Handelende van Parimaribo of Nieuw Middelburg, ’t Fort Zelandia,
Sommelsdijk, enz. als mede het Leven en Sterven van de Heer van
Sommelsdijk, en de Onderneminge der Franschen op Zuriname.
[De Stad Parimaribo.] De Hooft-plaats van de Zurinaamsche
Volk-Plantinge is Parimaribo of Nieuw Middelburg, voor dezen is ’t een
Karibaans Dorp, van haar Lieden Parimorbo genoemt, geweest; heeft nu de
gedaante van een aanzienlijk Steetje, gelijk uit nevensstaande
Prent-verbeeldinge te zien is: Als
A. De Stad Parimaribo.
B. ’t Fort of Kasteel Zelandia.
C. ’t Magazijn op ’t Fort.
D. De Gouverneurs Huis.
E. Het Huis van den Commandant.
F. Is de Kerk en Stads-Huis.
G. De Nieuwe Uitlegginge.
H. Het grote Bos.
I. De Riviere Zuriname.
[Legt op 6. graden 45. minuten.] Parimaribo of Nieuw Middelburg voorsz.
legt vlak aan de Rivier Zuriname, op de hoogte van 6. graden 45.
minuten, ruim vijf Duitsche mijlen van zee de Rivier op-waarts, het is
ontrent met vijf hondert Huizen verzien, altemaal van Hout gebouwt
omdat het luftiger als Steen is; aan de Water-kant is het meest met
Oranje-bomen beplant, dat een heel vermakelijk gezigt geeft, en rondom
heeft het een grote Vlakte, gemeenlijk Sarana genoemt, dat wederom met
digte Bosschen is bezet.
[Tot gemak van de Kost-Plantagies is ’er een Weg.] Daar is een Weg van
Parimaribo door ’t Bos gehouwen eenige uuren lang, tot gemak van de
Kost-Plantagies die aldaar zijn, om haar waren gemakkelijk na de Stad
te brengen. Dit waren de schuil-hoeken der Parimaribosche Vrouwen, doe
deze Plaats van de Franschen Belegert wierd, waar van hier na iets
omstandig zal gehandelt werden.
[Van de Kerk en het Stads-Huis.] De Kerk en ’t Stads-Huis van
Parimaribo zijn een, het bovenste deel werd tot de Gods-dienstige
Oeffeninge gebruikt, en het onderste tot de Vergadering der Heeren van
’t Land en Stad, het is een redelijk Gebouw van Klip-steen opgemetzeld,
dat zig aan de Water-kant van de Schulp-mijnen t’ zamen zet; dat daar
gemakkelijk was te krijgen, alzo Parimaribo op Schulp-grond gebouwt is,
dat daar heel zindelijke Straten maakt, want de swaarste Regen is niet
in staat om de Straten ombekwaam te maken, alzo het Water door zekere
Water-leidingen binnen de tijd van een half uur al weg is.
[Begraaf-plaatzen.] By de Kerk is een schoon Bos, bestaande alleen in
Oranje-bomen; zijnde voor de Kerk en onder het geboomte de
Begraafplaats van de aanzienlijkste Beampte of Societeits bediende.
Hondert schreden verder is de Rust-legginge voor alle de Ingezetene
dezer Plaats.
[’t Huis van den Gouverneur en Commandeur.] Het Huis van de Gouverneur
is ook een heel groot Gebouw, dog van Hout, heeft aan de zy een
Gallery; van zijn Huis na ’t Fort loopt een Wandelary, aan beide zijden
met Oranje-bomen en een geschoren Heining bezet, dat heel fraai staat:
het Huis van de Commandant van ’t Fort is ook heel aanzienelijk, maar
zo groot niet als het voornoemde; dit was voordezen de Woon-plaats van
den Gouverneur.
Dit is de vergader-plaats van Parimaribo alwaar de Planters t’ zamen
komen, daar de Heeren van de Regeringe hun bevelen uitgeven, en het
gehele Volk de zelve ontfangt; hier varen de Schepen of en an, want by
Vredens-tijd leggen hier gemenelijk omtrent twintig Schepen op de Ree,
terwijl eenige al na het Vaderland varen, en andere op komende wege
zijn, ’t welk het Land voor minder prijs, als anders, grote
ververssingen veroorzaakt.
[De Bewoonders] De Bewoonder van deze Plaats zijn ten dele Neerlanders,
Franschen, Duitschers en Joden, de laaste hebben alhier een vrije
Synagoge; de Franschen Leren by zekere tijden in de Nederduitsche
Gereformeerde Kerk; de Rooms Catholijke mogen hier niet Leren: Het
bestaan van deze Menschen is, in alderhande Koopmanschappen en eenige
Handwerken.
[Wat elk met de Slaven verrigt.] De Huis-houdingen gaan in dezer
voegen, elk heeft zo veel Slaven als hy met fatzoen kan onderhouden, en
laat zig daar heerlijk genoeg van bedienen, zo hy ze niet van noden
heeft, laat hy de zelve uit Werken gaan by andere om een dag huur, en
dan krijgenze 12. stuivers met de Kost, dog zonder de zelve 15.
stuivers.
[Daar zijn twe Huizen van Steen.] Niet tegenstaande al de Huizen van
Hout gebouwt zijn, zo zijn ’er nog tegenswoordig twe van Steen, die met
Pannen gedekt zijn en met Glaze Vensters verzien; maar men oordeelt de
zelve zo gezond niet te zijn als die van Hout, want de hitte des daags
al te sterk door de Pannen in komende, kan zo ras door de Muuren niet
heen dringen als door de Houte schuttingen of wanden, om dat ze niet
heel digt gemaakt werden. Verders werden in de Houte Huizen geen Glazen
gevonden, maar men zet voor de Vensters gemeenlijk Raamten met grof
Gaas bekleed om de voorby gaande het inzien te beletten; de Huizen haar
langtens staan meest alle neffens de Straat, om dat ’er de Wind beter
kan door waaijen.
[Meubelen en Huis-zieraden.] De Meubelen of Huis-zieraden vind men hier
zo menigvuldig niet als in Europa, meest bestaande in ’t geen men tot
een nootwendig gebruik ten uitersten van noden is, als Bedden en haar
toebehoren, om in de Na-nagt te slapen, dewijl het dan kouder is als in
de Voor-nagt, voorts een Kast of Kabinet, Ledikant, Spiegel, Tafel en
Stoelen, daar beneffens het gebruik van de slingerende Hang-matten, met
de Keuken nootwendigheden, zo dat alles uit Europa voornoemd hier moet
gebragt werden, voornamentlijk Provitie in Eet-waren, als mede velerlei
zoorten van Drank, waar door de Menatie aan Parimaribo heel kostelijk
valt, buiten ’t gene het Land in Vrugt- en Aard-gewassen, voor de
Keuken, nog rijkelijk daar toe geeft; zo dat by ’t weg blijven der
Schepen het hier heel zober uitziet, anders leven de Menschen zeer
mildadig, en zo wel buiten gebrek als in Plaatzen daar gestadig toevoer
was.
[Van de Kledinge.] De manier van Kleding onder deze Volkeren, is voor
tegenswoordig op de Hollandsche of liever gezegt de Fransche dragt,
naar een yders believen en welgevallen, dragende de Mans nu alle ligte
Lakenze en andere zoorten van Stoffe Kleding met Zijde gevoert; daar
men te voren pleeg gekleed te gaan met witte Doorniks of Haarlemmer
Streep, gemonteert met swarte Hare Knopen en Knoop Gaten, dat wegens
het gestadige Wassen der zelve Kledinge veel kosten veroorzaakte, dat
nu de tijd anders heeft by gebragt: Dog omtrent de gemene Luiden, zijn
doorgaans wel zo pragtig en uiterlijker als in ’t Vaderland, wordende
byna niets te kostelijk geoordeelt, ’t welk dan mede by de andere
Christenen, in hoger aanzien, door het gehele Land word na gevolgt,
schijnende aan de vermaaklijkheden des Lands eigen te zijn, wijl al het
geile Groen des Menschen ooge dartelt, en ’t herte doet huppelen in
genoege.
[De Sterkte Zelandia, en waar die naam afkomstig van is.] In ’t
Noord-oosten digt aan Parimaribo en de Rivier Zuriname, legt de zeer
voordelige Sterkte Zelandia, deze naam bekomen hebbende van die van
Zeeland, die ze eerst bezeten hebben, en de gansche Volk-Planting den
Engelschen afnamen in ’t Jaar 1667. door beleid van de Admiraal
Krijnzen en de Vice-Admiraal Culeward, met een Vlootje van drie
Oorlog-Schepen en eenige kleindere Vaartuigen, van alles wel voorzien,
en op hebbende drie hondert Soldaten, onder ’t bestier van de Generaal
Ligtenberg. De Vesting van Zelandia, is van Schelp-steen gebouwt, met
goede Gragten en aarde Buiten-werken versterkt, en van binnen
genoegzaam voorzien met Geschut en Manschap, als mede van de nodige
Magazijnen, Wapen-kamers, Kruit-kelders, Wagt-huizen, enz. De Stroom,
door de zee-vloeden opgestuwt, bespoelt zelfs de voet van de Vesting,
wordende ’t gewelt van ’t water door ingeworpe Stenen gebroken en daar
door ’t af en weg-spoelen verhindert.
[Begraaf-plaats van de Heer Goyer.] Het ruime Plein in ’t voorsz. Fort,
is vereerd geworden met de Begraaf-plaats van Mijn Heer de Goyer,
Gouverneur over geheel Zuriname, zijn E. is Overleden in ’t Jaar onzes
Heeren 1715. den ... July, en ter Aarden bestelt den eersten Augusty,
met zeer grote stoet, onder het lossen van ’t Geschut der Schepen en ’t
Fort, en ’t Salvoos schieten der Soldaten, tot grote bedroeffenis van
zijn Huisgezin en der Gemeente. Wijders is het Fort Zelandia tot
bescherming van de Stad Parimaribo en de Rivier Zuriname, wanneer ze
van Vyanden overvallen mogten werden. De Rivier is hier omtrent een
half uur breed, zo dat het Geschut maar effen kan toebrengen.
[Van de Vesting Cottica of Sommelsdijk.] De Zurinaamsche Maatschappy
heeft, behalven Zelandia, nog een andere Vesting, Cotteca of
Sommelsdijk genaamt, om datze eertijds de Woon-plaats is geweest van
den Hoog Ed. Heer Sommelsdijk, Opper-Bestierder van de Volk-Planting;
waar van wy des zelfs Leven en Sterven hier kortelijk zullen ter
nederstellen.
[Onderneminge van de Hr. Sommelsdijk om zig na Zuriname te begeven.]
Anno 1683. De Heer van Sommelsdijk besloten hebbende om in Perzoon, de
Colonie van Zuriname, welke zijn H. E. W. voor een derde deel toekwam,
te gaan bestieren en in eenen beter staat te brengen als tot nog toe
was, en alles ter reize vervaardigende, wierd by zekere gelegentheid
van zijne Hoogheid den Prins van Oranjen, namaals Koning van Groot
Britannien Hoogloff. Mom., gevraagt, wat zijne E. dog bewoog zulken
moeijelijken last op zig te nemen, als reeds zo grote goederen en
aanzien bezittende, waarop dat zijne E. antwoorde, dat de voornaamste
beweegreden daar toe was, om regt en geregtigheid te oeffenen.
De Heer van Sommelsdijk dan vertrokken om ’t Gouvernement van de
Colonie zelf te aan vaarden, heeft kort na zijne aankomst in Zuriname
Vrede gemaakt met de Indianen tot zonderling voordeel van de Coloniers.
Zijne E. heeft ook grotelijks tot welstant van de Colonie ingestelt een
Raad van Justitie. Zie Rom. de H.
De Wetten van zijn E. ingestelt dienen ook eeniglijk om de Colonie in
eenen bloeijenden staat te brengen, als blijkt uit deze volgende:
Dat gene van de Colonie voortaan meer met Swarten zou Trouwen, ook met
streng verbod van met gene Swarte te Hoereren.
Dat gene particuliere Planters hunne Slaven in ’t toekomende niet meer
zouden mogen verminken of met de Dood straffen, maar de zelve zulks
verdienende aan den Raad van Justitie zouden moeten overgeven.
Om tot eenige byzonderheden van ’t Leven van zijn H. W. G. te komen.
[Zijn E. Woninge.] Zijne E. Woninge aldaar was maar van Hout gelijk die
van de meeste Planters, zonder pragt of wereldlijke verzierzelen.
[Dagelijkze Kledinge.] Zijne E. ordinaire dagelijkze Kleding was maar
van gemein fijn ongebleekt Linnen, dragende zijn eigen Haar zonder
Poeder, zinlijk en rein zijnde over zijn Lighaam, zig dagelijks in zijn
Binnen-kamer wassende [Spijs en Drank.] en badende. Matig in ’t gebruik
der Schepzelen van God doorgaans zijne bekomst eetende uit eene
Schotel, hoewel ’er op zijne E. Tafel dagelijks zevenerlei verscheide
zoort van Spijze wierden opgedischt voor de mede aangezetene.
Gemeenlijk geen ander als grof Roggen Brood, en voor Drank Wijn met
Water gemengt gebruikende. Gelijk zijne E. een grote liefhebber was van
’t Planten van allerlei Gewassen, was zijn dagelijks divertissement in
de Tuin te gaan wandelen en werken.
[Voorval van een Vorst der Indianen.] Kort na dat de Heer van
Sommelsdijk ’t bestier van de Colonie had aangevaart, gebeurde het, dat
een van de Vorsten der Indianen, onder het district van ’t Fort
Zelandia, eene van zijne drie Vrouwen, waar op hy vergramt was, gedood
hebbende, daarover op bevel van zijne Excell. in arrest genomen wierd,
geexamineert zijnde en schuldig aan Doodslag geoordeelt, en daar over
de Dood hem aangezegt wierde, was hy zelf en de andere Indianen daar
door zeer ontstelt, zeggende dat het hen vremd voor kwam dat hy om een
Vrouw zou gedood worden, dewijl hy nog twe andere hadde. Waar op zijne
Excell. door een Tolk, zijnde de Overste van de Synagoge der Joden, die
de Indiaansche tale verstont, hen liet zeggen, dat de God die de Hemel
en Aarde geschapen heeft ons geboden had, dat die des Menschen bloed
vergiet, diens bloed weder zal vergoten worden. Waar op de Vorst en
andere Indianen antwoorden, weten wy dat niet zo zijn wy en onze
Kinderen slimmer als de Peerden, en daar op hielden ze zig stil, en
lieten toe dat de straffe van Onthoofding over den schuldige Vorst
wierd uitgevoert.
[Zijne E. was tot de Godsdienst zeer geneigt.] Zijne E. was van een
edelmoedig inborst, hebbende eene zonderlinge liefde voor den
Godsdienst, agting voor de God-vrezende en yverig om hen te beschermen
en te begunstigen; gemeenzaam en weldadig iegens een iegelijk:
integendeel een groten afkeer hebbende van de ongebondenheid, tot
voorkoming en vertoning van deze ondeugt in de Soldaten; deze aan den
arbeid doende zetten en aan hem daarom maar een matig gebruik van
voedzelen toestaande, als zijnde het beste middel tegen de ongeregelde
geneigtheden. Dog zijne E. wierd wel van eene zijner Zusteren, die toen
ook in Zuriname residerende, ge-adverteert van de Peerlen niet voor de
Zwijnen te werpen, om dat ze zig omkerende hem niet mogten [Des zelfs
Dood.] verscheuren. ’t Welk zijne E. door eene droevige en geweldige
dood is overgekomen, gelijk bekent is, in den Jare 1688. den 19. July.
Dit Feit wierd uitgevoerd door elf zamen geswoorne rebellen, die met
geweld meer en beter rantzoen eischten als dagelijks uitgedeelt werd,
terwijl zijne E. met den Commandant Verboom ’s morgens voor zijn Huis
ging wandelen in de Oranje-bomen allée. De voornoemde elf rebellen
kwamen op eene ongeschikte wijze met hun geweer en half dronken zijnde
’t gezeide van zijne E. afvorderen, waar op zijn E. Excell. naar een
Houwer taste om deze baldadige te rug te drijven, en de arm opheffende,
schoten ze gelijkelijk op hem, waar door dood ter aarden viel, wordende
de Commandant met een ook swaar gekwetst en negen dagen daar na aan
zijne wonde stervende.
[De Muitelingen beroven het Huis van zijn Excell.] Een van de elf
muitelingen wierp zig voor hooft van hen op, en zy namen gezamentlijk
het Huis van zijne Excell. in, maakten zig meester van den besten
Inboedel als van Zilver en Goud, enz. De opperste rebel trok zijne
Excell. beste Kleed aan en ging daar mee pronken. Deze ontboot de
gansche Militie uit het Land, en nodigden de zelve zig by hem te voegen
(de Gouverneur van kant zijnde en de Commandeur swaar gekwetst) voegden
zijn vijftig â zestig gemene Soldaten by de voorsz. elf muitelingen,
willende de overige Militie en Officieren daar mede niet te doen
hebbende, maar hielden zig stil dewijlze niet magtig genoeg waren, om
de rebellen te wederstaan. Welke de Burgery van ’t Vlek ontwapent
hebbende, zig meester maakten van ’t Fort Zelandia, begravende in ’t
zelve Fort het Lijk van zijne Excell., en eenige Kanon schoten ter
gelegentheid van zijn E. begraaffenis doende.
[Verdere onderneming van de zelve.] De rebellen ziende, dat ze geen
meer aanhang kregen, dagten weg te gaan met zijne Excell. beste
goederen, zig daar toe willende bedienen van een groot Schip van de
Societeit, dat met Zuiker geladen voor ’t Fort gereed lag om naar
Europa te varen.
De Schipper van ’t voornoemde Schip aan Land gegaan, om te vernemen wat
daar gaande was, werd van de rebellen in verzekering genomen, en deze
maakten zig daar op meester van ’t Schip, ondertusschen met de Burgers
van ’t Vlek accorderen voor zekere zomme Gelds onder beding van hen dan
niet te beschadigen.
De Raad van Justitie hier door tijd hebbende bood het gehele Land op,
komende daar op de op ontbodene met verscheide zoort van kleine
Vaartuigen, en een groot Hollands Schip, dat uit de handen van de
rebellen naar boven ontsnapt was, de Rivier Zuriname boven ’t Fort
afzakken en bleven aldaar in order geschikt eenige dagen leggen:
Komende insgelijks uit de Commewyne eenige Hollandsche Schepen met vele
andere Vaartuigen der Planters, beneden het Fort leggen; zijnde alzo ’t
Schip dat de rebellen ingenomen hadden tusschen beiden bezet. Waarom de
Planters zig stil hielden tot dat de rebellen eenige Zuiker uit het
Schip ontladen hebbende, de plaats der zelve vulden met de beste
goederen van zijne Excell., waar op de elf muitelingen met de rest die
zig by hen gevoegt hadden t’ Scheep gingen, en gereed zijnde om te
vertrekken, wierden van boven en beneden door de Planters en
Hollandsche Schepen in slagorde omzingeld. Dog eer het tot een
hooft-treffen kwam, boden de gene die niet schuldig waren aan de moord
van zijne Excell. aan, de elf rebellen over te geven indien men hen
wilde vry laten. [In handen van Justitie werden de elf rebellen
overgelevert.] Welk verzoek van de Raad van Justitie en de Planters aan
hen werd toegestaan, en waar op ze de elve in handen van Justitie
overgelevert, die agt dagen daar na, door de Raad van Justitie
gevonnist en veroordeelt wierden, te weten, dat agt zouden opgehangen
en drie gerabraakt worden, hen verdiende straf ontfingen.
De overige zestig werden niet langer in dienst gehouden, en voor en na
by vijf à zes naar Holland overgevoert en daar volgens belofte
vrygelaten.
Zo ras de van de Societeit in Holland de tijdinge van de dood van zijne
Excell. ontfingen, offereerden het Gouvernement aan de Zoon des
overledenen doenmaals Heer van Chatillon genoemt. Waar toe zijne E. nog
Mevrouw zijne Moeder niet konde bewilligt worden, om dat zijne Excell.
op zo eene moordadige wijze was omgebragt. Waar op dan de Heer
Scherpenhuyzen tot Gouverneur wierd verkoren, en met secours van nieuw
Krijgs-volk en voorraad van Ammunitie en Vivres tot opvulling van de
Magazijnen naar de Colonie overtrok, nevens de Heer van Chatillon, die
derwaarts overging om de zaken van zijnen Heer Vader te redden.
[De Sommelsdijkze Vesting legt op een moerassige grond.] Om weder tot
de voorgemelde Vesting Sommelsdijk te komen, ze is dan gelegen op een
moerassige grond, ruim zeven mijlen van zee, ter plaatze daar de
Stromen Commewyne en Cotteca te zamen vloeijen, en versterkt met goede
aarde Wallen. Om dat de buiten Vyanden nergens geen voet aan Land
zullen zetten, zo is uit dien hoofde verboden geen Plantagies te mogen
leggen aan de Rivier Commewyne beneden ’t Fort Sommelsdijk; en alzo
leggen ook geen Plantagies aan de Zuriname beneden het Fort Zelandia:
Deze twe Forten zijn de voornaamste Sterktens in de gansche Colonie of
Volk-Plantinge.
[Om een Nieuwe Sterkte te bouwen.] ’t Zou voor de Nieuwe Colonie zeer
voordelig zijn, en grotelijks tot hare bescherming tegen allen
Vyandlijken aanval dienen, zo ze ook een Sterkte had op de zamen
vloeijing van de grote Stromen Commewyne en Zuriname, alwaar nu het
Krabbe-Bos leid, dus by genaamt van de grote Zee-Krabben, die hier in
menigte van de Bewoonders gevangen worden. De grond van deze plaats is
tot het aanleggen van een Vesting wel eenigzins onbekwaam, als wezende
moerassig en slijkerig, lopende door de Vloed t’ elkens onder, maar zou
door ingeheid Paalwerk wel goed gemaakt kunnen worden. Aan de overkant
van ’t Krabbe-Bos, ook op de Gaar-Vliet der gemelde Hooft-Rivieren,
konde insgelijks een Kasteel van groot gewigt tot beveiliging van die
beide Stromen gebouwt worden. De onkosten, tot zo een werk vereischt,
zoude volgens gemaakte Calculatie 300000. Guldens, of iets meer
belopen. Zo zulks eens uitgevoert wierde, was de Volk-Plantinge niet
als met een over-grote Zee-magt aan te doen, dewijl dan gene Schepen de
Stromen aan de eene of andere kant zouden kunnen opkomen, of een
Landinge ondernemen, zonder zig bloot te stellen voor ’t Geschut van
die Vestingen. Welkers aangelegentheid, of liever nootzakelijkheid men
wel kan afmeten uit de onderneming der Franschen tegens deze Colonie.
Van welke twe togten, om ons voorstel te bevestigen, wy hier een
nauwkeurig verhaal zullen by voegen.
[Eerste onderneminge op de Zuriname van de Franschen.] Gelijk de
Franschen; die het steets aanwassend welvaren van deze Nederlandsche
Volk-Planting met een loer oog aanzien, met schade en schande
ondervonden in ’t begin van deze Eeuw, wanneerze onder ’t bewind van
Monsr. Du Cassé met negen Oorlog-Schepen, een Bombardeer-Galjoot en
verscheide andere Vaartuigen de Stroom Zuriname opkwamen en met
geweldig Schieten en Bombarderen de Vesting meenden te vermeesteren;
maar door ’t Geschut van ’t Fort en de daar byleggende
Koopvaardy-Schepen, boven verwagting zo dapper be-antwoord wierden, dat
ze tegens wil en dank weder van daar vertrokken; hebbende vele doode en
gekwetste, en van hare Schepen, die zeer ontrampoeneert waren, behalven
vele kleine verloren een Oorlog-Schip van vier-en-twintig Stukken en
hondert en zestig Man; dat door onkunde van de gronden gestrand was en
tot buit bleef aan de Nederlanders.
[Twede onderneminge van de zelve.] ’t Was den 10. October 1712. wanneer
Monsr. Cassart voor de twede maal binnen zes Maanden met agt
Oorlog-Schepen, zeven Barken en dartig Barkassen, op hebbende
vijf-en-twintig hondert of drie duizent Man van Guadaloupe, een Eiland
der Franschen in Amerika, de Zurinaamsche Volk-Planting aantaste. De
Oorlog-Schepen konden wegens de ondiepte niet verder als aan de bekende
Modder-Bank komen: dog een gedeelte van ’t Volk, op twe grote Barken,
twintig Barkassen en een klein Oorlog-Schip gezet, voeren vroeg in de
morgen-stond na de overkant van de Stroom, eerst aandoende en
plunderende de Plantagie van de Heer Amzing, een der Raden van de
Colonie, een Man van vele goede hoedanigheden. Het zelve lot van
verwoestinge moesten eenige andere Planteryen, voor aan op de vlakte
staande, mede ondergaan. Deze verwoesting deed de Negers, als mede de
be-angste Vrouwen der Blanken in de Bosschen vlugten voor ’t gevreesde
gevaar. De Inwoonders, van der Franschen onderneming te voren
verwittigt, schikten zig met alle mogelijke vlijt tot een dappere
tegenstand. Ten dien einde haddenze over de tagtig stukken Geschut
tegen de plaats der ontscheping geplant, de Wallen der Vestingen
verbetert, en de zelve van alles wel voorzien. Waar door Monsr. Cassart
genootzaakt was het uiterste geweld aan te wenden, om de eer van zijn
Koning en eigeagting, door ’t mislukken van de eerste onderneming
schandelijk verloren, te herstellen, en niet meer schande te behalen.
Hy liet derhalven de Schepen en Fregatten in de Rivier komen, behalven
het Schip de Neptunus, dat te diep gong, hy deed de Galjoten naderen,
en hield zijn troupen ter Landinge gereed. Maar de Schepen die hem
moesten begunstigen, en zo de Stad als het Fort beschieten, raakten twe
Kanon schoten verr’ van de zelve aan de grond. Het geen Monsr. Cassart
verpligte te wagten, tot dat ze door de Spring-vloeden vlot wierden, om
de Stad en het Kasteel in te sluiten, en zig met zijne troepen meester
te maken van de Rivier Zuriname. Maar alzo deze tegen over het Kasteel
en de Stad nauwer word, en een bogt maakt, die maar een sterke Musket
schoot breed is, en door 30. stukken Geschut wierd beschermt; was het
nootzakelijk, na dat de troepen het vuur zouden uitgestaan hebben, en
aan de andere kant van de Rivier komen, een weg over Land te maken, die
de bogt van het eene einde tot het andere overdwarste, om de
gemeenschap vry te maken voor de troepen en de Schepen, en de zelve de
Inwoonders te Water en te Lande af te snijden. Hier op detacheerde
Monsr. Cassart, Monsr. Beaudinard, met 100. Granadiers, om die dwars
door het Bos en byna ondoorgankelijke Moerassen te zoeken: Deze liet
des anderen daags weten aan Monsr. Cassart, dat hy de zelve had
gevonden, en van de eerste Woning aan de andere kant van de Rivier al
meester was. Waar op Monsr. Cassart, aanstonts het twede battaillon
derwaarts dede trekken, om hem in die post te ondersteunen, en volgde
zelfs twe dagen daar na met de overige troepen over de Rivier, met het
Fregat de Meduze; terwijl twe Schuiten hem Mond-kost en
Oorlog-behoeftens bragten.
Zo als de Coloniers, door het ligt van aangestoken vuuren ter
wederzijden van de Rivier, zagen dat ze overtrokken, gaven een laag uit
al haar Geschut, dat haar had moeten ophouden, waar door alleenig vijf
Mannen wierden dood geschoten, en vijf gekwetst in de Sloep van Monsr.
Gotteville Bellisle die aan een arm wierd gewond, en een gedood in de
grootste Canoë, die door Monsr. Du Bretuil wierd gevoert. De Meduze
gevoert door Monsr. De Hericourt, en de twe Schuiten die hem mede
volgden, niet tegenstaande ’t vuur uit het Geschut, waar van ’t
door-boort was, raakten ’er door; maar alzo het niet langer kon
besturen, ging Monsr. Cassart daar voor en boegzeerde het met de
Schuiten, tot dat ’t zelve buiten bereik van het Geschut was, en deedze
aanstonts en met haast herstellen. Monsr. Hericourt deed by deze
gelegentheid, die zeer delicaat was, alles wat men van zijne
ervarentheid zou hebben konnen verwagten. De troepen dan in dezer
voegen verzamelt zijnde, maakte Monsr. Cassart in de boven gemelde
Woning een Campement, en liet daar in de helft van het Volk, onder
gezag van Monsr. De Sorgues; detacheerde wijders Monsr. De Espinoy met
50. Granadiers, om zig van een voordelige post aan de andere kant van
de Rivier van Para te verzekeren, en door dat middel de Coloniers alle
gemeenschap te benemen. Met de overige Manschap trok Monsr. Cassart,
aan het hooft der zelve, 20. mijlen opwaarts langs de Rivier.
De Heer De Goyer dies tijds Gouverneur, schikte middelerwijl 200. Man
om Monsr. De Espinoys post aan te grijpen; dog de zelve der Inwoonderen
beweginge gewaar wordende, voorkwam haar, toogze met de Banjonet op de
tromp van de Snaphaan tegen, sloeg de zelve, nam de Commandant, zijnde
de eerste Kapitein van de Stad, gevangen, nevens vier Gemene, doode en
kwetste verscheide en dwong de overige in de Bosschen te vlugten.
Espinoy verloor in dit treffen, dat scherp was, maar twaalf Granadiers,
en bekwam zelfs een schoot in zijn Voor mouw.
Monsr. Cassart kwam, na dat Monsr. Moans met een detachement boven aan
de Rivier had gelaten, om die post te bewaren in het Campement, om met
de Spring-vloeden die naderden zijn voordeel te doen, en zo de Stad als
het Kasteel, ’t welke Monsr. Bandeville vijf dagen bleef Bombarderen,
zonder merkelijke schade aan beide te doen, werpende daar in over de
hondert Bomben, aan te tasten; de Heer [De Heer Gouverneur accordeert
wegens Brandschatting.] Gouverneur hier van verwittigt, wierd alzo
genootzaakt, na een rijp beraden, met Monsr. Cassart over een
Brandschatting te accorderen: Waar toe gemelde Cassart zig geerne
gereed vond; wijl hy niet zonder groot gevaar de Schepen, om de banken
en het weinige water dat ’er in deze engte was, konde doen naderen.
[Kloekheid der Inwoonderen.] De Inwoonders niet verflauwende,
verweerden haar onvermoeit, tonende alle goede welvaardigheid, om de
Vyanden tegenstant te bieden, met alle goede voorzorge en beleid, als
immers mogelijk was, dog met zonderling misnoegen en kragtig nadeel,
door het vlugten van de Negers, waar door vele harer magt zal gebroken
zijn.
[Als mede van eenige Zee-Kapiteins.] ’t Zelve deden de Kapiteins Jaques
Sirodet, Willem de Goyer, Cornelis en Pieter Karsten, Cornelis Tomas,
en Steven van Lind, die toen alle daar ter Ree lagen; bewijzende een
iegelijk zo veel tegenstant, als van eerlijke dappere Zee-Luiden zoude
konnen gedaan worden, zonder eenigzins hare pligt te verwaarlozen, op
dat des noot zijnde, het voorval genoegzaam naar ware geschapentheid,
van haar kon verantwoord worden, ter plaatze daar het behoorde.
[Schepen die in de Colonie binnen kwamen.] Gedurende het beleg, kwamen
in de Colonie uit Europa aan de Kapiteins Jan Schouten, Kasper
Keysberg, Pieter Verwer, neffens het Schip de St. Clarida uit Guinea,
voor de mond van de Rivier Zuriname het Anker latende vallen, zondenze
de Boot van Keysberg op, die door de donkerheid van de nagt de Fransche
Schepen passeerde, zonder aangehouden te worden; daar op zond de Heer
Gouverneur de Loots te rug, met ordere aan de Kapiteins om op ’t
spoedigste weder in zee te lopen, en na Barbados of Curacao te gaan,
aan welke laaste plaats deze Schepen behouden gearriveert zijn, en alzo
geret uit de handen der Vyanden, zijnde reets meerendeels verloren
geagt.
[Voorwaarde op welke het accoort met Mr. Cassart getroffen is.]
Ondertusschen was het accoort van Afkopinge tusschen Monsr. Cassart en
de Coloniers getroffen, op volgende voorwaarde: te weten, dat men aan
hem 15000. Oxhoofden Zuiker zou geven, tot 48. Gulden 15. Stuivers het
Vat; belopende alzo in ’t geheel eene zomme van 731250. Guldens; welke
gestelde zomme men in ’t volgend betaalt. Als bestaande in
3500. Oxhoofden Zuiker,
750. Slaven, à 350. Guld. ’t stuk,
180000. Guld. aan verscheide Waren,
65000. Guld. in gemunt en ongemunt Zilver,
37000. Guld. in Wissel-Brieven.
Deze gehele omslag van schade is van de Maatschappy, door eene Reductie
onder de Ingezetenen van de Colonie, gereguleert op agt à tien ten
hondert van yders Capitaal.
Dit is wel ’t voornaamste van ’t gene op deze Togt van Monsr. Cassart
in de Zurinaamsche Volk-Planting is voorgevallen. De tijdingen,
dien-aan-gaande van Parys zelfs ingelopen, melden, dat de onkosten van
’t toerusten der Vloot meer bedragen, als de getrokke
Krijgs-Schattingen. Zo dat de Vyanden met deze onderneming voor haar
zelve geen voordeel behaalt hebben, maar alleen afbreuk aan de
Nederlanders toegebragt. Waar voor de Colonie in ’t toekomende
genoegzaam bevrijd zou kunnen zijn, zo men op de plaatzen, boven
aangewezen, een of twe nieuwe Forten bouwde. Want dan zouden gene
Vyandlijke Schepen konnen aankomen om eene Landing te doen, als onder
’t bereik van ’t Geschut der Vestingen.
[Bezettinge die aan de Mot-kreek is.] Nog is ’er een zekere zoort van
Bezettinge aan zee, aan de mond van de Mot-kreek, zijnde een
op-geworpene Battery, verzien met eenig Geschut en een groot Wagt-huis
voor de Soldaten, leggende elf mijlen verr’ van de mond Zuriname langs
de Kust heen; de dienst hier van is, dat zy al de voor by gaande
Schepen, en voornamelijk die na Zuriname willen, konnen zien, zo menig
schoot werd ’er gedaan als ’er Schepen gezien werden, welke geluit van
’t Geschut byna de gansche Land-strek werd overgehoort, zo dat als dan
de Inwoonderen altijd op hun hoede konnen wezen.
[Fort aan de Kreek Para.] Aan de mond van de Kreek Para legt ook een
zoort van een Fort, zijnde een vierkante Steenen Muur, dog nu
vervallen, dit diende voordezen tot een Vastigheid tegens de
Karaïbanen, doe zy Lieden eenige opstanden aanvingen tegens de
Zurinamers om hun te overvallen, maar nu het Vrede met de zelve is,
werd ’er geen gebruik van gemaakt.
[Bezettinge op de Paramhil.] Op de Paramhil legt nog een Bezettinge,
aldus van de Engelsche genoemt, maar van de Nederlanders de Blauwe
Berg; deze legt aan de West-zy van Zuriname 21. mijlen van zee de
Rivier op-waarts, deze Berg is zonder geboomte en ontfangt alzo de
zuivere lugt, dat een grote gezontheid voor de Bezettelingen baart, die
in getal van vier bestaan, en wonen in een zeker Huis aldaar opgebouwt;
deze Wagt is dienstig tegens de opstand der Karaïbanen, indien ze
onverwagt mogten opkomen om alzo de Blanke te overvallen.
Men vind op de Zurinaamsche Kust gene Landwegen, langs welke Menschen
en Goederen van de eene plaats naar de ander met Ry-Tuigen konnen
vervoert worden; naardien ’t Land, zo als we reets hebben aangemerkt,
byna over-al met Bosschagien bezet en met ontallijke Water-Vlieten
doorsneden is. Maar alles moet naar en van en naar de Plantagien, meest
alle aan gemelde Rivieren en Kreeken gelegen, met bekwame Vaart-Tuigen
te water af en aangebragt worden. En dus worden de Zuikeren en andere
Vrugten, op de Plantagien vallende, met grote Ponten door Negers
voortgeroeit, van alle kanten naar de algemene Rede voor Parimaribo
opgezonden, om op de gestelde tijd in de daar leggende
Koopvaardy-Schepen ingeladen en naar Europa vervoert te worden. Voorts
zullen we hier op verhandelen van het Zuiker-Riet, des zelfs bewerkinge
en verdere toestel ’t geen daar toe van noden is.