Van de Gematigheid der Lugt en van de Jaar-Zaizoenen op de
Zurinaamsche Kust.
[Gevoelen der Ouden wegens de hete Landen.] Hoewel de Oude
Natuurkundige de Landen onder de Hete Hemel-streek voor volkomen
onbewoonbaar hielden, zig weinig bekommerende met der zelver ondekking
uit waan, dat daar alles wegens de brandende hitte der Zonne
nootzakelijk moest verdorren en verstikken: heeft nogtans de
ondervinding der volgende tijden doen zien, dat deze Hete Gewesten der
Nieuwe Wereld al zo vrugtbaar zijn, al zo wel voorzien van Gedierten,
en niet minder bevolkt, als eenige Landen onder de Getemperde
Hemel-kringen. Waar toe de oneindige Wijsheid van ’t Almagtig
Opper-Wezen aller dingen, de gelegentheid en gesteltheid der Hete
Landen op eene wonderbaarlijke wijze geschikt heeft, om zelfs daar de
Aarde onbewoonbaar kon schijnen zo een overheerlijk Toneel zijner
Wonderen op te rigten. Ten dien einde is de Aardkloot ten opzigt van de
Zonne zo geplaatst, dat de Gewesten tusschen de Keer-kringen (Tropicus
Cancri en Capricorni) regt onder of naby den Evenaar gelegen, voor de
volle kragt van dat brandend Hemel-Vuur niet te lang zouden bloot
staan, maar de Zonn’ maar twaalf uuren, of weinig meer, boven haren
Horizon hebben. Dus is de langste dag op de Zurinaamsche Kust van
omtrent dertien uuren: en de Nagten alzo byna van eene gelijke lengte,
al de Dagen, geven eene zonderlinge verkoeling aan deze Hete Lugt, en
verfrissen op eene aangename wijze Menschen, Gedierten en Gewassen, die
door de sterke Zonne-brand des daags afgemat en verslenst waren. De
Nagten zijn hier, gelijk in alle andere warme Landen, doorgaans niet
alleen zeer koel, maar zelfs eenigzins koud en vogtig, inzonderheid de
Na-nagten, wegens de menigvuldige dampen, die, ’s daags door de
kragtige Zonne-stralen opgeheven, en ’s nagts verdikt, onder de
gedaante van Dauw neervallen, op welke tijd onze Europëers zig
welgedekt moeten houden: want zo ze hen dan te veel ontbloten, wordenze
door ongemakkelijk en zomtijds gevaarlijke ziekten en kwalen overvallen
en aangetast. Zelfs in dat Zaizoen des Jaars, waar in men de heetste
Dagen heeft gevoelt men de Nagten zeer koud, en kouder als gedurende de
Regen-Tijden, wanneer de Lugt by Dag gematigst is. ’t Is zonder
twijffel mede om deze nagt-koude wat te verzagten, dat de Wilde
Inboorlingen, wetende by ondervinding hoe nadelig de zelve aan de
gezontheid is, omtrent hunne Hang-Bedden des nagts gedurig een vuurtje
houden.
De veelheid der Water-Vlieten Dauw geven ook eene grote verfrissing aan
deze Hete Gewesten, die daar door mede zo wel gematigt worden, dat ze
niet minder in gezontheid als in vrugtbaarheid voor gene Landen wijken.
Nergens vind men groter verscheidenheid van allerhande weelderig
groeijende Gewassen [Lang leventheid der Amerikanen.] als op deze
Kusten. Onze Amerikanen zijn ook doorgaans weinig ziektens onderhevig,
en meest zeer langlevende, zo hun leven door geen geweldig einde
verkort word. Zeer vele bereiken de hondert jaren, niet weinig meer.
Insgelijks onze Europëers, zo ze maar eene matige, en naar de aart van
’t Land geschikte levens-wijze houden zijn onder deze Hemel-streek
gemeenlijk niet min gezont, en doorgaans lang-levender, als in hun
Vaderlandsch Europa. Alwaar onze Lighamen door de ongestadigheid van
het weer, en door de grote en schielijke veranderingen van koude en
warmte veel meer aanstoot lijden, en daar door al mede van korter duur
zijn, als in de Hete Gewesten, welker Lugt ten dien opzigte byna altijd
even gematigt en daarom te gezonder is. Waar toe ook niet weinig helpt
het menigvuldig Geboomte, dat hier altijd groen is, en eenen gedurigen
overvloed van velerhande verfrissende Vrugten verschaft.
[Van de koele en verfrissende Winden.] Daar-en-boven word de Hete
Lugt-streek, tot omtrent veertig graden ter weder-zijden van den
Evenaar dagelijks verfrist, door eenen gestadigen en koelen Oosten Wind
die ’s morgens met den dag opkomende, op de Zurinaamsche Kust te negen
uuren al helder doorwaait, en dus tot aan Zonnen-ondergang opkoelende,
de hitte, die zonder de zelve beswaarlijk te verdragen zou zijn, voor
de Menschen en voor ’t Gedierte zeer lieflijk tempert. Gemelde Ooste
Winden worden eenigzins Zuidelijk of Noordelijk, naar dat de Zonne de
een of de andere Keer-kring nadert.
Het is aanmerkens-waardig, dat deze algemene en doorgaande Oostelijke
Winden voornamelijk gevoelt worden onder den Evenaar en naast daar aan,
ten Zuiden en ten Noorden van den zelven meer en meer verflauwen, tot
dat ze omtrent den veertigsten graad der breedte geheel verdwijnen.
Indien de Hete Landen deze verkoelingen en verfrissingen misten, zouden
ze ongetwijffelt volkomen onbewoonbaar zijn, zo als men eertijds meende
dat de zelve waren. Want hoewel de hitte der Zonne tusschen de
Keer-kringen in de Gewesten, onder de zelve gelegen, door de gemelde
oorzaken zo veel gemagtig word, dat die Oorden niet min bewoonbaar,
vrugtbaar en gezont zijn, als eenige andere onder de Getemperde
Hemel-streken: is het op deze Amerikaansche Kusten evenwel het gansche
jaar door nog zeer warm, dog met eenige ongelijkheid, die men ook
ondervind in de koude der Nagten, en die voortkomt uit de verandering
der Zaizoenen. Dog deze ongelijkheid van warmte op de verscheide Tijden
des Jaars is niet zo groot, en min gevoelig, als die der Dagen en
Nagten. Deze verandering verschilt veel van die wy hier in Europa
jaarlijks ondergaan. Winter-Vorst, Ys, Sneuw en Hagel zijn aan de
Inboorlingen der Hete Landen geheel onbekende zaken. Het Geboomte is
hier nooit van zijne groene zieraden ontbloot, maar op alle Tijden des
Jaars daar mede bekleed, en meest-tijds min of meer met Bloemen en
Vrugten gekroont.
[De Regen-Tijden en Droogten.] De Zaizoenen dezer Gewesten, bestaan in
Regen-Tijden en Droogten, die vroeger of later beginnen en ongelijk
lang duuren, naar dat de Kusten of nader aan of verder van den Evenaar
gelegen zijn, en naar de verscheide wisselvalligheden der natuurlijke
oorzaken, waar van de Almagtige en Wijze Meester van Heel-Al deze
Jaarlijkze Lugt veranderingen doet afhangen. De zelve maken op de
Zurinaamsche Kust vier Jaar-Getijden uit: namelijk eenen Kleinen
Regen-Tijd, eene Kleine Droogte, eenen Groten Regen-Tijd en eene Grote
Droogte.
[Kleine Regen-Tijd.] De Kleine Regen-Tijd, kan aangemerkt worden als de
Lente dezer Land-streek, beginnende gemeenlijk met November en
eindigende met December of January. Gedurende dit Zaizoen vallen hier
dagelijks Plas-Regenen, maar niet zo zware en zo vele als in den Groten
Regen-Tijd, en alle dagen heeft men tusschen de Buijen nog even heldere
Zonne-schijnen en gedurig eene zoele warmte. In dezen Tijd plant men
het Zuiker-Riet, waar uit de Volk-Planting haar voornaamste voordeel
trekt: men zaait dan ook de Rijs, de Erweten, onze Grauwe niet zeer
ongelijk maar smakelijker, en de Indiaansche Weit Maïs, dat een
voornaam voedzel der Negers is en ook wel van de Europianen gebruikt
word. Welke Vrugten, nevens alle andere Gewassen, gedurende dezen
Kleinen Regen-Tijd uitspruiten en bloezem droegen.
[Kleine Droogte.] Op dit Zaizoen volgt de Kleine Droogte, als de Zomer,
beginnende in January en durende tot in Maart. In dit Getijde is het
uitnemende warm, en gedurende ’t zelve komen de meeste Vrugten tot hare
volkome rijpheid, en als dan worden de Erweten, de Maïs en Rijs
ingezamelt. Van welke laaste na dat men de airen heeft afgesneden,
binnen weinige weken voor de twede en zelfs derdemaal weer nieuwe airen
uitspruiten en ook rijp worden. Dog het Zuiker-Riet staat doorgaans een
rond jaar, min of meer op het Veld eer het kan inge-oogst worden.
[Grote Regen-Tijd.] Omtrent het midden van Maart, tegen dat de Zonne de
Middel-lijn aandoet, begint onder den Heten Hemel-kreits de Groten
Regen-Tijd, aanhoudende tot in Mey, en aan te merken als de Herfst. In
dezen Tijd is de Lugt dikwils betrokken en bezet met donkere wolken,
meest uit het Noord-oosten aankomende, en die gebroken in zware
Plas-Regenen neervallen. Tusschen deze vlagen schijnt de Zonn’
dagelijks nog even helder en heet. De Regenen vallen ook meest by dag,
en worden zomtijds verzelt van geweldige Orkanen en zware Donderslagen.
[Grote Droogte.] De Grote Regen-Tijd word eindelijk vervangen van de
Grote Droogte, in welke de hitte op deze Kust zo groot is, dat het Gras
in de Velden verdort, en als verzengt word, ’t welk men dan in ’t laast
van dit Zaizoen gewoonlijk in den brand steekt, waar na het in de
Kleine Regen-Tijd weer uitspruit. In de Grote Droogte worden ook de
Bosschen, ter plaatze daar men wil planten, gevelt, en na datze door de
hitte der Zonn’ genoeg gedroogt zijn, verbrand men ze, en zuivert en
bereid voorts het Land, om in den Kleinen Regen-Tijd beplant te worden,
gelijk verhaalt is.
Eer wy verder onze Beschrijvinge vervolgen, zal het niet ondienstig
zijn het Octroy ’t geen de Hoog Mog. Heeren Staten Generaal in den Jare
1682. verleent hebben, aan alle en iegelijke die zig op de Colonie van
Zuriname hebben ter neer gestelt en nog zouden neer stellen, hier
tusschen in te voegen; op dat elk zien kan waar na hy zig heeft te
reguleren, als mede de Regeringe en Vryheden aan de Onderdanen vergunt.
Luit als volgt: