[De Colonie aan de Compagnie te lastig ende ruineus vallende, de zelve
weder te mogen stellen ter bezorginge van den Staat.] Laatstelijk, dat
indien by experientie van eenige Jaren zoude mogen werden ondervonden,
dat de voorsz. Colonie te lastig zoude vallen voor de gezeide
West-Indische Compagnie, zodanig dat de Bewindhebberen ende
Hooft-participanten zouden mogen oordelen, dat het verder aanhouden van
de voornoemde Colonie voor de zelve Compagnie zoude wezen zeer nadelig
en ruineus, in zulken gevalle het gemelte Bewindhebberen zal wezen
gepermitteert, van de voorsz. Colonie by abandonnement af-stand te
mogen doen, met alzulken effect, dat den Staat omtrent de bezorginge
van de voorsz. Colonie, als dan gehouden zal zijn ordres te stellen
buiten de gezeide Compagnie.
Weshalven Wy ontbieden ende verzoeken, ook lasten en bevelen allen en
eenen iegelijken die dit eenigzints aangaan mag, dat zy van dit Consent
en Octroy, en van allen den inhouden van dien, ook de vryheden ende
exemptien, in voegen en manieren boven verhaalt, zo wel de gemelte
West-Indische Compagnie dezer Landen, als die gene die zig als boven
albereids op de voorsz. Colonie hebben ter neder gestelt, ofte zig nog
zouden willen ter neder stellen, doen, lasten en gedogen rustelijk,
vredelijk, en volkomentlijk genieten ende gebruiken, zonder aan de
zelve, of hier tegens te doen ofte te laten geschieden eenig hinder,
letzel, ofte moeijenisse ter contrarie, want Onze ernstige meininge
zulks is. Gegeven in den Hage onder het Groot Zegel van den Staat, de
Paraphure van den Heer presiderende in Onze Vergaderinge, ende de
Signature van Onzen Griffier, op den drie-en-twintigsten September
1682. Was geparapheert, A. Gerlacius, vt. Onder stond, Ter Ordonnantie
van de hoog-gemelte Heeren Staten Generaal. Was getekent, H. Fagel.
Hebbende onder uit hangen het Zegel van haar Hoog Mog. in roden
Wassche, aan een roden Zijden Band.