Van de Natuurlijke Gesteltheid der Karibaansche Kust.
[Waar in Zuriname gelegen is.] De Land-streek, waar in onze
Zurinaamsche Planting gelegen is, word, zo als we reets hebben
aangemerkt, Karibana genaamt. ’t Is het Noorder gedeelte van Guajana,
een Landschap van ’t Zuiderlijk Amerika, zo verr’ ’t zelve zig tusschen
’t Armadille Gebergte, den Oceaan, en de Stroomen Orinoke en Amazones
uitstrekt. Want Guajana, ook de Wilde Kust geheten word tweezins
genomen, of voor ’t gehele Land bepaalt door ’t Gebergte over ’t Meer
Parime, de Noord-zee en de gemelde Vloeden, en begrijpt dan in zig ’t
Karibaansche; of in eenen tweden zin en eigentlijk noemt men Guajana,
dat gedeelte van ’t vaste Land, ’t welk over de Armadille Bergen
tusschen de Amazone Stroom en de Orinoke legt.
[Van de grond der Karibaansche Kust.] De Grond der Karibaansche Kust is
meerendeels mullig en kleiagtig, en uit den aard doorgaans met digte en
wijd-uitgestrekte Bosschagien bezet, gelijk hier boven al is
aangetekent. Tusschen welke Bosschen hier en daar eenige weinige opene
Velden, Zavanen geheten, gevonden worden, welker grond, hoewel zandig,
zeer bekwaam is tot Wei-landen en Boom-Plantagien. ’t Land der
Karibanen is in ’t algemeen zeer vrugtbaar, en word besproeit door byna
ontallijke Water-Vlieten en Kreeken, waar van we de voornaamste zullen
optellen en kortelijk beschrijven.
[Van de Rivieren.] Onder de zelve stellen we op de eerste plaats die
Rivieren, op welker boorden onze Plantagien meest alle zijn aangelegt,
te weten de Vliet Zuriname, waar van de Volk-Planting haar naam heeft,
de Commewyne, Pierica of Cottera en de Cotteca.
[De Zuriname.] De Zuriname, die aan hare Oost-kant, behalven verscheide
Kreeken, digt aan zee de Stroom Commewyne ontfangt, en aan de
West-zijde boven Paramaribo onder andere de Kreek Para, waar op een
Schansje van de zelve naam gebouwt is; heeft volgens de zekerste
waarneming, van de mond der bovenste tak van de Kreek Zurino af tot aan
’t Fort Zelandia doorgaans drie vademen waters, neven deze Vesting
vier, beneden dezelve tot op de Zand-bank van twe tot derde half vadem,
en voorts van de mond der Commewyne af tot aan zee, twe, derde half en
drie vademen diepte. De Zuriname is tot over de dertig mijlen verr’
vaarbaar, en aan beide kanten uit den aard met Geboomt geboort.
[De Commewyne.] De Commewyne waar aan ook vele Plantagien gelegen zijn,
is van de hoek van ’t Tygers Hol opwaarts tot aan de Schans Sommelsdijk
van twe tot drie vademen diep, en ook overal wel te bevaren.
[De Cotteca.] De Cotteca, die by gemelde Sterkte, als gezegt is in de
Commewyne vloeit, heeft van de Kruis-kreek (welk ook een Tak van de
Cotteca is, waarmeeze een weinig meer Oost waarts insgelijks in de
Commewyne vast) tot aan ’t Fort Sommelsdijk een diepte van vijf tot zes
vademen.
[Pierica of Cottera.] Ten Oosten van de Cotteca heeft men Pierica of
Cottera of More kreek, die met vele kronkelige bogten West-waarts aan
loopt, tot daar ze, een Tak der Cotteca ontfangende, zig naar de Kust
went, en in den Noord Oceaan stort.
[De Vlieten Zoramine, Wia Wia en Marruwyny.] Aan deze kant dus de Kust
volgende ontmoet men naast aan de vorige de Vlieten Zoramine, Wia Wia
en Marruwyny. Welke laaste de grootste is, als wordende gerekent by
zijnen uitloop ruim vier duizend Geometrische passen breed te zijn, en
van zijnen oorsprong tot aan zee byna veertig dag-reizens verr’ te
lopen. Vele Kreeken gieten zig in de zelve uit, waar van Cassowiny een
der aanmerkelijkste is.
[Stroom Amana.] Op de Marruwyne volgt in orde de Stroom Amana, die zig
tot zeer diep in ’t Land uitstrekt, en doorgaans van drie tot vijf
vademen waters heeft.
[Caurara en Cajane.] Voorts vind men ten Oosten langs de Kust de
Vloeden Caurora en Cajane: welke laaste, met alle zijne bogten wel twe
hondert mijlen lang, in zijnen uitloop een Eiland van de zelve naam
heeft, waar op de Franschen eene aanzienlijke Volk-Planting bezitten.
[Apurwaka of Capurwaka en Wiapoko.] De naaste aan de Cajane zijn de
Vlieten Apurwaka of Capurwaka en Wiapoko; waar van de eerste, niet
verr’ van zijnen oorspronk, zig in ’t Meer der Harrytiahans verliezende
uit ’t zelve weder voortkomt, en daar ze in zee loopt ook een Eiland
maakt. De loop van de Wiapoko is wat minder als die van de Capurwaka,
en omtrent twintig mijlen van zee onvaarbaar wegens eenen Water-Val.
[De Rivieren Arrikouw, Cassipoury en Amazone-Stroom.] Behalven de reets
gemelde heeft de Karibaansche Kust aan deze kant nog de Rivieren
Arrikouw, Cassipoury, en eindelijk de vermaarde Amazone-Stroom, welke
ook Tobo, Topoi, Tapera, en van de Europëers Orellana geheten word, om
dat Françiskus Orelli de zelve 1540. en 1541. eerst bevaren heeft. Deze
Vloed ontspruit uit ’t Cordillirische Gebergte in ’t Noorder-deel van
Peru agt of tien mijlen van de Stad Quito, lopende van ’t Oosten naar
’t Westen wel ter lengte van twaalf hondert mijlen. De breedte der
Stroom is van Rio di Junta, ruim zestig mijlen beneden den oorsprong,
tot aan de Vliet Maragnon, die ook in de zelve valt van een tot twe
mijlen, en van daar tot aan zee hoe langer hoe breeder wordende, agt
men de mond omtrent zestig mijlen wijd te zijn. De diepte der Orellena
Vloed is van Rio di Junta tot aan de mond van de Maragnon van vijf tot
tien vademen, en voorts van twaalf tot zestig vademen. ’t Is de
driftigste en grootste Stroom van gans Amerika, en de schoonste van den
gehelen Aardbodem, ontfangende van beide kanten vele Vlieten van
aanmerkelijke grote, waar van zommige goud-zand in hare wateren mede
voeren. Meer als twe hondert Eilanden telt men in de Amazone-Rivier,
die de lage Landen aan de zelve gelegen door jaarlijksche
overstromingen vrugtbaar maakt, gelijk de Nyl in Egypten. Behalven veel
Goud, Zilver en andere Metalen, word hier omtrent groter overvloed
gevonden als elders in Amerika, van Cacao, Zuiker, Boomwol, Orlëaan,
Tabak enz.
[De Vlieten die van de Zurinaamsche Volk-Planting ten Westen ontmoet
werden.] Ten Westen van onze Zurinaamsche Volk-Planting ontmoet men
langs de Kust eerst de Vloed Cupanama, die voor aan van twe tot vijf
vademen diep is, en voorts de Courantin of Corretyne, die van drie tot
zes vademen waters heeft, de Vlieten Berbice, Demarari en Essekebe of
Yssekebe. Welke laaste voor aan zee omtrent drie mijlen wijd; maar niet
meer als elf voeten diep is. Byna veertig dag-reizens van daarze uit ’t
Armadille Gebergte voortkomt word de loop dezer Stroom belemmert door
verscheide Water-stortingen; hoedanig men ook op de zelve hoogte
tusschen den vierden en vijfden Graad benoorden den Evenaar vind in de
Courantin, de Berbice en eenige der andere Vlieten van Karibana. Waar
van de uiterste ten Westen is de grote Stroom Orinoke, die Guajana van
Nieuw-Andalusien en ’t Landschap Paria afscheid, en daarom ook Rio di
Paria genaamt word. De loop dezer Vloed is ruim zeven hondert Engelsche
mijlen lang, doorgaans twaalf en daarze in den Oceaan stort hondert
mijlen breed. Vele Rivieren vallen van weerkanten in de Orinoke, die
genoegzaam bevaarbaar is, tot daarze over hoge klippen met gevaarlijke
Water-Vallen nederstort. Hier en daar in de Stroom in de mond des zelfs
leggen vele Eilanden, meest van Wilden bewoont.
[Lengte en breedte der Orinoke.] De Orinoke of Stroom van Paria is ruim
zeven hondert Engelsche mijlen lang, op vele plaatzen twaalf, op
zommige dertig en in zijnen uitloop hondert mijlen breed, en doorgaans
genoegzaam vaarbaar, tot daar de zelve van hoge klippen neerstort en
voor Schepen onbruikbaar word. Voor de mond van deze Rivier in de
Zee-Boezem Paria legt het Eiland Trinidad, vermaard wegens zijne schone
Perel-Vissery; en in de Stroom zelve zijn hier en daar ook vele
Eilandjes verspreit, en meest van Wilden bewoont.
’t Water van alle deze Vlieten, en in ’t bezonder van die van onze
Volk-Planting is wegens de gematigtheid der Lugt-Streek zeer klaar, en
van zo eene aangename zoetheid, dat men ’t zelve uit lust zou drinken:
en daar-en-boven zo gezond, dat men niet de minste beswaarnisse of
ongemak gevoelt, hoe veel men daar van ook neemt. Waarom zelfs vele van
onze Europëers dit zuiver Stroom-water boven alle drank stellen en
dagelijks gebruiken, zomtijds een weinig Wijn daar by doende.
Onze Karibaansche Kust, welker Wateren wy nu kortelijk beschreven
hebben, word door de Ry der meergedagte Armadille Bergen, van de
Inboorlingen Wakarime geheten, van het eigentlijk zogenaamde Guajana,
waar van Karibana zomtijds als een deel word aangemerkt, afgescheiden.
Dit Gebergte strekt zig in een byna-regte streek uit van de Orinoke tot
aan ’t Meer der Harrytiahans, naar de Kust hier en daar eenige Heuvelen
als zijne takken verspreidende. De Karibaansche Bodem is voor ’t
overige wel meest vlak, maar Landwaarts in verhevener als aan den
Oceaan, gelijk klaar blijkt uit den loop der Rivieren, die van de
Bergen naar zee vloeijen. De grond dezer Land-streek alom doorsneden en
mildelijk besproeit door ontallijke Vlieten is van eene uitnemende
vrugtbaarheid, aan de meeste oorden beschaduwt met hoge en digte
Bosschen van velerlei geboomte, en overal van den Almagtigen en
Alwijzen Meester der Natuur als bezaait met lagere gewassen, van eene
keurlijke en zin-strelende verscheidenheid in gedaante, kleur, reuk en
geur van vrugten, bloemen en blader-loof, waar mede alle zoorten, zo
van Geboomte, als van Planten, in alle Zaizoenen des Jaars hier te
lande, min of meer bekleed, gekroont en verziert zijn. De zelve
verschaffen tot levens onderhoud aan de Inwoonderen eenen rijken
overvloed van smakelijke en gezonde voedzelen, verkwikkende
ververssinge, en heilzame geneesmiddelen tegen de ziekten en
ongemakken, waar aan de Ingezetenen dezer Kust onderhevig zijn. ’t
Geboomte levert hier daar-en-boven vele zoorten van hout, bekwaam tot
timmeren, en alles wat vereischt word tot het maken van nodige en
overtollige huisgeraden.
De Lugt, ’t Geboomte, de Grond en de Wateren van Karibana zijn vervult
en weemelen alom van velerhande vreemde Gedierten die Amerika eigen
zijn, en welker zoorten eene wonderlijke verscheidenheid van gedaanten,
bewegingen, drijften en overige hoedanigheden van natuurlijke
gesteltheid vertonen.
’t Gevogelte, de Viervoetige Dieren, de Kruipende, de Visschen, en
andere Water- en Land-Dieren, nevens de Gekorve of Bloedeloze Diertjes,
en alle de verscheide zoorten van hoge en lage Gewaszen, openen in dit
Amerikaans Gewest een wijdlustiger veld, als ergens elders; voor de
bespiegelingen en waarnemingen der gener, die lust hebben, de Wonderen
der Natuur met een regt gezigt te beschouwen, de heerlijke merk-tekenen
der Goddelijke Almagt, Wijsheid, Voorzienigheid en Goedheid, zo
luister-rijk in de zelve doorstralende, na te speuren, en daar uit het
ware nut te trekken, welk is de verheerlijking van Gods allerheiligste
Naam.
Behalven de inlandsche Gedierten en Gewassen die Amerika eigen zijn,
heeft men op de Karibaansche Kust velerlei slag van uitheemsche Dieren
en Planten, die van tijd tot tijd uit Europa derwaarts zijn
overgebragt, en hier doorgaans beter als in haar eigen moeder-land
mogen aarden en tieren. De voornaamste en meest-bekendste zo der
uitheemsche als inlandsche zullen we in ’t vervolg dezer Beschrijving
optellen.
[Van de Volkeren Arouágas en Karaïbanen.] Dit vrugtbaar Land is ook
niet minder voorzien van Menschen en rijkelijk bevolkt van eige
Landzaten, verdeelt in verscheide Volkeren, die in vele opzigten
zonderling van elkander verschillen. De voornaamste dezer Landaarden
zijn de Arouágas of Arwakkas, die zig meest ten Westen van onze
Zurinaamsche Volk-Planting beneden langs de Vlieten Essekebe, Tamarari
en Berbice onthouden, hoewel men ook eenige Dorpen van de zelve Natie
vind aan de Oost-kant langs de Vlieten Caurora, Wia, Cauwo en
Capurwaka; de Karibes of Karaïbanen, dood vyanden der Arouágas, zijn
ter wederzijde de naaste Gebuuren van onze Nederlandsche Bevolking,
wonende meerendeels aan de Stroomen Corretyn of Courantin, Cupanama,
Zuriname, Cotteca, Pierica of Cottera, Marruwyne, en verder ten Oosten
aan de Vloed Cajane, als mede ten Westen boven aan de Essekebe tusschen
de Armadille Bergen. Behalven deze twe Hooft-Volkeren vind men hier en
daar nog verscheide andere Landaarden, die van minder magt zijn en met
welker barbaarsche namen wy den Lezer niet willen vervelen, naardien
ons van de zelve niet veel meer bekent is, en wy ’t voorgenomen hebben,
in deze Beschrijving van de Karibaansche Kust, onder andere
byzonderheden, naar mate onzer kundschap maar iets te melden van de
Wilde Inboorlingen dezes Lands, die naast aan onze Volk-Planting
woonen. Tot welk verhaal eerwe overgaan, zullen we, volgens ons
voorgestelde bestek, voor af iets melden van de Gematigtheid der
Zurinaamsche Lugt-streek, en de Jaar-zaizoenen die men op deze Kust
heeft.