TWEEDE TOONEEL.

Verona. Lorenzo's cel..

Broeder Johannes komt op.

JOHANNES. Eerwaarde Franciscaner! broeder, hé!

(Lorenzo komt op.)

LORENZO. De stem is 't van Johannes, onzen broeder.--

Welkom van Mantua! En welk bericht

Van Romeo? Of schreef hij? Geef dan hier.

JOHANNES. Ik zocht mij tot geleide een barvoetsbroeder.

Een van onze orde, die hier in de stad

Zich aan 't bezoek van kranken heeft gewijd.

Ik vond hem, maar de wacht der stad verdacht

Zijn huis van door de pest besmet te zijn,

Verzegelde de deur en sloot ons op;

Onmooglijk werd mijn tocht naar Mantua.

LORENZO. Wie bracht mijn schrijven dan aan Romeo?

JOHANNES. Ik kon 't niet zenden;--hier is 't weer terug.

Ik vond geen bode zelfs om 't u te brengen,

Zoo angstig voor besmetting was een elk.

LORENZO. Onzalig noodlot! Bij mijn heilige orde,

De brief was niet een beuz'ling, doch zwaarwichtig,

Van 't hoogst belang,--en 't niet-bestellen brengt

Licht groot gevaar. Broeder Johannes, ga,

Haal mij een koevoet, breng mij dien terstond.

JOHANNES. Ik breng 't u daad'lijk, broeder.

(Broeder Johannes af).

LORENZO. Alleen moet ik naar 't graf nu. In drie uur

Ontwaakt de schoone Julia. O, zij zal

Bedroefd en boos zijn, dat ik Romeo

Geen kennis gaf van wat er is gebeurd.

Maar 'k schrijf nog eens naar Mantua; mijn cel

Verberg' haar, tot de komst haars echtgenoots;

Die arme, levend in 't verblijf des doods!

(Lorenzo af.)

Romeo en Julia · 第 38 / 41 题