II. HOOFT-DEEL.

Van de Natuurlijke Gesteltheid der Karibaansche Kust.

[Waar in Zuriname gelegen is.] De Land-streek, waar in onze

Zurinaamsche Planting gelegen is, word, zo als we reets hebben

aangemerkt, Karibana genaamt. ’t Is het Noorder gedeelte van Guajana,

een Landschap van ’t Zuiderlijk Amerika, zo verr’ ’t zelve zig tusschen

’t Armadille Gebergte, den Oceaan, en de Stroomen Orinoke en Amazones

uitstrekt. Want Guajana, ook de Wilde Kust geheten word tweezins

genomen, of voor ’t gehele Land bepaalt door ’t Gebergte over ’t Meer

Parime, de Noord-zee en de gemelde Vloeden, en begrijpt dan in zig ’t

Karibaansche; of in eenen tweden zin en eigentlijk noemt men Guajana,

dat gedeelte van ’t vaste Land, ’t welk over de Armadille Bergen

tusschen de Amazone Stroom en de Orinoke legt.

[Van de grond der Karibaansche Kust.] De Grond der Karibaansche Kust is

meerendeels mullig en kleiagtig, en uit den aard doorgaans met digte en

wijd-uitgestrekte Bosschagien bezet, gelijk hier boven al is

aangetekent. Tusschen welke Bosschen hier en daar eenige weinige opene

Velden, Zavanen geheten, gevonden worden, welker grond, hoewel zandig,

zeer bekwaam is tot Wei-landen en Boom-Plantagien. ’t Land der

Karibanen is in ’t algemeen zeer vrugtbaar, en word besproeit door byna

ontallijke Water-Vlieten en Kreeken, waar van we de voornaamste zullen

optellen en kortelijk beschrijven.

[Van de Rivieren.] Onder de zelve stellen we op de eerste plaats die

Rivieren, op welker boorden onze Plantagien meest alle zijn aangelegt,

te weten de Vliet Zuriname, waar van de Volk-Planting haar naam heeft,

de Commewyne, Pierica of Cottera en de Cotteca.

[De Zuriname.] De Zuriname, die aan hare Oost-kant, behalven verscheide

Kreeken, digt aan zee de Stroom Commewyne ontfangt, en aan de

West-zijde boven Paramaribo onder andere de Kreek Para, waar op een

Schansje van de zelve naam gebouwt is; heeft volgens de zekerste

waarneming, van de mond der bovenste tak van de Kreek Zurino af tot aan

’t Fort Zelandia doorgaans drie vademen waters, neven deze Vesting

vier, beneden dezelve tot op de Zand-bank van twe tot derde half vadem,

en voorts van de mond der Commewyne af tot aan zee, twe, derde half en

drie vademen diepte. De Zuriname is tot over de dertig mijlen verr’

vaarbaar, en aan beide kanten uit den aard met Geboomt geboort.

[De Commewyne.] De Commewyne waar aan ook vele Plantagien gelegen zijn,

is van de hoek van ’t Tygers Hol opwaarts tot aan de Schans Sommelsdijk

van twe tot drie vademen diep, en ook overal wel te bevaren.

[De Cotteca.] De Cotteca, die by gemelde Sterkte, als gezegt is in de

Commewyne vloeit, heeft van de Kruis-kreek (welk ook een Tak van de

Cotteca is, waarmeeze een weinig meer Oost waarts insgelijks in de

Commewyne vast) tot aan ’t Fort Sommelsdijk een diepte van vijf tot zes

vademen.

[Pierica of Cottera.] Ten Oosten van de Cotteca heeft men Pierica of

Cottera of More kreek, die met vele kronkelige bogten West-waarts aan

loopt, tot daar ze, een Tak der Cotteca ontfangende, zig naar de Kust

went, en in den Noord Oceaan stort.

[De Vlieten Zoramine, Wia Wia en Marruwyny.] Aan deze kant dus de Kust

volgende ontmoet men naast aan de vorige de Vlieten Zoramine, Wia Wia

en Marruwyny. Welke laaste de grootste is, als wordende gerekent by

zijnen uitloop ruim vier duizend Geometrische passen breed te zijn, en

van zijnen oorsprong tot aan zee byna veertig dag-reizens verr’ te

lopen. Vele Kreeken gieten zig in de zelve uit, waar van Cassowiny een

der aanmerkelijkste is.

[Stroom Amana.] Op de Marruwyne volgt in orde de Stroom Amana, die zig

tot zeer diep in ’t Land uitstrekt, en doorgaans van drie tot vijf

vademen waters heeft.

[Caurara en Cajane.] Voorts vind men ten Oosten langs de Kust de

Vloeden Caurora en Cajane: welke laaste, met alle zijne bogten wel twe

hondert mijlen lang, in zijnen uitloop een Eiland van de zelve naam

heeft, waar op de Franschen eene aanzienlijke Volk-Planting bezitten.

[Apurwaka of Capurwaka en Wiapoko.] De naaste aan de Cajane zijn de

Vlieten Apurwaka of Capurwaka en Wiapoko; waar van de eerste, niet

verr’ van zijnen oorspronk, zig in ’t Meer der Harrytiahans verliezende

uit ’t zelve weder voortkomt, en daar ze in zee loopt ook een Eiland

maakt. De loop van de Wiapoko is wat minder als die van de Capurwaka,

en omtrent twintig mijlen van zee onvaarbaar wegens eenen Water-Val.

[De Rivieren Arrikouw, Cassipoury en Amazone-Stroom.] Behalven de reets

gemelde heeft de Karibaansche Kust aan deze kant nog de Rivieren

Arrikouw, Cassipoury, en eindelijk de vermaarde Amazone-Stroom, welke

ook Tobo, Topoi, Tapera, en van de Europëers Orellana geheten word, om

dat Françiskus Orelli de zelve 1540. en 1541. eerst bevaren heeft. Deze

Vloed ontspruit uit ’t Cordillirische Gebergte in ’t Noorder-deel van

Peru agt of tien mijlen van de Stad Quito, lopende van ’t Oosten naar

’t Westen wel ter lengte van twaalf hondert mijlen. De breedte der

Stroom is van Rio di Junta, ruim zestig mijlen beneden den oorsprong,

tot aan de Vliet Maragnon, die ook in de zelve valt van een tot twe

mijlen, en van daar tot aan zee hoe langer hoe breeder wordende, agt

men de mond omtrent zestig mijlen wijd te zijn. De diepte der Orellena

Vloed is van Rio di Junta tot aan de mond van de Maragnon van vijf tot

tien vademen, en voorts van twaalf tot zestig vademen. ’t Is de

driftigste en grootste Stroom van gans Amerika, en de schoonste van den

gehelen Aardbodem, ontfangende van beide kanten vele Vlieten van

aanmerkelijke grote, waar van zommige goud-zand in hare wateren mede

voeren. Meer als twe hondert Eilanden telt men in de Amazone-Rivier,

die de lage Landen aan de zelve gelegen door jaarlijksche

overstromingen vrugtbaar maakt, gelijk de Nyl in Egypten. Behalven veel

Goud, Zilver en andere Metalen, word hier omtrent groter overvloed

gevonden als elders in Amerika, van Cacao, Zuiker, Boomwol, Orlëaan,

Tabak enz.

[De Vlieten die van de Zurinaamsche Volk-Planting ten Westen ontmoet

werden.] Ten Westen van onze Zurinaamsche Volk-Planting ontmoet men

langs de Kust eerst de Vloed Cupanama, die voor aan van twe tot vijf

vademen diep is, en voorts de Courantin of Corretyne, die van drie tot

zes vademen waters heeft, de Vlieten Berbice, Demarari en Essekebe of

Yssekebe. Welke laaste voor aan zee omtrent drie mijlen wijd; maar niet

meer als elf voeten diep is. Byna veertig dag-reizens van daarze uit ’t

Armadille Gebergte voortkomt word de loop dezer Stroom belemmert door

verscheide Water-stortingen; hoedanig men ook op de zelve hoogte

tusschen den vierden en vijfden Graad benoorden den Evenaar vind in de

Courantin, de Berbice en eenige der andere Vlieten van Karibana. Waar

van de uiterste ten Westen is de grote Stroom Orinoke, die Guajana van

Nieuw-Andalusien en ’t Landschap Paria afscheid, en daarom ook Rio di

Paria genaamt word. De loop dezer Vloed is ruim zeven hondert Engelsche

mijlen lang, doorgaans twaalf en daarze in den Oceaan stort hondert

mijlen breed. Vele Rivieren vallen van weerkanten in de Orinoke, die

genoegzaam bevaarbaar is, tot daarze over hoge klippen met gevaarlijke

Water-Vallen nederstort. Hier en daar in de Stroom in de mond des zelfs

leggen vele Eilanden, meest van Wilden bewoont.

[Lengte en breedte der Orinoke.] De Orinoke of Stroom van Paria is ruim

zeven hondert Engelsche mijlen lang, op vele plaatzen twaalf, op

zommige dertig en in zijnen uitloop hondert mijlen breed, en doorgaans

genoegzaam vaarbaar, tot daar de zelve van hoge klippen neerstort en

voor Schepen onbruikbaar word. Voor de mond van deze Rivier in de

Zee-Boezem Paria legt het Eiland Trinidad, vermaard wegens zijne schone

Perel-Vissery; en in de Stroom zelve zijn hier en daar ook vele

Eilandjes verspreit, en meest van Wilden bewoont.

’t Water van alle deze Vlieten, en in ’t bezonder van die van onze

Volk-Planting is wegens de gematigtheid der Lugt-Streek zeer klaar, en

van zo eene aangename zoetheid, dat men ’t zelve uit lust zou drinken:

en daar-en-boven zo gezond, dat men niet de minste beswaarnisse of

ongemak gevoelt, hoe veel men daar van ook neemt. Waarom zelfs vele van

onze Europëers dit zuiver Stroom-water boven alle drank stellen en

dagelijks gebruiken, zomtijds een weinig Wijn daar by doende.

Onze Karibaansche Kust, welker Wateren wy nu kortelijk beschreven

hebben, word door de Ry der meergedagte Armadille Bergen, van de

Inboorlingen Wakarime geheten, van het eigentlijk zogenaamde Guajana,

waar van Karibana zomtijds als een deel word aangemerkt, afgescheiden.

Dit Gebergte strekt zig in een byna-regte streek uit van de Orinoke tot

aan ’t Meer der Harrytiahans, naar de Kust hier en daar eenige Heuvelen

als zijne takken verspreidende. De Karibaansche Bodem is voor ’t

overige wel meest vlak, maar Landwaarts in verhevener als aan den

Oceaan, gelijk klaar blijkt uit den loop der Rivieren, die van de

Bergen naar zee vloeijen. De grond dezer Land-streek alom doorsneden en

mildelijk besproeit door ontallijke Vlieten is van eene uitnemende

vrugtbaarheid, aan de meeste oorden beschaduwt met hoge en digte

Bosschen van velerlei geboomte, en overal van den Almagtigen en

Alwijzen Meester der Natuur als bezaait met lagere gewassen, van eene

keurlijke en zin-strelende verscheidenheid in gedaante, kleur, reuk en

geur van vrugten, bloemen en blader-loof, waar mede alle zoorten, zo

van Geboomte, als van Planten, in alle Zaizoenen des Jaars hier te

lande, min of meer bekleed, gekroont en verziert zijn. De zelve

verschaffen tot levens onderhoud aan de Inwoonderen eenen rijken

overvloed van smakelijke en gezonde voedzelen, verkwikkende

ververssinge, en heilzame geneesmiddelen tegen de ziekten en

ongemakken, waar aan de Ingezetenen dezer Kust onderhevig zijn. ’t

Geboomte levert hier daar-en-boven vele zoorten van hout, bekwaam tot

timmeren, en alles wat vereischt word tot het maken van nodige en

overtollige huisgeraden.

De Lugt, ’t Geboomte, de Grond en de Wateren van Karibana zijn vervult

en weemelen alom van velerhande vreemde Gedierten die Amerika eigen

zijn, en welker zoorten eene wonderlijke verscheidenheid van gedaanten,

bewegingen, drijften en overige hoedanigheden van natuurlijke

gesteltheid vertonen.

’t Gevogelte, de Viervoetige Dieren, de Kruipende, de Visschen, en

andere Water- en Land-Dieren, nevens de Gekorve of Bloedeloze Diertjes,

en alle de verscheide zoorten van hoge en lage Gewaszen, openen in dit

Amerikaans Gewest een wijdlustiger veld, als ergens elders; voor de

bespiegelingen en waarnemingen der gener, die lust hebben, de Wonderen

der Natuur met een regt gezigt te beschouwen, de heerlijke merk-tekenen

der Goddelijke Almagt, Wijsheid, Voorzienigheid en Goedheid, zo

luister-rijk in de zelve doorstralende, na te speuren, en daar uit het

ware nut te trekken, welk is de verheerlijking van Gods allerheiligste

Naam.

Behalven de inlandsche Gedierten en Gewassen die Amerika eigen zijn,

heeft men op de Karibaansche Kust velerlei slag van uitheemsche Dieren

en Planten, die van tijd tot tijd uit Europa derwaarts zijn

overgebragt, en hier doorgaans beter als in haar eigen moeder-land

mogen aarden en tieren. De voornaamste en meest-bekendste zo der

uitheemsche als inlandsche zullen we in ’t vervolg dezer Beschrijving

optellen.

[Van de Volkeren Arouágas en Karaïbanen.] Dit vrugtbaar Land is ook

niet minder voorzien van Menschen en rijkelijk bevolkt van eige

Landzaten, verdeelt in verscheide Volkeren, die in vele opzigten

zonderling van elkander verschillen. De voornaamste dezer Landaarden

zijn de Arouágas of Arwakkas, die zig meest ten Westen van onze

Zurinaamsche Volk-Planting beneden langs de Vlieten Essekebe, Tamarari

en Berbice onthouden, hoewel men ook eenige Dorpen van de zelve Natie

vind aan de Oost-kant langs de Vlieten Caurora, Wia, Cauwo en

Capurwaka; de Karibes of Karaïbanen, dood vyanden der Arouágas, zijn

ter wederzijde de naaste Gebuuren van onze Nederlandsche Bevolking,

wonende meerendeels aan de Stroomen Corretyn of Courantin, Cupanama,

Zuriname, Cotteca, Pierica of Cottera, Marruwyne, en verder ten Oosten

aan de Vloed Cajane, als mede ten Westen boven aan de Essekebe tusschen

de Armadille Bergen. Behalven deze twe Hooft-Volkeren vind men hier en

daar nog verscheide andere Landaarden, die van minder magt zijn en met

welker barbaarsche namen wy den Lezer niet willen vervelen, naardien

ons van de zelve niet veel meer bekent is, en wy ’t voorgenomen hebben,

in deze Beschrijving van de Karibaansche Kust, onder andere

byzonderheden, naar mate onzer kundschap maar iets te melden van de

Wilde Inboorlingen dezes Lands, die naast aan onze Volk-Planting

woonen. Tot welk verhaal eerwe overgaan, zullen we, volgens ons

voorgestelde bestek, voor af iets melden van de Gematigtheid der

Zurinaamsche Lugt-streek, en de Jaar-zaizoenen die men op deze Kust

heeft.

Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname · 第 27 / 111 题