III. HOOFT-DEEL.

Van de Gematigheid der Lugt en van de Jaar-Zaizoenen op de

Zurinaamsche Kust.

[Gevoelen der Ouden wegens de hete Landen.] Hoewel de Oude

Natuurkundige de Landen onder de Hete Hemel-streek voor volkomen

onbewoonbaar hielden, zig weinig bekommerende met der zelver ondekking

uit waan, dat daar alles wegens de brandende hitte der Zonne

nootzakelijk moest verdorren en verstikken: heeft nogtans de

ondervinding der volgende tijden doen zien, dat deze Hete Gewesten der

Nieuwe Wereld al zo vrugtbaar zijn, al zo wel voorzien van Gedierten,

en niet minder bevolkt, als eenige Landen onder de Getemperde

Hemel-kringen. Waar toe de oneindige Wijsheid van ’t Almagtig

Opper-Wezen aller dingen, de gelegentheid en gesteltheid der Hete

Landen op eene wonderbaarlijke wijze geschikt heeft, om zelfs daar de

Aarde onbewoonbaar kon schijnen zo een overheerlijk Toneel zijner

Wonderen op te rigten. Ten dien einde is de Aardkloot ten opzigt van de

Zonne zo geplaatst, dat de Gewesten tusschen de Keer-kringen (Tropicus

Cancri en Capricorni) regt onder of naby den Evenaar gelegen, voor de

volle kragt van dat brandend Hemel-Vuur niet te lang zouden bloot

staan, maar de Zonn’ maar twaalf uuren, of weinig meer, boven haren

Horizon hebben. Dus is de langste dag op de Zurinaamsche Kust van

omtrent dertien uuren: en de Nagten alzo byna van eene gelijke lengte,

al de Dagen, geven eene zonderlinge verkoeling aan deze Hete Lugt, en

verfrissen op eene aangename wijze Menschen, Gedierten en Gewassen, die

door de sterke Zonne-brand des daags afgemat en verslenst waren. De

Nagten zijn hier, gelijk in alle andere warme Landen, doorgaans niet

alleen zeer koel, maar zelfs eenigzins koud en vogtig, inzonderheid de

Na-nagten, wegens de menigvuldige dampen, die, ’s daags door de

kragtige Zonne-stralen opgeheven, en ’s nagts verdikt, onder de

gedaante van Dauw neervallen, op welke tijd onze Europëers zig

welgedekt moeten houden: want zo ze hen dan te veel ontbloten, wordenze

door ongemakkelijk en zomtijds gevaarlijke ziekten en kwalen overvallen

en aangetast. Zelfs in dat Zaizoen des Jaars, waar in men de heetste

Dagen heeft gevoelt men de Nagten zeer koud, en kouder als gedurende de

Regen-Tijden, wanneer de Lugt by Dag gematigst is. ’t Is zonder

twijffel mede om deze nagt-koude wat te verzagten, dat de Wilde

Inboorlingen, wetende by ondervinding hoe nadelig de zelve aan de

gezontheid is, omtrent hunne Hang-Bedden des nagts gedurig een vuurtje

houden.

De veelheid der Water-Vlieten Dauw geven ook eene grote verfrissing aan

deze Hete Gewesten, die daar door mede zo wel gematigt worden, dat ze

niet minder in gezontheid als in vrugtbaarheid voor gene Landen wijken.

Nergens vind men groter verscheidenheid van allerhande weelderig

groeijende Gewassen [Lang leventheid der Amerikanen.] als op deze

Kusten. Onze Amerikanen zijn ook doorgaans weinig ziektens onderhevig,

en meest zeer langlevende, zo hun leven door geen geweldig einde

verkort word. Zeer vele bereiken de hondert jaren, niet weinig meer.

Insgelijks onze Europëers, zo ze maar eene matige, en naar de aart van

’t Land geschikte levens-wijze houden zijn onder deze Hemel-streek

gemeenlijk niet min gezont, en doorgaans lang-levender, als in hun

Vaderlandsch Europa. Alwaar onze Lighamen door de ongestadigheid van

het weer, en door de grote en schielijke veranderingen van koude en

warmte veel meer aanstoot lijden, en daar door al mede van korter duur

zijn, als in de Hete Gewesten, welker Lugt ten dien opzigte byna altijd

even gematigt en daarom te gezonder is. Waar toe ook niet weinig helpt

het menigvuldig Geboomte, dat hier altijd groen is, en eenen gedurigen

overvloed van velerhande verfrissende Vrugten verschaft.

[Van de koele en verfrissende Winden.] Daar-en-boven word de Hete

Lugt-streek, tot omtrent veertig graden ter weder-zijden van den

Evenaar dagelijks verfrist, door eenen gestadigen en koelen Oosten Wind

die ’s morgens met den dag opkomende, op de Zurinaamsche Kust te negen

uuren al helder doorwaait, en dus tot aan Zonnen-ondergang opkoelende,

de hitte, die zonder de zelve beswaarlijk te verdragen zou zijn, voor

de Menschen en voor ’t Gedierte zeer lieflijk tempert. Gemelde Ooste

Winden worden eenigzins Zuidelijk of Noordelijk, naar dat de Zonne de

een of de andere Keer-kring nadert.

Het is aanmerkens-waardig, dat deze algemene en doorgaande Oostelijke

Winden voornamelijk gevoelt worden onder den Evenaar en naast daar aan,

ten Zuiden en ten Noorden van den zelven meer en meer verflauwen, tot

dat ze omtrent den veertigsten graad der breedte geheel verdwijnen.

Indien de Hete Landen deze verkoelingen en verfrissingen misten, zouden

ze ongetwijffelt volkomen onbewoonbaar zijn, zo als men eertijds meende

dat de zelve waren. Want hoewel de hitte der Zonne tusschen de

Keer-kringen in de Gewesten, onder de zelve gelegen, door de gemelde

oorzaken zo veel gemagtig word, dat die Oorden niet min bewoonbaar,

vrugtbaar en gezont zijn, als eenige andere onder de Getemperde

Hemel-streken: is het op deze Amerikaansche Kusten evenwel het gansche

jaar door nog zeer warm, dog met eenige ongelijkheid, die men ook

ondervind in de koude der Nagten, en die voortkomt uit de verandering

der Zaizoenen. Dog deze ongelijkheid van warmte op de verscheide Tijden

des Jaars is niet zo groot, en min gevoelig, als die der Dagen en

Nagten. Deze verandering verschilt veel van die wy hier in Europa

jaarlijks ondergaan. Winter-Vorst, Ys, Sneuw en Hagel zijn aan de

Inboorlingen der Hete Landen geheel onbekende zaken. Het Geboomte is

hier nooit van zijne groene zieraden ontbloot, maar op alle Tijden des

Jaars daar mede bekleed, en meest-tijds min of meer met Bloemen en

Vrugten gekroont.

[De Regen-Tijden en Droogten.] De Zaizoenen dezer Gewesten, bestaan in

Regen-Tijden en Droogten, die vroeger of later beginnen en ongelijk

lang duuren, naar dat de Kusten of nader aan of verder van den Evenaar

gelegen zijn, en naar de verscheide wisselvalligheden der natuurlijke

oorzaken, waar van de Almagtige en Wijze Meester van Heel-Al deze

Jaarlijkze Lugt veranderingen doet afhangen. De zelve maken op de

Zurinaamsche Kust vier Jaar-Getijden uit: namelijk eenen Kleinen

Regen-Tijd, eene Kleine Droogte, eenen Groten Regen-Tijd en eene Grote

Droogte.

[Kleine Regen-Tijd.] De Kleine Regen-Tijd, kan aangemerkt worden als de

Lente dezer Land-streek, beginnende gemeenlijk met November en

eindigende met December of January. Gedurende dit Zaizoen vallen hier

dagelijks Plas-Regenen, maar niet zo zware en zo vele als in den Groten

Regen-Tijd, en alle dagen heeft men tusschen de Buijen nog even heldere

Zonne-schijnen en gedurig eene zoele warmte. In dezen Tijd plant men

het Zuiker-Riet, waar uit de Volk-Planting haar voornaamste voordeel

trekt: men zaait dan ook de Rijs, de Erweten, onze Grauwe niet zeer

ongelijk maar smakelijker, en de Indiaansche Weit Maïs, dat een

voornaam voedzel der Negers is en ook wel van de Europianen gebruikt

word. Welke Vrugten, nevens alle andere Gewassen, gedurende dezen

Kleinen Regen-Tijd uitspruiten en bloezem droegen.

[Kleine Droogte.] Op dit Zaizoen volgt de Kleine Droogte, als de Zomer,

beginnende in January en durende tot in Maart. In dit Getijde is het

uitnemende warm, en gedurende ’t zelve komen de meeste Vrugten tot hare

volkome rijpheid, en als dan worden de Erweten, de Maïs en Rijs

ingezamelt. Van welke laaste na dat men de airen heeft afgesneden,

binnen weinige weken voor de twede en zelfs derdemaal weer nieuwe airen

uitspruiten en ook rijp worden. Dog het Zuiker-Riet staat doorgaans een

rond jaar, min of meer op het Veld eer het kan inge-oogst worden.

[Grote Regen-Tijd.] Omtrent het midden van Maart, tegen dat de Zonne de

Middel-lijn aandoet, begint onder den Heten Hemel-kreits de Groten

Regen-Tijd, aanhoudende tot in Mey, en aan te merken als de Herfst. In

dezen Tijd is de Lugt dikwils betrokken en bezet met donkere wolken,

meest uit het Noord-oosten aankomende, en die gebroken in zware

Plas-Regenen neervallen. Tusschen deze vlagen schijnt de Zonn’

dagelijks nog even helder en heet. De Regenen vallen ook meest by dag,

en worden zomtijds verzelt van geweldige Orkanen en zware Donderslagen.

[Grote Droogte.] De Grote Regen-Tijd word eindelijk vervangen van de

Grote Droogte, in welke de hitte op deze Kust zo groot is, dat het Gras

in de Velden verdort, en als verzengt word, ’t welk men dan in ’t laast

van dit Zaizoen gewoonlijk in den brand steekt, waar na het in de

Kleine Regen-Tijd weer uitspruit. In de Grote Droogte worden ook de

Bosschen, ter plaatze daar men wil planten, gevelt, en na datze door de

hitte der Zonn’ genoeg gedroogt zijn, verbrand men ze, en zuivert en

bereid voorts het Land, om in den Kleinen Regen-Tijd beplant te worden,

gelijk verhaalt is.

Eer wy verder onze Beschrijvinge vervolgen, zal het niet ondienstig

zijn het Octroy ’t geen de Hoog Mog. Heeren Staten Generaal in den Jare

1682. verleent hebben, aan alle en iegelijke die zig op de Colonie van

Zuriname hebben ter neer gestelt en nog zouden neer stellen, hier

tusschen in te voegen; op dat elk zien kan waar na hy zig heeft te

reguleren, als mede de Regeringe en Vryheden aan de Onderdanen vergunt.

Luit als volgt:

Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname · 第 28 / 111 题