeny gebruikt.] beter als op de andere. ’t
Sacar word nu, gelijk by ouds alleen, voor artzeny gebruikt tegen vele
uiterlijke en inwendige kwalen van ’t menschelijke lighaam, en van de
Indiaansche, Arabische, Afrikaansche, Persiaansche en Turksche
Geneesmeesters, door verzekerde en eenparige ondervinding van zo een
zonderlinge deugt bevonden, en daarom zo hoog ge-agt, dat het byna
doorgaans tegen zilver word opgewogen. China heeft behalven de Mambous
en Rotangs een Zuiker-Riet, dat in meest alle Landschappen wast, maar
in zeer grote menigte in dat van Suchuen, alwaar het ook de beste
zuiker uitlevert. In Guinea groeit insgelijks een zoort van
Zuiker-Riet, als mede in Egypten, in Syrien, op ’t Eiland Cyprus, en
zelfs op zommige plaatzen van Frankrijk, daar het nogtans de
Winter-koude nauwlijks kan verdragen.
[Het Zuiker-Riet wast weeligst op de vlakke Velden.] ’t Kanarische
Zuiker-Riet, dat gelijk reets aangemerkt is, met ’t meeste voordeel
word geplant, wast, zo in Zuriname, als elders in Amerika, weeligst op
de vlakke Velden, alwaar de grond mullig en vetst is, en best
bevogtigt. Daar men eene nieuwe wil aanleggen, worden de Bosschen, waar
mede ’t Land uit de natuur meest overal digt bezet is, in ’t laast der
Grote Droogte, gelijk gezegt is, eerst om verr’ gehakt, en in brand
gestoken, ’t geen van eene dubbele nuttigheid is, zo dat de grond door
de vlammen gezuivert word van allerlei schadelijk ongediert, als dat ’t
verbrande Geboomt aan de grond tot mest verstrekt. De grote
Boom-stammen, die niet mede verbrand zijn, worden voorts in stukken
gezaagt en gehakt, om te zijner tijd onder de Ketels, waar in men ’t
zuiker-zap kookt, gestookt, te worden.
[Poting der Riet-Planten.] De grond verder gezuivert en omgekeert, word
verdeelt in voren, waar in men de Riet-Planten gedurende den Kleinen
Regen-Tijd zo poot, dat der zelver einden elkander raken, en de voren
gevult zijn. Die daar na met de zelve aarde worden aangehoogt, meest
gedurende de Grote Droogte, op dat de grote hitte de wortels der
Zuiker-Rieten niet verzenge. Elke kwast der gepote Planten schiet eene
Spruit met haar wortel. De Planting van ’t Zuiker-Riet en van de andere
Vrugten geschiet op deze Kust gewoonlijk, gelijk boven gemelt is, in
den Kleinen Regen-Tijd, wanneer de grond daar toe bekwaamst is.
Voorts groeit en tijd het Zuiker-Riet best als het matig bevogtigt
blijft, en hoe groter de lidden der Rieten zijn, hoe overvloediger
oogst de zelve beloven. [’t Zuiker-Riet moet byna een rond Jaar op ’t
Veld staan.] Dit Gewas heeft doorgaans byna een rond Jaar van noden,
eer het tot volkome rijpheid koomt; gemeenlijk snijd men ’t
Zuiker-Riet, als het genoegzaam rijp is, Jaarlijks af: Dog zomtijds
laat men ’t zelve een Jaar op ’t Veld overstaan, tot dat het nieuw
Riet, volwassen en rijp, te gelijk met het oude word ge-oogst. Indien
de Rieten langer, als twe Jaar, staan, verliezenze hun zap en verdorren
allengs. De jonge Zuiker-Planten, in een goede grond zorgvuldig
aangekweekt, konnen, zo men verzekert, tot veertig en meer Jaren goed
blijven. Dog ’t gewas daar van gaat zomtijds verloren door de grote
hitte en de langdurige droogte, die de Rieten doen sterven. Als dit
gebeurt, word het Gewas in ’t begin van den kleinen Regen-Tijd in brand
gestoken, op dat de wortels weer konnen uitspruiten. De Zuiker-Rieten
verstikken ook wel als de Velden door de Regenen en het overvloeijen
der Water-Vlieten te lang plas staan.
[Schade der Mieren.] Daar-en-boven krielt het in Amerika onder de
gansche Hete Hemel-Streek van twe zoorten van Mieren, waar van de eene
de Europeïsche volkomen gelijk is; de andere driemaal zo groot en
gevleugelt. Dit Ongedierte doet dikwils zeer grote schade aan ’t
Zuiker-Riet en de andere Gewassen en is, door ’t beknabbelen der
wortels, veeltijds oorzaak dat de Rieten sterven. Waarom het
wenschelijk was, dat de Mier-Eters wat menigvuldiger waren, om eenige
millioenen van dit Gewormte te verslinden, of dat men een ander middel
tegen deze algemene plaag kon uit vinden. De Hete Landen worden evenwel
Jaarlijks door de Plas-Regens en ’t overlopen der Rivieren, gelijk de
Gewesten van Europa door de Sneeuw, van deze Mieren en andere
schadelijke Diertjes veel gezuivert. Het Onkruid verstikt ook zomtijds
de Zuiker-Rieten, als men de grond niet eenige malen wied, tot dat ze
’t zelve zijn te boven gewassen. ’t Gerijpte Riet, tot den oogst
geschikt, word by de grond afgesneden, en van bladeren ontbloot en in
bundels gebonden naar de Molens gevoert om uitgeparst te worden.
[Van de Zuiker-Molens.] ’t Gestel dezer Zuiker-molens bestaat doorgaans
uit drie sware houte Assen, met dikke yzere banden beslagen, en boven
en onder voorzien met yzere Pinnen, waar mede ze, regt op en neder
staande, draijen in balken die ten dele ook met yzer zijn beslagen, en
welker onderste op twe andere dwarze balken rust. Gelijk hier van te
zien is in bygevoegde Plaat:
A. ’t Woon-Huis van de Planter.
B. De Zuiker-Molen.
C. ’t Stook-Huis.
D. ’t Magazijn.
E. De Neger Huisjes.
Men heeft nogtans ook Zuiker-Molens, die maar uit twe sware op
malkander leggende Rollen zijn zamen gestelt. Zo deze als de andere
worden gemeenlijk met Raderen door de drijft van ’t water der Vlieten
en Kreeken, waar aan de meeste leggen, omgedreven. ’t Welk zomtijds,
zonder Raderen, alleen door zes of agt sterke Ossen of Peerden
geschiet.
[Kook-Huizen.] Aan de Molens staan de Kook-Huizen, voorzien met vier,
vijf, zes en zomtijds zeven Ketels om de zuiker te bereiden. ’t
Zuiker-Riet, dat men wil uit parssen, word van Guineesche Slaven
gestadig tusschen de Assen of Rollen der Molens gestoken, en dus zo
geklemt en geplettert, dat al het zoete zap uit het zelve geparst word.
Dit vogt loopt in een onderstaande Bak, die nevens de Assen tusschen
dag en nagt twe maal moeten gezuivert zijn. Uit deze Bak vloeit het
zuiker-zap door eene houte goot in de grootste van de kopere Ketels, om
tot zuiker gekookt te worden.
[’t Zuiker-zap kan geen dag duuren.] Welk zieden te gelijk met het
uitparssen moet geschieden, om dat het gedagte zuiker-zap niet eenen
dag kan duuren zonder zuur te worden, en maar twe dagen staande zo
sterk is, als de scherpste Edik, waar voor het dan ook wel gebruikt
word. De gepletterde en uitgeparste rieten worden zomtijds aan de
Varkens gegeven, die ze zeer gretig eeten, daar van vet worde, en zulk
een mals vlees bekomen, dat ze van vele boven Kapoenen worden gestelt,
en als eene gezonde spijze zelfs aan ziekelijke Menschen gegeven.
Andere werpen ’t gekneusde Riet op ’t Land, en steken het daar na in
brand, om voor mest te dienen. Andere werpen ’t onder de Zuiker-Ketels
tot voetzel der vuuren, die men dag en nagt onder de zelve zo sterk
stookt, dat men in een etmaal van vijftien tot veertig voeders aan hout
daar door verteert worden, waar toe gehele Bosschen worden afgehakt.
[De zuiveringe van het Zuiker.] De zuiker-most zelfs word in de
grootste Ketel eerst met een zagt vuur gezoden en gereinigt van schuim,
dat aan ’t Vee tot spijs en drank verstrekt, of anders als onnut word
weg-geworpen. ’t Geschuimde zap laat men ondertusschen in de twede
Ketel lopen, waar in het met een sterker geloed gekookt word, en na
vereisch en weder geschuimt. In deze Ketel laat men op zekere tijden
wat loog druppelen, om ’t zuiker-vogt te zuiveren. ’t Word van zommige
uit deze Ketel door een doek gezijgt; dog van anderen nog eerst in een
derde Ketel gezoden en gezuivert. ’t Schuim en de droessem der twede en
derde Ketel is voor de Slaven, die ’er, een weinig water by [Drank
Garappa.] doende, de sterke drank Garappa van maken. Voorts vloeit het
zuiker-zap uit de grote Ketel in de kleine, waar in het verder word
gekookt en sterk geroert, tot dat het dik genoeg en bekwaam is, om in
de Vormen gedaan te worden. Onder het koken giet de Zuiker-Meester in
de kleine Ketels eenige druppels van Olijf-Oly of een weinig Boter, om
te beletten, dat het zap door het sterk vuur niet overlope en in brand
gerake, om welke reden de koude loog ook in de grote Ketels gegoten
word. Indien men verkeerdelijk de Oly in de grote en Loog in de kleine
Ketels sprenkelde, zou het zuiker-zap bedorven zijn, en insgelijks zo
’er limoen-zap of eenig ander zuur in de Ketels wierd gedaan.
Het honing-zoete vogt, door koken op de verhaalde wijze gezuivert en
verdikt tot een zyroop, word met een lepel uit de Ketels geschept en
gegoten in aarde Vormen, waar in men het verder roert tot dat het zig
genoegzaam gezet heeft. Deze Vormen, rond en van boven naar onder spits
toelopende, en doorboort, worden op houte banken, waar in ronde gaten
zijn, gezet, en de gaten onderin de Vormen ge-opent, om de zuiker zijne
laaste zuivering te geven door het uytzyperen van den zyroop, die door
byzondere gootjes in een grote Bak vergadert word. Om de zuiker wit te
maken, word elke Vorm boven bestreken met grauwe lijm, die men door
water wel bevogtigt.
[De Zuiker in Oxhoofden om verderte zuiveren.] De zuiker dus volkomen
geloutert word uit de omgekeerde Vormen geschut, hebbende de gedaante
van grote broden, waar van men het spitze end, dat eenigzins swartagtig
is, af-snijd. Waar na het een en het ander in stukken geklopt word, en
in de zonn’ naar vereisch gedroogt, en voorts in Oxhoofden gedaan; die
men nog zeven of agt dagen op houte traly-stellingen laat staan, op dat
’t overige van de zyroop geheel van de zuiker scheide, hebbende elk
Oxhoofd van onder een opening waar door ’t vogt zypert in een
onderstaande Bak. De zuiker dus bereid gezuivert, word als de
voornaamste Koopmanschap van de Zurinaamsche Plantagien, gelijk voren
gezegt is, Jaarlijks op de Rede van Paramaribo in Schepen geladen en
naar Europa overgebragt.
[Zuikeren goedheid.] De verscheide goedheid der zuikeren, hangt ten
dele af van de grond, waar op ’t Riet, waar van ze gekomen zijn,
gewassen is. Ten dele van de kennis om de zelve wel te koken en te
zuiveren. Dus leveren de Joodsche Plantagien, die boven aan de Rivier
Zuriname zijn aangelegt, en welker grond zandig en schraal is, deze
leveren de witste zuikeren uit.
[Verhaal van Benzo.] Van de verplanting des Zuiker-Riet uit de Kanarien
in Amerika schrijft Benzo dus: Als Hispaniola en andere Eilanden
ingenomen wierden, hebben eenige Spanjaarts Zuiker-Rieten uit de
Kanarische Eilanden in Amerika gebragt en geplant. Consalvus de Valoso
is de allereerste geweest, die voordeel en winst met ’t Zuiker-Riet
gedaan heeft: want dese heeft op zijne eige kosten Zuiker-Makers uit ’t
Eiland Palma gehaalt, en aan den Vloed Nigna een Molen, om ’t Riet te
malen, laten oprigten. Waar na vele andere zijn voorbeelt gevolgt
hebben.
Men heeft twederlei Zuiker-Molens. Want zommige worden op den oever van
een Vlietend water opgerigt, en de Raderen daar door omgedreven, gelijk
die van de Water-Molens by ons, en dit zoort is wel ’t gemakkelijkste
en voordeligste en daarom meest in gebruik. ’t Twede slag word door
Paarden of Ossen, op de wijze der Oly-Molens en Ros-Molens by ons,
omgedraait.
Als ’t Riet gemalen en wel uitgeparst is, word ’t uitgedrukte zap
gezoden tot dat het dik word. Daar na doenze het by een in een Vorm,
van de gedaante eens kegels, leggen ’t daar henen en maken ’er klompen
van die 10. 15. of 20. Ponden wegen. Om de zelve te zuiveren en wit te
maken word ’er asch op gestrooit.
[Bereidinge van ’t Zuiker op de Kanarische Eilanden.] Als de Zuiker
gezuivert is, leggen ze de kegels uit hare Vormen om te drogen op een
daar toe geschikte plaats, gelijkende na een ruime Schuur, die, zonder
eenige togt gaten, rondom digt gesloten is, en waar in ze een gestel
van Planken, als een Toneel, 7. of 8. voeten hoog op palen oprigten,
waar op de Zuiker-kegels met rijen worden gezet. Onder dit Toneel
leggen ’t allerdroogste hout en steken ’t aan. ’t Welk in deze beslote
plaats weinig rook en vlam gevende, en zig allenkskens gelijk kolen
verterende de Zuiker-kegels gans droog en hard maakt. Dus handelt men
’t Zuiker-Riet op de Kanarische Eilanden.
De Franschen, die met Lery in Brazyl waren, weekten toen tertijd ’t
Riet alleen in water, om zo de zoetigheid daar uit te trekken, of zogen
’t zap met de mond daar uit, dewijl haar de nootwendigheden om ’t Riet
te parssen en ’t Zuiker te bereiden ontbraken. Z. Lery in 13. H. van
zijne Hist. van Brazyl.
[Reinigen der Zuiker van de Hollanders.] De Hollanders reinigen de
Zuiker op de volgende wijze: ’t Zuiker-Riet afgesneden en van zijne
bladeren ontbloot word in kleine stukken gesneden, waar uit ’t zap door
een Pars gedrukt word. Deze Pars bestaat uit twe op malkander leggende
ronde Cylinders, die van de Molen gedurig omgedreven worden. Uit deze
Pars loopt ’t zap in een Ketel, word daar in eerste met water gemengt,
daar na gezoden en geschuimt tot dat het genoegzaam uitgedampt, gegoten
word in aarde Vaten, boven breed en naar onder spits toelopende, waar
in de Zuiker hard word als zout. De gaten die in de spitzen van deze
Vormen zijn, worden eenige dagen gestopt tot dat ’t zap regt geronnen
is, daar na worden ze ge-opent, op dat ’t grove en slijmige zap daar
uit lekke. ’t Breedste dezer Vaten word met kley tot verscheide malen
toe besmeert.
Na dit eerste werk word de Zuiker om verdere zuiverheid te bekomen op
nieuws gezoden en geschuimt, daar op doende een loog van ongebluste
kalk met ’t wit van eyeren. Dan kookt en roert men de zelve
onophoudelijk tot dat de overige slijm ten eenemaal daar af geschuimt
is. ’t Overlopen van dit vogt word met ’t inwerpen van een weinig Boter
belet.
De Zuiker dus gezoden word door een haire zeef gezygt, en daar na weder
zo lang gezoden tot dat de loog geheel verteert is. Daar na wordze
weder in de bovengemelde aarde Vormen gedaan, wordende ’t breede einde
met zuiverder kley bestroken, en deze droog zijnde word ’er weder
andere over geplakt. En dus zypert al ’t slijmagtige voorts onder door
’t spits uit.
[Toestel van de Portugezen om ’t Zuiker te zuiveren.] De
Water-Zuiker-Molens gaan met drie Raderen kleiner en groter. De
Portugesche Molens, die door Ossen gedreven worden, hebben gene
Raderen, dog zo wel deze als de andere drie dikke houte Assen, met
dikke yzere platen beslagen, ook boven en onder voorzien met yzere
Pinnen, draijende in dwars balken, die ook met yzer zijn beslagen, waar
door ze worden omgedreven. De onderste balk word onderstut door twe
andere dwarsbalken. Nevens d’ Assen is aan beide kanten een houte
Tafel, waar op men de Rieten legt, die men tusschen de Assen steekt om
uitgeparst te worden. Aan de eene zijde staan twe Mooren, by deze
Tafel, die ’t Zuiker-Riet gedurig tusschen d’ Assen stoten. Welke
Rieten nu uitgeparst aan de andere zijde van eenen anderen Moor worden
weggenomen, en door twe andere heen gedragen en op eene byzondere
plaats by een gehoopt. Yder dag worden meer als 40. of 50. voeders
uitgeparst.
De eerste Ketel waar in de Zuiker-most geleid word noemen de Portugezen
Caldeira de Mear descumos. Deze word daar in by een zagt vier gezoden,
met een grote kopere lepel geroert en geschuimt, tot dat ze genoeg
gereinigt is. Dit eerst afgeschepte schuim [’t Eerste schuim dat
afgeschept werd is voor het Vee.] word of aan ’t Vee gegeven of weg
geworpen. ’t Geschuimde zap laat men dan in de twede Ketel lopen,
Caldeira de Mear geheten, waar in ’t met een sterker gloet gekookt
word, en na vereis geroert en geschuimt. Op zekere tijden laat men ’er
een weinig loog in druppelen (waar van boven gewag gemaakt is) als ’t
eenige middel om de Zuiker te zuiveren. Dit tot hier toe nogtans maar
een dun zap is. Waarom ze in de derde Ketel, Caldeira de Coan genoemt,
gebragt word, en van daar door een doek gezygt. [’t Twede voor de
Slaven.] ’t Schuim van de twede Ketel word in een bystaand Vat gedaan,
en aan de Slaven gegeven, die ’er de drank Garapa van maken. Uit de
derde word het in de vierde, en nog zomtijds in een vijfde Ketel
gegoten, en gedurig met een grote kopere lepel omgeroert, zomtijds ook
met eenige druppelen koud water verkoelt. Daar na word ’t Zuiker-zap
weer in een ander Vat gedaan, en hier uit laat men ’t door een zyg-doek
in een ander vars Vat lopen. Uit dit weer in een grote Ketel genoemt
Tacha de Recever, uit deze in een ander Tacha de Cozir, en hier uit in
de laaste Tacha de Bater geheten, wordende alzo te deeg gekookt en
geroert, en dan genoemt Agra de Tachas, dat als de Zuiker zelf is, en
waar uit ’t beste Garapa gemaakt word.
[’t Zuiker-zap op de Koel-ketel.] Als ’t gedagte zuiker-zap eindelijk
genoeg gekookt is, word ’t in een Koel-ketel gedaan, waar in men ’t een
weinig koud laat worden; en als dan bekwaam om in de Vormen gegoten te
worden. Onder ’t koken in de kleine Ketels, giet de Keuken-Meester, die
de Portugezen Maestre da Sucar noemen, eenige druppelen Olijf-Olie in
’t ziedend zuiker-zap, op dat het door ’t sterk vuur, dat onder de
Ketels gestookt word, niet in brand rake, maar een weinig daar door
verkoelt worde. En om deze oorzaak sprengt hy ook eenige druppelen loog
in de grote Ketelen, als gemelt is. Maar indien hy verkeerdelijk de Oly
in de grote en de loog in de kleine Ketels sprenkelde, zou ’t zap niet
alleen niet gereinigt worden, maar gans onbekwaam zijn om zuiker daar
van te maken.
[En vorders in Vormen gedaan.] Dit zap nu de dikte van zyroop hebbende
word met een lepel in aarde Vormen gegoten, en gedurig met een houte
spaan geroert op dat ’t zig zette en behoorlijk bestalle, wordende de
Vormen voort vol gedaan. Dus word ’t koud nu tegelijk hard in de
Vormen, die daar na in ’t Huis of Hut der reiniging, Casa de Purgaz,
gebragt, en op houte banken in ronde gaten gezet worden. Dan word ’t
gat onder in de Vorm ge-opent, om de zuiker voor ’t laast te zuiveren,
door uitdrupping van ’t swart agtig zap, of den zyroop, die door
byzondere gootjes in een grote Bak vergadert word. Tot bevordering van
deze laaste zuivering word elke Vorm boven gedekt met een dekzel van
grauwe lijm door koud water bevogtigt, zonder welk de zuiker niet wit
te maken is. In eenen dag vult men dus van 20. tot 70. Vormen, na dat
de Welkluy veel in getal zijn.
[De Zuiker nu wit zijnde werd de zelve in kisten gedaan.] De zuiker dus
volkomen geloutert, word ze uit omgekeerde Vormen geschut, en als witte
klompen of broden gedragen op een grote houte Tafel, daar ze in stukken
geklopt, in de zon gedroogt, en dan in houte kisten gestampt word. ’t
Spitze end der zuiker-broden, dat eenigzins swart agtig is, word ’er
eerst afgesneden eerze gebroken en gedroogt worden. De volle kisten
worden met een dekzel toegespijkert: Elke brood weegt van 30. tot 42.
Ponden. In yder kist gaan 20. of 30. arroben zuiker, zijnde een arrobe
32. Portugesche of 30. Hollandsche Ponden.
De oven daar ’t vuur, om de zuiker te koken, word in gedaan, is zeer
groot, heeft gemeenlijk vier deuren; door welke ’t hout daar in word
geworpen. Van dit hout heeft men een grote menigte van noden, naardien
dit stoken nagt en dag moet duuren zo de Molen gaat. V. Markgr. Hist.
Plant. L. 1. C. 16.
[Zuiker-Riet op Guinea van 7. à 8. voeten hoog.] In Guinea wassen ook
Zuiker-Rieten 7. à 8. voeten hoog, hebbende een zeer zoet merg, en
bladeren die omtrent twe ellen lang zijn, dog smaller, maar van de
zelve kleur, als die van ’t Amerikaansche Riet, de bloey verspreid zig
wijd uit. De wortel van dit Guineesch Riet is wat zoeter en niet zo
houtagtig als ’t ander, brengende zomtijds uitspruitzels voort, die
daar na afgesneden en weder geplant worden. ’t Zou twe Zomers van noden
hebben eer het tot volkome rijpheid komt.
[Alkair en Arabien.] By Alkair in Egypten en in Arabien wast ook zuiker
in een geringe en lage plant, en word daar binnen door de zonne hard
gemaakt, als kristal.
[In Syrien.] In Syrien by Tripoli vind men ook Zuiker-Rieten, die
beneden digt aan de wortel ’t kragtigste en beste zap hebbende,
wordende van de Inwoners met lust geknauwt. Die eerst de lange bladeren
daar af stropen, en ’t bovenste en kragteloze deel van ’t Riet
afgesneden wegwerpen, houdende alleen ’t zappige end over, dat byna een
el lang is. Veeltijds dragen ze een dezer Rieten op de straat in de
hand, snijden ’er gedurig stukjes af, die ze schillen en waar van ze ’t
binnenste eeten, dat, als een klompje welgekookte zuiker, tusschen de
tanden murruw word en smelt. ’t Zuiker-Riet wast hier niet van zaad of
wortelen, maar van zijne eige stukken, die twe of drie gelederen lang,
worden ingelegt, met doorboring van tamelijke grote gaantjes tusschen
de knorven, om te eerder voort te spruiten. Als ze dan uitschieten wast
uit yder lid een Riet.
[’t Eiland Cyprus.] Op ’t Eiland Cyprus word ook diergelijk Zuiker-Riet
byna op de zelve wijze geplant, wassende tot de hoogte van een Man.
De Zuiker-Candy zou volgens de mening van Barlëus van een verdorven
woord der latere Grieken Καντόν, om dat ze kantig en hoekig is.
[Zuiker waar van de Ouden gemelt hebben.] De zuiker waar van de Oude,
als Galenus, Dioscorides, Plinius en andere melden, is een geheel ander
Gewas als ’t West-Indisch Zuiker-Riet. Want de zuiker der Ouden was in
’t Riet zelfs geronnen en hard geworden, daar de hedendaagze maar een
vlietend zap is, dat uit ’t Riet geparst, daar na over ’t vuur zijne
hardigheid eerst bekoomt.
[Des zelfs hardigheid.] De zuiker der Ouden moest men met de tanden in
stukken breken, gelijk ’t zout, daar de onze van zelfs in de mond
smelt. De andere was verfrissende en de dorst eenigzins temperende, ook
dienstig voor de Ingewanden ge-agt: Deze daar-en-tegen is van eene regt
tegenstrijdige hoedanigheid.
[Zoet zap als honig.] In Arabien en vele Oost-Indische Eilanden vind
men in zeker Riet een zap, waar voor de honig zelfs in zoetigheid
swigt.
[Hakra is een Boom op ’t Eiland Ceylon.] Op Ceylon wast een zeker slag
van Bomen, daar Hakra geheten, hebbende zeer grote bladeren, en
voortbrengende de zo genaamde swarte zuiker, waarom ze ook van de
Hollanders zuiker-bomen genoemt worden.
Men verhaalt dat op deze Bomen zeer grote Appelen wassen, van buiten
kastanje-bruin van binnen geel. De basten afgeschilt zijnde worden
weggeworpen, waar na men een grote witte kern vind, die hard, van eene
zonderlinge zoetigheid en zeer goed om t’ eeten is.
[Wat Plinius van de Zuiker schrift.] Van de zuiker der Ouden gewaagt
Plinius in zijn Elfde B. ’t 8ste H. met deze woorden: Arabien draagt
ook zuiker, maar Indiën veel beter. De zuiker nu is een honig, welke
zig in Riet heeft verzamelt, zo wit als gom, ligt verbrekelijk, in
grote als een der grootste hazel-noten, en dient maar alleen tot
artzeny.
[Galenus.] Galenus L. 7. de Simpl. Med.: Sacchar of zuiker welke uit
Indiën en ’t vrugtbaar Arabien herwaarts word gevoert, wast, gelijk men
zegt, in de Rieten t’ zamen, en ’t zelve is een zoort van honig, wel
niet zo zoet als de onze, maar van gelijke kragten (te weten in de
Genees-konst).
[Besluit van Salmasius.] Waar uit Salmasius besluit, dat wijl ’t zap
Sacchar of Tabaxyr zo veel zoetigheid niet heeft als de honig, ’t zelve
niet gehouden kan worden voor de zuiker der Ouden. Dog dit besluit is
niet regtzinnig, want dat de Ouden de zuiker een slag van honig noemden
moet in een breden zin en als by gelijkenis verstaan worden. Men
verzekert daar-en-boven dat ’t zap van ’t Oost-Indisch Zuiker-Riet, nog
vars zijnde, veel zoeter is, als wanneer het oud is, en na andere
gewesten verzonden word; zo dat het daarom der Ouden zuiker wel kan
zijn. Zie Piso Mantiss. Aromat. Ind. Cap. 10. & 11.
[Zuiker-Riet van 6. à 7. voeten lang en 2. duimen dik.] ’t Ander
kleiner Zuiker-Riet wast zo wel in China als in Oost-Indiën, en best by
Poelen en Moerassen. De bladeren zijn als ’t gemeen Riet in Europa, en
zeer scherp snijdende. ’t Is gemeenlijk zes à zeven voeten lang, twe
duimen dik en overal vol gelederen, een grote hand breed van elkander
staande. Boven aan den top ziet men een gehelen bos bladeren. Inwendig
is ’t vol van een wit zappig merg, waar uit zoete zuiker word geparst.
[’t Amerikaansche is 7. à 8. voeten hoog en een duim dik.] ’t
Amerikaansche Zuiker-Riet en byzonderlijk ’t Braziliaansche, wast 7. of
8. voeten hoog, en eenen goeden duim dik. Is van eene spons-agtigen
aard, en van binnen vol wit en zoet merg. De bladeren zijn 2. ellen
lang. De bloezem heeft lang-agtige haren. De wortel is lieflijk (van
geur) en niet zeer houtagtig, brengende eenige uitspruitzels voort, die
daar na tot nieuw Zuiker-Riet opwassen. De Portugezen hebben ’t
derwaarts uit de Kanarische Eilanden gebragt, wordende voor heen maar
een wild Zuiker-Riet in Brazyl gevonden. Z. Piso de Fac. Simpl. L. 4.
C. 1.
[Sacar of Tabaxir Gewas.] ’t Oost-Indische Sacar of Tabaxir Gewas is op
verre na zo goed niet als ’t Braziliaansche Riet, ’t welk de
Brazilianen Viba noemen. Hoe groter de gelederen vallen hoe rijker de
oogst is; en hoe korter men die vind, hoe minder voordeel ze geven. ’t
Riet tiert best en weelderigst op lage en vette Landen, die zo van de
overvloeijende Rivieren, als van de Regen mildelijk bevogtigt worden,
en daar door bevrijd zijn van de Mieren en ander schadelijk ongediert:
gelijk breder gezegt is.
Van de Planting en verdere behandeling van ’t Zuiker-Riet, zie Piso.
[’t Gestel van een Planters Woninge.] Om nu nog iets te melden van ’t
gestel der Woninge van een Planter; de zelve vertoont zig in ’t aanzien
als een rijke Huismans gestel, of een vermakelijke Heeren Hof-Stede:
Voor de Huizinge van de Plantagies heeft men gemeenlijk een Wandeling,
beplant met Oranje en Cinaas-Appel-Bomen, te weten, van beide zoorten
zuur en zoete; beneffens de weelderige dragende Lemmetjes, of om wel te
verstaan kleine zuure Limoenen, met meerder Keuken en lekkere tandige
Vrugten. Hoe wel in voordele om te vergenoegen, alle andere heerlijke
Woninge en Hof-Steden te boven gaat, ten meenigste na de zittuatie van
’t Landschap, zijnde de zelve in korte Jaren reeds aangegroeit ten
getalle van twe hondert, alle dwars leggende met de Huizen voor de
Rivier. De meeste voortegenswoordig voorzien van goede Woon-Huizen,
alle van hout gemaakt, daar van eenige met Zingels van hout, in forma
van Leijen, en andere met grote Bladeren, die men Tas noemt, gedekt,
welkers boven endige stallen gevlogten en over een Lat gestrengeld,
geeft een zeer net en zierlijk Dak van binnen; maar nieuws opgelegt
zijnde, van buiten een wild en vreemd gezigt, zo lang als dit raassende
wild blad niet beregent is, als dan plat op malkanderen in een
egaliteit perssende, gelijk een gelegt Riet-dak.
[Van de Huizinge van binnen.] Binnen in de Huizinge zijn gemeenlijk 2.
3. à 4. Kamers, op het meeste, alle gelijk Vloers, onder een
verdiepinge, zonder middel-schot of Boven-kamers, nog Zoldering, maar
van de grond tot het Dak de hoogte; eenige zeer fraai, zonder ontzien
van kosten van Cederen en Wanen-hout gemaakt, met welke hout het Huis
berookt, verdrijft de schadelijk Adder-Dieren en Huis-Slangen.
[Zuiker-Molen en verdere Gereedschap.] Naast aan de Woninge, ter eener
zijde, ziet men gemeenlijk de Zuiker-Molen, in maakzel als een
Ros-Molen, maar met drie Raders en Stenders; voorts aan ’t Molen-werk
vind men ’t Zuiker, Kook-Huis, Koel-bakken en Vaten, met het
toebehorende Gereedschap.
[Maakzel der Neger Huisjes.] De Swarte Slaven of Negers hare Huisjes en
Woninge zijn van gespleten hout, in forma als Latten of dunne
Pallizaden geklooft, op de dikte van een Spar, in plaats van Planken
omheimt, en alles met voorgaande gemelde Tas-bladeren gedekt; staande
gemeenlijk met een halve Maan aan de zijde van de Planters Woon-Huis,
of daar agter, groot zijnde 20. 30. à 40. voeten in ’t vierkant,
makende gemeenlijk t’ zamen het viguur van een klein Dorpje: In elk
Huisje zijn zomtijds zes tot agt apparte Cellekens of Kamertjes,
hebbende daar in twe à drie Huisgezinnen wonen; zy gebruiken zeer
weinig en byna geen Hang-matten, om in plaats van Bedden daar in te
slapen; gelijk de Indianen alleene maar hebben tot hare Rust-plaats een
harde Cederen Plank voor haar naakte Lighaam, leggende by wijlen met
hare kool swarte rugge op een zagte Mey-Bloem of zoekt een Morinne.
Agter het voorsz. Woon-Huis, neffens het andere Werk, ziet men het
vrugt-dragende beplante Land met Zuiker-Riet, en des zelfs
uitgestrektheid van een ruim Land gezigt en eenzame Wildernissen, dat
de zorgvuldige Meesters op goede gewassen doet hopen, als de tijd des
oogst zal gekomen zijn om de zegen in hare Schuure te doen stremmen, en
van zijn eerste eigen zelfs hoedanigheden te veranderen.
[Goede meninge die de Hr. van Sommelsdijk heeft gehad om de Colonie in
goede staat te brengen.] Zo als mijn ooge speeld op de zittuatie van ’t
Land in zig zelfs en de Plantagien, kan men genoegzaam zien, de grote
zugt die de Edele Heer van Sommelsdyk, in een goede meninge voor de
welstant en ook tot een volkomen vermaak voor de Colonie heeft gehad,
om het spoedig te brengen in een welgeschikte order, ten voordele van
hem zelfs en de nieuws in komende Ingezetene; zo dat mogelijk die
dienst hem tot zijn vroeg eindige dood gebragt heeft, dan hy alle
tekens heeft gegeven van deze Plaats, tot genoeg voldoenende
Ordonnantie, te zullen aanleggen, gelijk de beginzelen daar nu nog voor
hem van getuigen.
[Grote middelen die de Plantagien kunnen opbrengen indien ze met magt
werden voortgezet.] De Eigenaars der Plantagien, alle aan de Rivieren
en Kreeken aangeleid, kunnen rijkelijk van de zelve bestaan,
voornamentlijk als in staat zijn om gemelde Planterien met kragt van
middelen genoegzaam voort te zetten. Want ’t Land dat aan de Planters,
zonder iets daar voor te betalen, word uitgedeelt, geeft niet alleen de
Hooft-zomme tot des zelfs beplanting wederom, maar brengt boven dien in
korte Jaren zeer aanmerkelijke schatten tot overwinst op, waar van men
genoeg levendige voorbeelden heeft, aan Luiden die zelve niet veel
gehad hebben, en alles voornamentlijk hebben moeten aanleggen en
beginnen, met het behulpzaam Credijt dat de Edele Maatschappy de nieuwe
Planters verleent; hoe ze in weinige Jaren uit de opgeleide schuld
geraakt zijn, en een vrije rijke staat bezitten. ’t Geen genoegzaam
bekent is aan die gene, die deze Colonie bevaren: Maar die zelfs geheel
zonder vermogen, met kleinen Credijt van byzondere Koopluiden en met
maar weinige Penningen een Plantagie willen aanleggen, hebben lange
Jaren werk om de zelve in staat te brengen. De Kooplieden willen hare
gelderen met geen voordeliger vertrouwen opschieten, op dat ze haar
eigen in Holland te beter kunnen bewaren, wordende daar door zodanig
een Planter t’ elkens de zenuwe zijner magt benomen, missende het gene
waar door hy te eerder zig zoude konnen bevorderen tot een goede staat,
waar door die Meesters byna nooit konnen uit de schulden geraken, en
door toevallige ongelukken van verloop en versterfte van Negers of
Arbeidende Slaven, ter oorzaak dikmaals door kwade Regeringe der
Meesters of hare Directeurs zodanige schade en ruwijne opleggen;
bezonder als de voorzorge tot de Kost-grond voor de Negers niet word
genomen, als hier na verder zal blijken.
[Kosten die tot een Plantagie van noden is om van nieuws aan te
leggen.] Een Plantagie aan te leggen word, by exempel, aldus gerekent
50. Slaven, zo Mans als Vrouwen, à 250. Gl. ’t stuk,
bedraagt 12500 0 0
4. Paarden en 4. Ossen tot het beeste werk 1600 0 0
Voor Woon-Huis, Molen-stel en Koe-Huis 6000 0 0
Voor extra Onkosten in ’t Timmeren en Kost-gelde, als
eenige Plantagie Gereetschappen, 3000 0 0
---------
Bedraagt t’zamen, 23100 0 0
Zo kan op die maniere een Zuiker-Plantagie aangelegt worden, daar van
de Meester in de tijd van 18. à 20. Maanden zijn uitgeschoten Gelde
wederom voor zig vind, dan na de menigte der Negers vind men ook de
kwantiteit van de beplante grond. Nu werden deze Plantagien in een
kleine beginzel ondernomen, als met 6. 8. of 10. Slaven, dat veel tijd
weg neemt eer men ’t in die staat kan hebben, gevolglijk eer de
Revenuen in komen. Deze werden gemeenlijk Kost-Plantagien genoemt, en
bestaan door het Planten van Tyer, Jammers en Petattes, die ze aan de
Zuiker-Planters, wanneer haar iets ontbreekt, of te Paramaribo
verkopen, zijnde meest Kost voor hare Slaven.
[De Bedienden op een Plantagie.] De Bewoonders van de Plantagien zijn
Europianen uit verscheide Natien bestaande; de Eigenaar, als die op een
Plantagie woond, word een Planter genoemt, maar als deze geen zin daar
meer toe heeft om op de zelve te wonen, zo gaat hy in Paramaribo of in
’t Vaderland zijn verblijf nemen, en stelt een Opzigter over ’t zelve,
die het Plantagie leven wel verstaat, welke men Directeur noemt, op
deze moet hy alles laten staan: Maar die wat gemakkelijk vallen nemen
wel een Directeur by haar; de mindere bedienden zijn een Boek-houder,
een Wond-heler en een blanke met een swarte Neger Officier; maar deze
ordre werd altijd niet gehouden, zomtijds hebben ze maar een
Boek-houder, en een blanke en swarte Neger Officier, ook wel dat de
Directeur met een Boek-houder is, en tot zijn gezelschap een blanke
heeft, de blanke Neger Officier is zomtijds ook wel Boek-houder. Dit
zijn nu de Huis-bedienden na dat de Plantagien groot of klein is, of na
dat de Eigenaar het verstaat; daar zijn ’er op zommige Plantagien mede
een blanke Molen-maker en Huis-Timmerman, dog het werd beide van een
verrigt, nog is ’er een blanke Kuiper of swarte die ’t geleert heeft,
tot het voltallig maken der bedienden.
[Werk en Jaar-geld van een Boek-houder.] Het bewint van de Boek-houder
is, dat hy al het gene op en af gaat van de Plantagie aantekent,
Brieven te schrijven, en als ’er Zuiker gestookt werd zijn nagt-wake op
zijn beurt waarneemt, om toe te zien dat de Slaven wel werken; zijn
Jaar-geld is twe of derde half hondert Guldens, Zurinaams geld.
[Van de Wondheler of Chirurgijn.] De Wond-heler moet al de blanke en
swarte, die op de Plantagie zijn, genezen, zo hy een schikkelijke
Meester heeft, als dan kan hy wel buiten kansjes maken, om de
gebrekkelijke op de naast gelegene Plantagien te genezen, mits dat hy
ook de nagt-wake op zijn beurt waarneemt; zijn Jaar-geld is hondert
vijftig of twe hondert Guldens Zurinaams.
[Blanke Neger Officier.] Een blanke Neger Officier moet dagelijks
twemaal na ’t Veld gaan, om te zien wat de Slaven aangevangen en
uitgeregt hebben, om ’er zijn Meester kontschap van te geven, dit
verrigt hy ’s morgens en ’s avonds, dewijl het over dag te heet is, hy
neemt de nagt-wake mede waar; ’t Jaar-geld van deze is tagtig, negentig
of hondert Guldens Zurinaams.
[Molen-maker.] De Molen-maker krijgt ’s Jaarlijks derde half of drie
hondert Guldens, en moet bywijlen voor zijn Meester, als hy niet te
doen heeft, op andere Plantagien gaan werken: Daar zijn ’er wel die ’s
Maands 30. à 40. Guldens krijgen voor een Jaar à drie, dog dan is ’er
wat veel te doen, en moeten zomtijds een nieuwe Molen of Huis maken.
[Kuiper.] Twe hondert Guldens ’s Jaars krijgt een Kuiper, als ’er geen
Swarte is.
[Swarte Neger Officier zijn werk.] De swarte Neger Officier moet de
gehele dag in ’t Veld zijn, en ziet nauwkeurig toe of het Volk al
werkt, ’s avonds doet hy van alles kontschap aan zijn Meester, legt ’et
mede met hem over wat ’s anderendaags dient verrigt te zijn; zo de
Slaven het verkorven hebben, straft hy ze in ’t bywezen van zijn
Meester, en na dat ze gestraft zijn, moeten ze de zelve bedanken.
De Planter of Directeur die over de gehele Plantagie Meester is, moet
op alles nauw agt geven, de Slaven niet al te wreed, ook niet al te
zagt behandelen, want als ze te wreed behandelt worden zo lopen ze uit
mismoedigheid weg, en als ze te zagt behandelt worden dan lopen ze uit
baldadigheid weg, daarom diende men eerst yder Slaaf zijn aard wel ter
degen te leren kennen. Een Directeur zijn Jaar-geld [Jaar-geld van de
Directeur.] is zeven, agt, negen, tien, tot vijftien hondert Guldens.
Op de Plantagien werd een goede Tafel gehouden, zo dat de Menschen hier
gemakkelijk konnen leven, zomtijds haar Naburen eens aan te spreken,
brengende haar tijd zo al Gastererende door, wanneer ze redelijk gezond
zijn.
Deze vermaaklijke Plantagien verstrooid, aan de Rivieren leggende, en
wel afgezondert van de onbendige Wereld, voor die genugte neemt om zig
te voeden met de natuurlijke dingen in veel veranderinge te beschouwen,
als of hy herschept in een andere Wereld geworpen was, voed zijne ziele
in dit zo grote genoegen, als hy met die bedaartheid gaat nederzitten,
dat andere Wereld-delen zo veel bezondere eigenschappen beswangeren,
daar door zy mede deelzaam worden by andere Volkeren. Dog iemant van
een gezelschap levende aard zijnde, om by vele Menschen om te gaan,
door een slaafze gewoonte daar hy zig zelven aan overgegeven heeft, en
voor die Vrind ziek zijn, hangende aan Nigt en Neefjes, de zulke komt
het in ’t eerste vreemd te voren, hem toe schijnende wel een
Heremitagie of Kluizenaars Woning, zijnde van rondom met grote
Bosschagien en Wildernissen omzingeld en ingesloten, vindende geen
ander gezelschap, dagelijks in ommegang, als daar hy door wet der Kerk
aan gehuwelijkt is, en de verdere aankleve van dien; blijvende by de
zelve vreze, begeerte en droefheid als de blijdschap verbannen zijnde.
Daar die Mensch, ziende na den Hemel, haren Oorsprong te rugge, hem een
vereisste genoegdoeninge kan geven om zig te leren kennen, in
verlochinge zijn zelfs, als maar zijnde eene Pellegrim dezer Wereld;
zijnde geduld de regte zuilen van alle ongevallen en beswaarnissen,
schuilende dog hier de koele Dalen van Hermus, bedekkende het hoofd met
een breede schaduwe van Takken.
De dagelijkze ommegang der Christenen, en wel bezonder die der Vrouwen,
blijkt hier vry wat gemakkelijk te zijn, zullende het byna tegens de
pligt, en eere der zorgvuldige Huis-houwster Marta hare bezigheden,
rekenen, hare handen ergens aan te slaan om iets zelfs te doen, haar in
deze wonderbaarlijk schikkende, na een overvloedig gemak en
ontzaggelijke bevelen, dat haar met dit luy en lekkere Land als aan
geërft word, schreuwende om hare gedienstige Huis-Slaven, die dan de
name voeren van Coffy, Theé, Chocolade, en vele andere snaakze
opgeraapte namen, al eer zy, na de yver zugtige Europiaansche wijze,
haar met een dit of datje zullen bezighouden; zo dat ik tot een glorije
van dit ziel verheugend geslagte genootzaakt ben te zeggen, dat een
Planters en ingevolge een Directeurs Vrouw, het in alle dingen veel
beter heeft (als over een komende met hare eigen zelfs hoogmoedige
gedagten, daar deze liefkozende harten dog mede bedwelmt zijn) als
eenige voorname Vrouwen in andere Plaatzen: Dog moet ik, overtuigt
zijnde, tot haar ontschuld hier by doen, dat het schijnt zig toe te
dragen een schande te zijn, ten opzigt der Slaven, als een Christens
Vrouw hier eenig werk doet, na welkers voordelig gemak de zelve haar
ook wel schikken konnen, voedende hier door de ellendige begeerte om
luy te leven; en ’t schijnt dat de Slaven zelfs voor de arbeidzame
Christenen zo geen agtinge hebben, door dien de waardigheid van haar
pligt tot de blanke zig zeer verre strekt, zo dat men ter eere van de
Europiaansche zeggen kan het een Aards Paradijs voor de zelve zou zijn,
wijl men die al te maal van een goede gestalte vind, in een wellustig
levendig humeur, om dat die niet veel de hitte des Lugts, nogte de
overvloed van sterke Drank zig onderwerpen, haar doorgaans vernoegende
met een Kopje voetzame Chocolade, Coffy en de Theé, neffens eenige
kleine ververssinge van goede en nutbare aangename Vrugten; zijnde dit
Klimaat des Lands dienstbaar aan deze zin-spelende dwingelandige pijn
Wigjes, als daar in gekoestert wordende, tot een welgevallig teder
vergenoegen des natuurs en menschelijke leven.
[Welke de voornaamste Plantagie is.] Onder alle Plantagien is wel die
de voornaamste van de Zuster der Edele Heer van Sommelsdijk, zijnde de
hoogste aan de Rivier Zuriname opwaarts gelegen: Zy heeft voor dezen de
Woon-plaats geweest van zekere Labbadisten, die uit Holland, Friesland
en andere Plaatzen daar na toe getrokken zijn, met oogmerk om hier een
beter leven te leiden tot bevorderinge der Zaligheid, en leefden met
malkanderen in gemeenschap der Goederen. Maar alzo in zulke gevallen de
zinlijkheden der Menschen met malkanderen niet over-een-komen, zo heeft
dit ook geen stand gehouden, en is deze verzameling met onderlinge
goedvindinge wederom gescheiden, zommige zijn na het Vaderland
getrokken, andere hier en daar in ’t Land gebleven.