I. HOOFT-DEEL.

Nauwkeurig onderzoek van de eerste Ondekkinge van Amerika, en des

zelfs aangelegene Landen.

[Inleiding.] Hoewel uit de gedenk-schriften der voorlede tijden

genoegzaam wereldkundig is, dat verscheide Volkeren reets vele euwen

herwaarts zig als om strijd in de zee-vaart ge-oeffent hebben; blijkt

het egter ook niet minder klaar uit de zelve Historien, dat de Ouden,

zelfs op hunne vermaardste togten, in ruime zee nauwlijks buiten ’t

gezigt der stranden durfden steevenen, en doorgaans de aan-een-hangende

Kusten maar zorgvuldig volgden; ten zy ze, of uit eige bevinding, of

uit mede gedeelde waarnemingen van anderen, de gelegenheid der

afgescheide Kusten kennende, ergens een korte en verzekerde overvaart

konden doen. Wanneer zy dan zo verr’ in zee geraakt waren, dat ’er van

hen geen land meer gezien kon worden, werd de kours by dag naar de op-

en onder-gang der zonne, en ’s nagts naar de berugte gesternten van de

grote en kleine Beer geregelt. Dog deze streekwijzers waren van geen

dienst als by helder en bekwaam weer. Daar-en-tegen, met een benevelde

en betrokke lugt door storm eerder overvallen, als ze een veilige haven

konden bereiken, waren ze van alle kanten voor ’t woedende geweld der

winden en zee-en, en alzo voor eene byna onvermijdelijke Schip-breuke

blootgestelt. Te meer, naardien ’t gansche gestel hunner Vaar-tuigen op

verre na zo bekwaam niet was, als dat van de Schepen, waar mede men nu

ter tijd den Oceaan bouwt. ’t Was by ouds ook weinig in gebruik by

tegen-wind de togt met laveren te vervorderen: en by Grieken en

Romeinen eene algemene gewoonte, de zee-vaart jaarlijks van den elfden

November tot den tienden Maart te staken. Gedurende welken tijd men de

zee wegens ’t gevaar der menigvuldige stormen als voor onbevaarbaar

hield, halende daarom de Schepen op het droge, die men niet eerder, als

in ’t begin der Lente, weder in ’t water liet lopen, om ’er een togt

mede te doen. Daar-en-boven hadden [Onkundigheid van de Ouden in de

zee-vaart.] zelfs de ervarenste Zee-luiden in die tijden zeer weinig of

gene kennis van de gedaante der ver-afgelege Kusten, van de gesteltheid

der gronden, van de verscheide bewegingen en veranderingen der zee-en,

nog van de algemene passaat-winden, en van de zoo genaamde moussons,

die onder den heten Hemel-kreits van de zee-varende nootzakelijk moeten

waargenomen worden. Waar uit ligtelijk af te nemen is, hoe gevaarlijk

het eertijds geweest zy, midden over den woesten Oceaan, wiens

uitgestrektheid men niet wist, Landen op te zoeken, dien toen geheel

onbekent, of immers maar uit losse gissingen schijnen bekent geweest te

zijn. Zo ’er evenwel ten dien tijde nog zulke stoute waaghalzen

gevonden waren, die dusdanige togten met het uiterste gevaar hunner

levens hadden ondernomen, zou het nogtans voor hen byna volkomen

onmogelijk geweest zijn, zonder eene betere kennis van het

Stuurmanschap en zonder een gestadige en wisse Streek-wijzer, de

Amerikaansche Kusten, zo verr’ over den Oceaan gelegen, te bereiken.

Want dat de Aspunt-wijzende eigenschap van den Magneet-steen, en van

den daar-aan-gestreke Kompas-naald, waar door nu ter tijd het Noorden

en Zuiden, en alzo alle andere streken op alle tijden en plaatzen

gevonden worden, aan de Ouden reets bekent zouden geweest zijn, en dat

zelfs de Kartaginenzers op hunne zee-togten ’t Kompas zouden gebruikt

hebben word zonder grond te vergeefs beweert.

[In wat tijd het Kompas zou uitgevonden zijn.] Men vind hier van

nergens het minste gewag in de Schriften der Ouden, die nogtans de

andere eigenschap van de Zeil-steen, te weten, de zo genoemde aanhaling

van het Yzer zo zeer geroemt hebben, en daarze zo nauwkeurig waren, in

alles aan te tekenen, wat in de natuur wonderlijk, en voor de

menschelijke zamenleving van eene zonderlinge nuttigheid was; hoedanig

zekerlijk de Aspuntige kragt des Magneets, en ’t gebruik van het

Kompas, beide in de dertien-honderste of ’t begin der

veertien-honderste euw eerst uitgevonden, met regt verdienen ge-agt te

worden.

[Hoeverr’ de Ouden eenige kusten bekent zijn geweest.] Men heeft ook

gene reden om te twijfelen, of de Ouden, zo ze van deze uitvindingen

der latere tijden kennis hadden gehad, zouden hunne ondekkingen verder

hebben voortgezet, en ons de gedagtenis daar van wel met eenige

zekerheid hebben overgelevert. Daar nu uit de verhalen hunner togten op

den Oceaan blijkt, datze, den Hellespont of de Straat van Gibralter

uitgevaren, ten Noorden de vaste Kust van Europa, maar tot aan

Noorwegen hebben ondekt, nevens de Eilanden langs deze streek leggende,

van welke Theule het uiterste geweest is, in ’t om varen van Brittanien

alleen van verre gezien, en ge-agt te leggen op den drie-en-zestigsten

graad der breedte; dat derhalven alzo geen ander schijnt geweest te

zijn als Hitland of het Eiland Fero. Ten Zuiden van den Hellespont

heeft men by ouds op den Oceaan insgelijks alleen de zoom der

Afrikaansche Kust gevolgt, meest maar tot aan het kleinste of voorste

gebergte van Atlas. Waarom het als een helde-daad werd aangemerkt en

geroemt, dat de Kartaginenzer Hanno van Kadiks af tot aan het einde van

Arabien, geheel Afrika omgevaren heeft. Het geen, volgens verhaal van

Herodotus, ook eens uitgevoert van eenige Feniciers, die; uitgezonden

van den Egyptischen Koning Nekus, en uit de Rode Zee in den Oceaan

stekende, langs de stranden van Afrika, na twe jaren zukkelens, by de

Pilaren van Herkules, of in de Straat van Gibralter aankwamen, en door

de zelve naar Egypten wederkeerden. De History van eenen Eudoxus, die

de zelve togt zou gedaan hebben, is reets van Strabo, als een

beuzelagtig verdigtzel, verworpen.

De uiterste ondekkingen, door gemelde Feniciers en Kartaginenzers ten

Westen van Afrika gedaan, zijn geweest de Purper Eilanden, nu Madera en

Porto Santo; de Gelukkige Eilanden, nu de overige Kanarische; Cerne nu

waarschijnlijk ’t Eiland Arguin; en eindelijk de Gorgadische en

Hesperische nu de Zoute Eilanden, voor Kabo Verde verspreid. De

berigten, die de Ouden ons van deze Kusten hebben nagelaten, zijn zo

gering, zo onzeker, en met zo vele verzieringen doormengelt, dat daar

uit wel te zien is; datze de zelve meest maar van verre bezigt hebben,

of slegts door gerugt daar van iets gehoort.

Dewijl het derhalven blijkt, dat deze Landen aan de Ouden reets bekent,

van hen zo weinig bezogt zijn, is het dies te minder gelooflijk, dat ze

de overvaart naar Amerika ongelijk moeilijker en gevaarlijk ooit

voorbedagtelijk ondernomen hebben.

In de oude Aard-beschrijvingen en Historien is ook nergens eenige

zekere kondschap te vinden van die wijdlustige en vrugtbare Gewesten,

die in de vijftien honderste euw, als geheel onbekende van onze

Europëers eerst zijn opgedaan, en door de naam van Amerika

onderscheiden, van de drie andere van ouds alleen bekende Hoofd-Delen

des bewoonden Aardbodems. En hoewel de Ouden, hier en daar in hunne

Schriften van grote en verr’ over den Oceaan gelege Landen gewagende,

van Amerika niet geheel onkundig schijnen geweest te zijn; is egter al

wat zy daar van melden zonder grond, en steunt maar op nagelatene

gissingen en onzekere waarschijnlijkheid, waarby de vrugtbare

inbeelding vele herssen-schilderien gevoegt heeft. Hoedanig een onder

andere is, de Beschrijving, die de Filosoof Plato geeft van een Eiland

Atlantis, eertijds in den Atlantischen Oceaan West-waarts niet verr’

buiten de Zuilen van Herkules gelegen, en zelfs groter als Asien en

Afrika te zamen, maar door eene aard-beving en swaar onweer

overstroomt, verzonken, en geheel verdweenen in den gemelden Oceaan,

die wegens slijk en modder van dit verdronken Eiland volkomen

onvaarbaar geworden was. Diodorus de Sicilaan verhaalt byna het zelve,

behalven dat hy Atlantis met de Kanarische Eilanden schijnt te

vermengen. Dog dewijl dit Land ten tijde van Plato reets niet meer in

wezen was, daar Amerika nog geheel overig is, en door gene bezondere

aard-bevingen of water-vloeden ooit verzonken, zal ’t de moeite niet

weerdig zijn, omstandiger aan te tonen, dat dit een louter verdigtzel

is, van velen te onregt als een zeker berigt van Amerika bygebragt. Men

ziet evenwel in de Schriften van Aristoteles, Elianus en anderen, dat

de Schranderste der oude Natuurkundigen, uit de ronde gedaante des

Aardkloots, aan hen genoeg bekent, wel vermoededen, dat ’er, behalven

Europa, Asien en Afrika, nog andere grote onbekende Landen over den

Oceaan lagen: waar aan men te minder twijfelde, na dat de Kanarische

Eilanden ondekt waren. Dog dit vermoeden was zonder zekerheid, en

bewijst niet, dat Amerika oud-tijds, anders als by gissing, bekent

geweest is. Niet te min dunkt zommige, dat ze de ondekking dezer Nieuwe

Wereld klaar voorzeid vinden van den Digter Seneka in het Treur-spel

van Medea, met de woorden, die op dezen zin uitkomen: Het staat nog

eens in latere tijden te gebeuren, dat de Oceaan de Wereld niet langer

zo nauw insluite, en dat ’er een groot Land te voorschijn kome, wanneer

de Stuurman Nieuwe Werelden zal ondekken, en Theule niet meer het

uiterste der Aarde zijn. Hoe men dit ook op Amerika passe, en door des

zelfs ondekking vervult agte; blijft het volkomen zeker, dat deze

voorzegging van Seneka maar alleen gegront is op de onzekere

onderstelling der Oude Wereld-Wijzen: en dat hier met eene vryheid aan

de Digtkunde eigen, ’t waarschijnlijke voor waar word opgedischt. Wy

besluiten derhalven uit al het bovengemelde, dat de Ouden niet zekers

van Amerika geweten hebben, dat het zelfs onmogelijk voor hen was die

Kusten te bereiken, zo ze immer de roekeloosheid gehad hadden van zulks

te ondernemen; en dat het daarom onbetwistbaar kan vast gestelt worden,

dat dit groot Wereld-Deel in deze naast voorgaande euwen eerst ondekt

is.

[De eerste ondekkinge van Amerika aan wie dat toegeschreven werd.] De

eere van deze eerste ondekking van Amerika word doorgaans gegeven aan

Kristoffel Kolonus (verkeerdelijk Kolumbus genoemt) eenes Visschers

zone, geboren in het arm Dorp Arbizolo, onder het gebied van Genua niet

verr’ van Savona. Deze Kolonus van kindsbeen af een zee-man en zeer

ervaren in de Wiskonst, verhuisde uit Italien met zijn Vader, die zig

op Tenariffa neerzettede, gelijk hy op Madera. Alhier maakte hy Pas

Kaarten voor, die langs de Kust van Afrika voeren, en nam ondertusschen

waar, dat ’er buiten de Straat van Gibralter op gezette tijden

Westelijke winden waaiden, vermoedende, dat de zelve van eenige nog

onbekende Landen kwamen; die men, als eene Nieuwe Wereld, met ’er tijd

zou konnen ondekken. ’t Scheen Kolonus ook niet bedenkelijk, dat de

Oceaan zig verder, als hondert en zeventig graden lengte, zou

uitstrekken, zonder eenig vast Land tusschen beide. Terwijl hy dit dus

aanmerkte en overdagte, gebeurde het, dat zeker Alfonso Sanchez de

Huelva, uit Spanjen op de Kanarische Eilanden gewoon te handelen, door

eene sware storm uit den Oosten belopen werd, en genootzaakt zig met

zijn Schip aan weer en wind over te geven. Waar door hy, in

agt-en-twintig dagen de hoogte der Zonne niet hebbende konnen peilen,

gedreven werd aan een onbekende Kust, vol van Wilde Menschen. Van waar

hy eindelijk, na veel gevaars en ellende, met nog maar vier of vijf van

zeventien zijner Maats overig, met zijn reddeloos Schip te Madera

binnen geraakte. Alwaar hy van Kolonus geherbergt en heuschelijk

onthaalt werd, maar weinig dagen daar na overleed, hebbende aan den

zelven een nauwkeurig verhaal, nevens de ontworpe Pas-Kaarten van zijn

ongelukkige togt, gegeven. Kolonus, hier door in zijne gissingen en in

hope van de ondekking eener Nieuwe Wereld gesterkt, deed daar van

opening aan den Raad van Genua, met verzoek van onderstant tot deze

onderneming, onder voorwaarde, van al, het geen, men zou opdoen, in

handen van de Republijk te stellen. Maar dit voorstel werd, als

beuzelagtig, van den Raad verworpen, en door den Broeder van Kolonus

aan Henrik de VII. Koning van Engeland, en door hem zelven aan Alfonsus

de V. Koning van Portugaal insgelijks te vergeefs voorgedragen.

Weshalven Kolonus zig naar ’t Spaansche Hof begaf, om te zien, of hy

hier niet gunstiger dienaangaande zou gehoort worden; gelijk hy dan

ook, door toedoen van eenige voorname Hovelingen, aan den Koning

Ferdinandus werd voorgesteld, in ’t jaar 1486. maar van den zelven

niets kon verkrijgen, als na dat de Oorlog tegen de Mooren van Grenade

gelukkig ge-eindigt was. Wanneer men een besluit nam, de kans eens te

wagen, en daar toe aan Kolonus byzettede, een groot Schip met twe

Brigantijns, voorzien naar behoren, nevens een opschot van zestien

duizend Dukaten, geleent van een Geheim-schrijver des Konings, wiens

Schat-kist door de Oorlogen was uitgeput. Hier mede stak Kolonus van

Kadiks in zee, den 3. Augusty 1492., de koers nemende van de Kanarien

West aan, en ondekte den 11. October des zelven jaars, als het eerste

Land, Gunahami een der Lucaysche Voor-Eilanden van Amerika, dat hy S.

Salvador noemde. Vervolgens deed Kolonus op deze togt Kuba en

Hispaniola op, en eenige van de zijne op deze nieuwe Wingewesten

gelaten hebbende, om ze te bewaren, keerde hy zelf naar Spanjen, om aan

den Koning Ferdinand verslag te doen. Minlijk werd hy van den zelven

ontfangen, en, tot Grande van Spanjen verheven, in ’t volgende jaar

1493. voor de twede maal met een magtige Vloot afgevaardigt, om de

nieuwe ondekkinge verder voort te zetten. ’t Geen dan ook, gelijk

bekent is, van Kolonus op zijn overige togten, en vervolgens van vele

anderen met voordeel is uitgevoert. Onder de zelve word [De naam van

Amerika waar die van afkomstig is.] ook opgestelt Amerikus Vesputius,

Florentijnsch Edelman 1497. insgelijks van den Kastiliaanschen Koning

(andere schrijven van Emmanuël Koning van Portugaal) (Pis. Cluver. &c.)

uitgezonden, en die de eere heeft dat Amerika zijn naam draagt.

Hoewel nu dit wijdlugtig Gedeelte des Aardbodems, van de Ouden niet

gekent, door Kolonus aan de Wereld eerst ondekt is geworden; is hy

evenwel, nog Alfonso Sanchez, die hem daar toe veel ligt gaf, de eerste

geweest, die Amerika gevonden heeft. Want men weet nu zeker, dat deze

eer toekomt aan eenen Martinus Boheym, een Neurenberger van een aloud

Boheems geslagt, Zwartsbach bygenaamt. Deze, een grote Wiskonstenaar,

had een zonderlinge trek om vreemde Landen te bezoeken, en derhalven A.

1449. met een Schip van Antwerpen naar Portugaal willende reizen, wierd

hy na de Azorische of Vlaamsche Eilanden gedreven, en deed een der

zelver, nu Fayal genoemt, aan. Van daar waagde hy zig met zijn Schip

dieper in zee naar ’t Westen, en ondekte dus het vaste Land van

Amerika, van deze zijne kours en van de Plaats, waar hy in Amerika

aangeland was, twe Land-kaarten opstellende, waar van hy in Portugaal

wedergekeert, de eene vereerde aan Koning Jan den eersten, brengende de

andere Kaart te Neurenberg te huis, alwaar hy nog te zien is, en in de

Familie der Boheyms als een grote Rariteit en Antiquiteit bewaart word.

Deze zelve Martinus Boheym word in de Historien ook geroemt, als de

voornaamste uitvinder van het Astrolabium, dat voor de zee-varende van

zo groten dienst is.

Wat aangaat het verhaal van eenen Engelsman Madok, zoon van Gwyneth of

Gainech, Broeder van eenen David Prins van Walles, die in ’t jaar 1170.

Florida en Kanada reets zou ondekt en aangedaan hebben, ’t zelve is

ongetwijffelt verziert: dewijl zonder gebruik van ’t Kompas 1302. of

1303. eerst uitgevonden Amerika onmogelijk bereikt worden.

[Waar Amerika aangrenst.] Amerika grenst tegens ’t Noorden aan de

Groenlandsche of Ys zee, de zee engte of Straat van Hudzon, en de

Christiaan zee; tegens ’t Westen aan Mare Pacificum of de Vreedzame

zee; tegens ’t Zuiden aan de Magellanische Straat; tegens ’t Oosten aan

de Atlantische zee of Mare del Nort; welke Amerika afzondert van ’t

oude vaste Land, waar van ’t aflegt 1000. of 1200. mijlen, meer of min,

na de gelegentheid der Plaatzen. De uitgestrektheid van ’t Zuiden na ’t

Noorden, van den 54. graad 20. minuten der Zuider-breedte, van de

Magellanische Straat, tot den 63. graad der Noorder-breedte, tot aan de

Straat Hudzon, bedraagt omtrent 2347. mijlen; en van ’t Westen na ’t

Oosten, van den 241. graad tegens Angubela del Gato, tot den 348.

graad, tegens de hoek Rio Grande in Brazil; de breedte is wegens de

ontelbare menigte der gewesten zo verschillende, dat men de grote daar

van niet wel Beschrijven kan.

[Zuider-Amerika.] Eer ik overga tot de Beschrijvinge van de

Karibaansche Kust, dunkt het my nootzakelijk te wezen een weinig van ’t

Zuider-Amerika op te halen, aan wiens Kust de Land-streek vast is:

Amerika ’t Zuider-gedeelte werd door een Land-engte van weinig mijlen

van ’t Noorder-gedeelte afgescheiden: Ten Westen is het Landschap of

Rijk Peru, vermaard wegens ’t aldaar zijnde Goud, de Hooft stad Lima,

is de Hof-plaats van den Spaanschen Onder-koning over geheel

Zuider-Amerika; ten Zuiden van Peru is ’t Landschap Chili; ten Zuiden

van Chili is het woeste Land Magellana en Straat van dien naam; ten

Noorden en Noord-oosten van Magellana, en ten Oosten van Chili, legt

het Landschap Paraguay; ten Noorden van Paraguay, en ten Oosten van

Peru, legt het onbekende Landschap Amazone; ten Oosten van Amazone, en

ten Noord-oosten van Paraguay, legt het Landschap Brazilia; ten

Noord-westen van Brazilia, en ten Noorden van Amazone, legt de

Land-streek Karibana of Guajana; ten Noorden van Amazone en Peru,

leggen de Landschappen van Papyan, Cartagena, Nieuw-Andalusia en Terra

Firma: Dit is alzo een korte Beschrijvinge, voor de gene die geen goed

begrijp, van Amerika en de Karibaansche Kusten hebben; en zullen nu

eerst handelen van de Natuurlijke Gesteltheid dier Kust.

Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname · 第 26 / 111 题