DERDE TOONEEL.

Verona. Een kerkhof; daarop het familiegraf der Capulets.

Paris en zijn Page, met bloemen en een fakkel, komen op.

PARIS. Geef mij de fakkel, knaap; sta verder weg;--

Neen, doe haar uit; men moet mij hier niet zien.

Ga, vlij u onder gindsche taxisboomen,

En houd uw oor vlak op den hollen grond;

Zoo kan geen voet het kerkhof hier betreên,

Dat overal van 't graven is doorwoeld,

Of gij verneemt het. Komt er iets, zoo fluit

Als teeken, dat gij iemand naad'ren hoort.

Geef mij die bloemen; ga, doe wat ik zeg.

PAGE (ter zijde). Ik ben beangst, zoo op het kerkhof hier

Alleen te blijven, maar ik wil het wagen.

(Hij verwijdert zich.)

PARIS. 'k Strooi rozen op uw bruidsbed, rozeknop;--

Helaas, 't is overwelfd met stof en steen!--

En sprenkel 's nachts er geur'ge waat'ren op,

Of, mis ik die, de tranen, die ik ween;

Zoo zij met frisch gebloemte nacht op nacht,

Mijn hulde en rouw u weenend toegebracht!

(De Page fluit.)

Daar geeft de knaap het sein, dat iemand komt.

Wat vloekb're voet treedt 's nachts hier in en stoort

Der liefde lijkdienst in dit heilig oord?

Wat, met een toorts? Omhul mij, nacht, een poos.

(Hij gaat ter zijde.)

(Romeo en Balthazar komen op, met een toorts, een koevoet enz.)

ROMEO. Geef mij den koevoet hier, en het houweel.

Hier, neem deez' brief; bezorg hem morgen vroeg,

Gijzelf, in handen van mijn heer en vader.

Geef mij de toorts, en, op verbeurt' van 't lijf,

Wat gij ook hoort of ziet, blijf verre staan,

En zorg mij niet te storen in mijn doen.

Ik daal in deze woning van den dood,

Deels om nog eens haar lief gelaat te zien,

Maar toch vooral, om van haar dooden vinger

Een kostb'ren ring te nemen, ja, een ring,

Die tot gewichtig werk mij dienen moet.

Daarom, ga heen;--maar drijft uw argwaan u

Terug te keeren en te zien, wat ik

Mij verder voorgenomen heb te doen,

Bij God! in stukken rijt ik u en zaai

Hier op dit vratig kerkhof uwe leden.

De tijd en mijn gemoed zijn razend wild,

Veel grimmiger, veel feller, min vermurwbaar,

Dan holle tijgers, of de woeste zee.

BALTHAZAR. 'k Wil gaan, heer, en ik zorg u niet te storen.

ROMEO. Dan handelt ge als een vriend.-- Hier, neem gij dit;

Vaarwel, en leef gelukkig, goede vriend!

BALTHAZAR (ter zijde). 'k Verschuil mij hier, wat hij mij ook verbied';

Ik ducht dien blik; zijn doel vertrouw ik niet.

(Hij gaat terug.)

ROMEO. Verfoeib're muil, gij ingewand des doods,

Die 't kostelijkst gerecht der aard verslondt,

Zoo breek ik uw verdervingskaken open,

(Hij breekt de deur van het grafgewelf open.)

En dwing, uws ondanks, u meer voedsel op!

PARIS. Wat, die verbannen, trotsche Montague,

Die Julia's neef vermoordde, aan welke smart,

Naar men vermoedt, dit lieflijk wezen stierf,

Nu komt hij op deez' heil'ge plaats en wil

Hier lijkeschennis plegen; 'k wil hem vatten.

(Hij treedt op Romeo toe.)

Staak, lage Montague, uw snood bestaan!

Gaat dan de wraak nog verder dan het graf?

Verbannen schurk! Gevangen neem ik u;

Gehoorzaam en ga mee, want sterven moet gij!

ROMEO. Dat moet ik, ja; en daartoe kwam ik hier.--

Tart, edel jong'ling, niet een raad'loos man,

Vlied en verlaat mij; denk aan deze dooden;

Hun noodlot schrikke u af.--'k Bezweer u, jonkman,

Hoop op mijn hoofd geen nieuwe zonde, en wek

Mijn razernij niet op; ga, jongeling, ga!

Bij God, 'k zorg meer voor u dan voor mijzelf,

Want ik belaag gewapend hier mijzelf;

Draal niet, maar ga; blijf leven, en zeg dan

Ik week op de' aandrang van een razend man.

PARIS. 't Is al om niet; ik lach met uw bezwering,

En vat u als een snood weerspanneling.

ROMEO. Gij wilt mij tarten, knaap? verweer u dan.

(Zij vechten.)

PAGE. O God, zij vechten daar; ik haal de wacht.

(De Page af.)

PARIS. O, 'k ben getroffen, dood'lijk! (Hij valt.) Hebt ge erbarmen,

Zoo open 't graf, leg mij naast Julia.

(Hij sterft.)

ROMEO. Dat wil ik doen.--Dat ik 't gelaat eens zie;

't Is Paris, de eed'le graaf, Mercutio's neef!

Wat zeide toch mijn dienaar, bij den rit,

Waar mijn geschokte ziel geen acht op sloeg?

Hij zeide, Paris zou met Julia huwen.

Ik meen, dat hij dit zeide; of droomde ik dit?

Of is 't mijn waanzin, die zoo denkt, wijl hij

Daar zelf van Julia sprak! O! geef me uw hand,

Gij, met me in 't boek des onspoeds opgeschreven!

'k Begraaf u in een zegepralend graf;

Een graf? Een lichtgewelf, verslagen jongling;

Want hier rust Julia; haar schoonheid maakt

Deez' krocht tot feestlijk hel verlichte zaal.

Rust, doode, hier, begraven door een doode.

(Hij legt Paris in het grafgewelf.)

Hoe vaak speelt niet een glimlach om den mond

Van stervenden! Hun wakers noemen dat

Een flikk'ring vóór den dood; o, zoo mag ik

Dit flikk'ring heeten! Mijn geliefde vrouw!

De dood zoog 't honigzoet uws adems in,

Maar heeft op uwe schoonheid niets vermocht.

Nog zijt gij niet verwonnen; schoonheids vaan

Dekt purperrood uw lippen nog en wang,

Daar werd geen vale doodsvlag nog ontrold!--

Ligt gij daar, Tybalt, in uw bloedig kleed?

Hoe bied ik beter zoen u aan, dan dat

De hand, die ùw jeugd afsneed, ook de jeugd

Van hèm doorkliev', die eens uw vijand was?

Vergeef mij, neef!--Ach, dierb're Julia,

Waaròm zijt gij nu nog zoo schoon? Moet ik

Gelooven, dat de lichaamlooze dood

Verliefd is, en het dor, verafschuwd monster

U hier in 't duister houdt als zijn boelin?

Ik vrees 't, en daarom blijf ik bij u wijlen,

Om nooit uit dit paleis der donkre nacht

Weêr heen te gaan; hier wil ik blijven, hier,

Bij wormen, uwe kameniers; ja, hier

Spreid ik mij 't bed der eeuw'ge rust en schud

Ik 't juk, door booze sterren me opgelegd,

Van 't afgesloofde lijf.--Uw laatsten blik,

Gij oogen! uwe laatste omhelzing, armen!

En, ademspoorten, lippen, zeeg'le uw kus

Den eeuwigen bond met de' alverzwelger, Dood!--

(Hij kust haar en haalt een fleschje te voorschijn.)

Kom, wreede leidsman, kom, afschuwlijk gids!

Zet, raad'loos stuurman, 't afgesolde schip

In eens nu op de brijzelende klip!

Dit, liefste, aan u! (Hij drinkt.)--Braaf man! 't was waarheid dus;

Uw drank is snel;--zoo sterf ik met een kus.

(Hij sterft.)

(Lorenzo verschijnt aan het andere einde van het kerkhof, met lantaren,

koevoet en spade.)

LORENZO. Wees, Sint Franciscus, mij nabij! Hoe vaak

Stiet ik mijn oude voeten aan een graf!--

Wie daar?

BALTHAZAR. Een vriend, en een die goed u kent.

LORENZO. God zegen' u! En zeg mij, goede vriend,

Wat is dat voor een toorts, die licht verspilt

Aan wormen en aan oogenlooze schedels?

Zie 'k wel, dan brandt ze in 't graf der Capulets.

BALTHAZAR. Zoo is het, heilig man; daar is mijn meester;

Gij hebt hem lief.

LORENZO. Wien meent gij?

BALTHAZAR. Romeo.

LORENZO. Sinds hoe lang is hij daar?

BALTHAZAR. Ruim een half uur.

LORENZO. Ga met mij naar 't gewelf.

BALTHAZAR. Ik durf niet, Heer,

Mijn meester weet niet anders, of ik ging;

En dreigde mij met meer dan éénen dood,

Als ik vertoefde en naging wat hij deed.

LORENZO. Blijf dan, ik ga alleen.--Vrees slaat me om 't hart;

Ik ducht, er is een ongeluk geschied.

BALTHAZAR. Ik droomde, toen ik hier was ingeslapen,

Dat ginds mijn meester met een ander vocht,

En dat hij de' ander doodde.

LORENZO (het graf naderend). Romeo!

O wee mij, wee mij, wat voor bloed bevlekt

Den steenen drempel van dit grafgewelf?

Wat zijn 't voor zwaarden, die bevlekt en heerloos

Wankleurig liggen op deez' plaats van vreê?

(Hij treedt het grafgewelf binnen.)

Romeo! Doodsbleek! Wie meer?--Wat! Paris ook?

En in zijn bloed?--Onzaal'ge, wreede stonde,

Die zooveel, zooveel jammer hebt gebaard!--

De jonkvrouw, zij ontwaakt!

(Julia ontwaakt.)

JULIA. O trouwe trooster! O, waar is mijn gade?

'k Herinner mij, waar ik ontwaken moest;

Daar ben ik nu.--Waar is mijn Romeo?

(Men hoort gedruisch.)

LORENZO. Ik hoor gedruisch.--Kom, jonkvrouw, uit deez' groeve

Van dood en pest, dit schrikk'lijk slaapvertrek;

Een hoog're macht, en die geen weerspraak duldt,

Heeft onzen raad verijdeld. Kom, van hier!

Uw gade ligt hier aan uw zijde dood,

En Paris ook. Kom mede, ik zoek voor u

Een veil'ge toevlucht in een klooster. Spil

Geen tijd met vragen; hoor, daar komt de wacht!

(Het gedruisch komt naderbij.)

Kom, lieve Julia!--'k Durf niet langer toeven.

JULIA. Ga, spoed u dan; ik wijk hier niet van daan.

(Lorenzo af.)

Mijn gade! Hoe! gij houdt een fleschje omklemd?--

Verkortte gift dan 't leven, u bestemd?--

O, vrek, dronkt ge alles, liet gij mij geen drup.

Om u te volgen?--'k wil uw lippen kussen;

Misschien kleeft nog wat gif er aan, genoeg,

Om als een laafnis mij den dood te brengen.

(Zij kust hem.)

Warm zijn uw lippen!

EERSTE WACHTER (achter het tooneel). Knaap, wijs ons den weg!

JULIA. Gedruisch?--Dan niet gedraald! Ha, welkom, dolk!

(Zij grijpt Romeo's dolk en doorsteekt zich.)

Dit zij uw scheê; roest daar, en laat mij sterven.

(Zij sterft.)

(De Wacht komt op, met den Page van Paris.)

PAGE. Dit is de plaats, dáár, waar de fakkel brandt.

EERSTE WACHTER. De grond is hier met bloed; doorzoekt het kerkhof;

Gijlieden, gaat, vat ieder, dien gij vindt.

(Eenige Wachters af.)

O, schriktooneel! Hier ligt de graaf vermoord;--

En Julia bloedend, warm, gestorven pas,

Die voor twee dagen reeds begraven was.--

Ga, zeg 't den vorst;--ijl tot de Capulets,--

Wek op de Montagues;--gij and'ren zoekt;--

(Andere Wachters af.)

Wij zien den grond, die dezen jammer draagt,

Maar des rampzaal'gen jammers waren grond

Kan slechts nauwkeurig onderzoek ontdekken.

(Eenige Wachters komen op met Balthazar.)

TWEEDE WACHTER. Wij vonden Romeo's dienaar hier op 't kerkhof.

EERSTE WACHTER. Bewaakt hem goed, totdat de vorst verschijnt.

(Andere Wachters komen op met broeder Lorenzo.)

DERDE WACHTER. Deez' monnik beeft en zucht en weent; wij namen

Dien koevoet en die spade van hem af,

Toen hij aan deze zij van 't kerkhof kwam.

EERSTE WACHTER. Dat is verdacht; ook hij zij goed bewaard.

(De Vorst en zijn Gevolg komt op.)

VORST. Wat onheil is zoo vroeg reeds op de been,

En roept van onze morgenrust ons op?

(Capulet, GravinCapulet en Anderen komen op.)

CAPULET. Wat kan het zijn, dat elk zoo roept en jammert?

GRAVIN CAPULET. Het volk roept op de straten: Romeo!

Dan weder: Julia! en dan weer: Paris!

En spoedt met luid geschreeuw zich naar ons graf.

VORST. Wat schrik is dit, die zoo ons oor verscheurt?

EERSTE WACHTER. Mijn vorst, hier ligt graaf Paris, pas verslagen,

En Romeo dood; en Julia, lang gestorven,

Nog warm en pas gedood!--

VORST. Spoort na, vorscht uit, wie 't schendig stuk bedreef!

EERSTE WACHTER. Hier zijn een monnik, heer, en Romeo's dienaar;

Zij hadden spade en koevoet om 't verblijf

Van dooden te oop'nen.

CAPULET. O God! Zie, vrouw, hoe onze dochter bloedt!

Die dolk, ach! is verdwaald, want zie, zijn huis

Rust ledig op den rug van Montague,--

Zijn dwaalscheede is de boezem mijner dochter.

GRAVIN CAPULET. Wee mij, dit doodsgezicht is als een klok,

Die mij vermaant en oproept tot het graf.

(Montague en Anderen komen op.)

VORST. Kom, Montague! verreest gij vroeg, nog vroeger

Ligt hier uw zoon en erfgenaam geveld.

MONTAGUE. Ach, edel vorst, mijn vrouw bezweek deez' nacht

Van kommer om de ballingschap mijns zoons.

Welk meerder wee belaagt mijn ouden dag?

VORST. Kom, en aanschouw het hier!

MONTAGUE. O, onbescheiden kind! betaamt het u,

Voorbij uw vader naar een graf te dringen?

VORST. Weerhoudt uw bitt're klachten nog, totdat

Wij licht in 't duister brengen, en de bronaâr,

Den waren oorsprong dezer rampen kennen;

Dan wil ik veldheer van uw weeklacht zijn,

Al voert die ook ten doode. Zwijgt intusschen,

En zij de weedom slaaf nu van 't geduld.--

Stelt hèn thans voor ons, op wie argwaan rust.

LORENZO. Schoon 't minst in staat tot boosheid, ben ik 't meest--

Wijl tijd en plaats zich tegen mij verbonden,--

Verdacht van aandeel in deez' gruwbren moord.

Als klager en gedaagde sta ik hier;

'k Beschuldig en ontschuldig hier mijzelf.

VORST. Zeg ons in 't kort, al wat gij hiervan weet.

LORENZO. Kort zal ik zijn, want de adem, die mij rest,

Reikt voor een lang verhalen niet meer toe.

Hij, Romeo, die daar ligt, was Julia's man;

Zij, die daar ligt, was Romeo's trouwe gade.

Ik trouwde ze in 't geheim; hun huw'lijksdag

Was Tybalts doodsdag; diens ontijdig sterven

Verwees den jongen man in ballingschap.

Om hem, om Tybalt niet, was Julia's smart.

Om uit den greep van 't wee haar los te maken,

Hebt gij aan Paris haar verloofd en zoudt

Tot de' echt haar dwingen;--nu komt zij tot mij,

En eischt, met wilden blik, van mij een middel

Om van dien tweeden echt haar te bevrijden,

Of in mijn cel zou zij zichzelve dooden.

Toen gaf ik haar,--mijn wetenschap vond baat,--

Een slaapdrank, die naar eisch zijn werking deed,

Want hij omgaf haar met den schijn des doods.

Onmidd'lijk schreef ik ook aan Romeo,

Hierheen te komen in deez' gruwbre nacht,

Om haar te ontrukken aan 't geborgde graf;

Dan was de werking van den drank gedaan.

't Noodlottig toeval wilde, dat de broeder

Johannes, die mijn brief had, niet kon gaan;

Hij bracht dien gist'ren mij terug. Alleen

Ging ik dus tegen 't uur van haar ontwaken

Haar halen uit het graf van haar geslacht,

Van plan haar te verbergen in mijn cel,

Tot ik aan Romeo tijding zenden kon;

Maar toen ik kort voor haar ontwaken kwam,

Vond ik den eed'len Paris hier geveld,

En nevens haar den trouwen Romeo dood.

Ze ontwaakt; ik bad haar dringend mij te volgen

En in Gods wil gelaten te berusten.

Gedruisch dreef uit het grafgewelf mij heen,

En zij wilde in haar wanhoop mij niet volgen,

Maar sloeg, als blijkt, de hand toen aan zichzelf.

Ziedaar al wat ik weet; van haren echt

Weet ook de voedster. Valt nu van de ramp

Iets van de schuld op mij, neem 't kleine deel,

Dat van mijn wankel leven mij nog rest,

En offer 't aan den strengsten eisch der wet.

VORST. Steeds hebben we u als heilig man gekend.--

Waar is nu Romeo's dienaar? Die treê voor!

BALTHAZAR. Ik bracht mijn heer 't bericht van Julia's dood;

Hij ijlde spoorslags toen van Mantua

Naar deze plaats en naar dit grafgewelf.

Deez' brief hier moest ik aan zijn vader brengen;

Hij ging in 't graf en dreigde met den dood,

Als ik niet ging en hem daar achterliet.

VORST. Geef mij den brief; ik neem er kennis van.--

Des graven page riep de wacht, waar is hij?--

Jong mensch, wat deed uw heer op deze plaats?

PAGE. Hij kwam om bloemen op haar graf te strooien,

En gaf mij last terug te gaan; zoo deed ik;

Toen kwam er een met licht, die 't graf wilde oop'nen,

En weldra viel mijn meester op hem aan,

En ik liep, om de wacht te roepen, heen.

VORST. Dit schrijven staaft de woorden van den monnik,

Hun huwlijk en de tijding van haar dood;

Hij schrijft ook, van een hongrige' apotheker

Kocht hij vergift, om hier in Julia's graf

Aan hare zij te sterven en te rusten.--

Waar zijn die haters? Ziet nu, Capulet

En Montague, wat geesel striemde uw haat!

Door liefde doodt de hemel al uw vreugd!

Ook ik, te zacht bij uwen twist, verloor

Een tweetal magen;--allen zijn gestraft.

CAPULET. O, broeder Montague, reik mij uw hand;

Dit zij mijn dochters weduwgift, want meer

Kan ik niet vord'ren.

MONTAGUE. Maar ik meer u geven;

In zuiver goud doe ik haar beeld verrijzen;

Zoolang Verona nog Verona heet,

Koom' nooit in waarde een beeld dit beeld nabij,

Dat ik aan uw getrouwe Julia wij.

CAPULET. En nevens haar zij zoo uw zoon herdacht!

Rampzalige offers, onzen haat gebracht!

VORST. Een sombren vrede brengt ons deze morgen;

Van wee omfloerst de zon haar aangezicht;

Dit onderzoek eischt nog mijn droeve zorgen,

Opdat ik streng, en toch genadig, richt.

Nooit trof het noodlot twee gelieven zoo,

Als 't Julia deed en haren Romeo.

(Allen af.)

Romeo en Julia · 第 39 / 41 题