De eerste uitgave van Romeo en Julia verscheen in 1597, in quarto. Twee
jaar later verscheen een verbeterde en vermeerderde uitgave in quarto,
die in zeer vele opzichten van de eerste verschilt, in 1609 een derde,
met de tweede grootelijks overeenstemmende; in de folio-uitgave der
dramatische werken van Sh. in 1623 is Romeo en Julia waarschijnlijk
naar de quarto-editie van 1609 afgedrukt.
De eerste uitgave wijkt zoozeer van de volgende af en is in
zoovele opzichten onvolkomen, dat het stuk zeker nooit aldus is
opgevoerd. Door een nauwkeurige vergelijking--zooals door Tycho
Mommsen [1] volbracht is,--moet men wel tot het besluit komen, dat
deze eerste quarto-uitgave,--onrechtmatig verkregen, zooals alle
afzonderlijke uitgaven van Sh.'s tooneelwerken,--niet een eerste
onvolkomen bewerking van het stuk door Sh. bevat, maar samengeflanst
is uit echte gedeelten, misschien door afschriften der rollen van
acteurs verkregen, uit aanteekeningen, gedurende de opvoering gemaakt,
en uit onechte brokken, door den een of ander er bijgevoegd, om uit
de materialen een geheel te maken. Toch is deze eerste uitgave een
geenszins te versmaden hulpmiddel om drukfouten in de volgende te
verbeteren en tot een juisten tekst te komen.
Evenals in vele andere gevallen heeft Sh. het onderwerp van zijn
stuk aan anderen ontleend, maar toch een hoogst oorspronkelijk werk
geleverd. Hij heeft getoond, dat er van lotgevallen als die van Pyramus
en Thisbe heel wat anders te maken was, dan de handwerkslieden deden
in den Midzomernachtdroom.--De Veronezers stellen de geschiedenis
in 1303 en toonen aan bezoekers niet alleen het huis der Capulets,
maar ook het graf der gelieven. In 1535 verscheen een novelle,
La Giulietta getiteld, van Luigi da Porto, van Vicenza, geschreven
naar aanleiding van een verhaal, door een oud krijger hem gedaan. In
1554 deelde Bandello in een Italiaansche novelle, de negende van
zijn tweede verzameling, de lotgevallen van Romeo en Julia mede, en
hieruit putte Pierre Boisteaux een Fransch verhaal. Uit het Fransch
ging het in 1567 over in Painter's, door Sh. meermalen gebruikte,
verzameling van verhalen, die den naam droeg van Palace of Pleasure,
met den titel: The goodly history of the true and constant love
betweene Rhomeo and Julietta, the one of whom died of poyson, and the
other of sorrow, and hevinesse: wherein be comprysed many adventures
of love and other devises touchinge the same. Reeds vroeger, in 1562,
was er van Arthur Brooke een episch gedicht verschenen: The Tragicall
Historye of Romeus and Juliet, written first in Italian by Bandell,
and nowe in Englishe by Ar. Br.--Aan dit episch gedicht heeft Sh. zich
nader aangesloten dan aan Painters verhaal.
Proloog. Chorus was de geijkte naam voor den woordvoerder van den
Proloog.
Ald. reg. 6. Ten ondergang gewijd. Sh. bezigt hier de uitdrukking:
A pair of star-cross'd lovers, door een boos gesternte tegengewerkt;
een uitdrukking, die ik niet volkomen vermocht weder te geven,
evenmin als regel 9: The fearful passage of their death-mark'd
love. De zorgvuldigste vertaling kan niet altijd alles teruggeven
zonder gewrongen, onwelluidend en ondichterlijk te worden, en zou
alsdan juist door het streven naar woordelijke getrouwheid een geheel
anderen indruk maken dan het origineel.
Ald. reg. 12. Een tweetal uren. Bij de tooneelvertooningen in Sh.'s
tijd waren er geen tusschenpoozen na een bedrijf en geen veranderingen
van tooneel, zoodat het spelen vlugger ging. Ook in den proloog van
Koning Hendrik VIII wordt (reg. 13) een tijdsverloop van twee uren
als de duur der vertooning aangegeven.
I. 1. 1. De woordspelingen in het gesprek der bedienden moesten
natuurlijk in het Nederlandsch door andere vervangen worden; zoo staat
hier in het Engelsch: we'll not carry coals, dat is: kolen dragen,
smerigen arbeid verrichten, zich alles laten welgevallen, waarop
dan de woordspeling met choler en collar volgt.--Hier zij tevens
eens voor goed opgemerkt, dat de frivoliteiten, zooals die hier
in dit gesprek der knechts voorkomen, en later in het stuk door de
Voedster en den jongen edelman Mercutio geuit worden, bij Sh. steeds
dienstig zijn om de personen te kenschetsen, zoodat deze daardoor te
meer naar het leven geschilderd zijn; nooit om haarzelfs wil, nooit
met het doel om door dergelijke aardigheden enkele toehoorders te
behagen. Sh. is inderdaad een zeer gekuischt dichter: men vergelijke,
om zich hiervan te overtuigen, Sh. met velen zijner tijdgenooten of
ook met onze dichters uit zijn tijd of later, b.v. Brederoo en Huygens.
I. 1. 52. Ik zal op me duimnagel tegen ze bijten. Er staat: I
will bite my thumb at them. Ook bij Sh.'s tijdgenooten wordt het
in den mond steken van den duim, als men iemand ontmoet, onder de
beleedigende handelwijzen vermeld. Het gebaar wordt aldus beschreven:
to defy by putting the thumbe naile into the mouth and with a jerke
from the upper teeth make it to knacke. Wij zouden spreken van "een
neus zetten" of van "met duim en vinger knippen".
I. 1. 82. Mijn zwaard. In 't Engelsch staat my long sword, het
groote zwaard, onderscheiden van het tot sieraad gedragen little
sword. Dat Capulet in zijn huisgewaad, in his gown, komt, bewijst,
dat hij plotseling in zijn rust gestoord wordt.
I. 1. 128. Wilde vijgeboomen of Sycomores komen ook elders bij Sh. voor
als boomen, wier schaduw door droefgeestige verliefden gezocht werd.
I. 1. 130. De wolken meerd'rend. Sh. laat ook elders de zuchten
wolken vormen.
I. 1. 205. Zeg me in ernst. Tell me in sadness. Sadness beteekent
zoowel ernst als treurigheid. Daarom zegt in 't Engelsch Romeo in
zijn antwoord alleen: What, shall I groan, and tell thee?
I. 1. 222. Haar schoon vergaat enz. In verscheidene sonnetten,
misschien omstreeks dezen tijd geschreven, wordt dit denkbeeld
uitgewerkt.
I. 1. 236. 't Gelukkig mom. Toespeling op de zwarte maskers, die in
Sh.'s tijd de dames bij het uitgaan plachten te dragen.
I. 2. 52. Een weegbreeblad. Dit wordt door Sh. ook elders als
heelmiddel tegen een gewond scheenbeen genoemd. Romeo zegt hier,
dat hij geen van Benvolio's tegengiften behoeft, maar zich met een
weegbreeblad (Plantago) kan helpen.
I. 3. 13. Ach, tien te veel. In 't Engelsch staat: To my teen be it
spoken,.... she is not fourteen. Een woordspeling met teen, kommer,
verdriet, en teen in fourteen.--Een oogenblik later vat de voedster
het odd days, eenige dagen, van Lady Capulet, op als een oneven aantal,
en zegt even or odd, en spreekt van Lammas-eve ad night (1 Augustus),
alsof de avond niet reeds door eve werd aangeduid.
I. 3. 23. De aardbeving, ja, is elf jaar nu geleên. Op 6 April 1580
deed zich in Engeland een vrij hevige aardbeving gevoelen, die zeker
nog lang in het geheugen bleef. Men heeft wel vermoed, dat de dichter,
met het oog op deze aardbeving, deze regels in 1591 zou geschreven
hebben, doch dit vermoeden is ongetwijfeld zeer gewaagd, al behoort
zeker dit stuk tot zijn vroege werken.
I. 3. 86. Het randschrift ter verklaring geeft zijn oog. Sh. spreekt
hier van "the margent of his eyes," doelend op de aan den rand der
boeken te vinden verklaringen.--Wat drie regels verder voorkomt
"The fish lives in the sea" is vrij duister en wordt op meer dan
ééne wijze verklaard. De hier gegeven vertaling levert ten minste
een gezonden zin op.
I. 4. 10. Wij nemen 't luchtig op. Het oorspronkelijke heeft hier
een woordspeling met measure, meten, beoordeelen, en measure, een
afgemeten dans.--Ook het vervolg bevat allerlei woordspelingen.
I. 4. 36. 't Gevoelloos strooibies. De kamers werden bij feestelijke
gelegenheden met biezen bestrooid.
I. 4. 39. Hoe mooi enz. Hier is het oorspronkelijke weder niet terug te
geven. De woorden fair en done staan in Romeo's gezegde tegen elkander
over. Mercutio vat het woord op als dun (donkerkleurig of bruin) en
zegt, dat, volgens de nachtwacht, bij nacht alle katten grauw zijn;
en denkt terstond daarop weer aan het boerenspel: Dun is in the mire,
waarbij een blok hout, dat een bruin paard moest voorstellen, door
't gezelschap opgelicht en heen en weer getrokken werd. Even diep als
dat paard in de modder, zat Romeo in het slijk, met verlof gezegd,
der liefde.
I. 4. 47. Veel meer dan onzen geest. In het Engelsch wordt gesproken
van de five wits. Daaronder werden verstaan: common wit, imagination,
fancy, estimation, memory. In zijn antwoord geeft Romeo aan meaning
en wit weder een andere beteekenis.--Een oogenblik later vat hij in
Mercutio's zeggen: That dreamers often lie, het woord lie op als
liggen en tevens als liegen. Trouwens deze woordspeling komt bij
Sh. zeer dikwijls voor.--In reg. 94 heeft carriage twee beteekenissen:
draagvermogen en gedrag.
I. 4. 54. Fee Mab. Queen Mab is de oude naam der Elfenkoningin. Volgens
Mercutio is zij onder de andere elfen vooral de vroedvrouw (midwife),
die het brein verlost van de droomen, waar het van zwanger gaat
(voorbeelden volgen), en zoo ook bij Romeo in zijn slaap een droom
heeft doen geboren worden.
I. 5. 95. Ontwijdt deez' hand enz. De eerste samenspraak van Romeo
met Julia heeft geheel den in Engeland gebruikelijken vorm van een
sonnet. Opmerkelijk is het, dat Sh. in dit treurspel gebruik heeft
gemaakt van alle drie de vormen, waarin de erotische poëzie zich bij
voorkeur uit: het sonnet, het bruiloftslied of den Hymenaeus, (III,
2.) bij het ontbreken van speelnooten door Julia zelf gesproken, en
het dageraadslied (III, 5), waarin twee heimlijk saamgekomen gelieven
het oneens zijn, of het morgen is of nog avond.
II. 1. 13. Aan 't jongske, dat zoo treflijk schoot. In 't
oorspronkelijke staat Young Abraham Cupid, wat door Knight volgens
de toen ter tijd gebruikelijke uitdrukking Abrahammen als "vagebond
Cupido", door Dyce voor een verknoeiing van abron of abrene (auburn),
kastanje-bruin, verklaard wordt. Waarschijnlijk echter moet, naar
Uptons gissing, het woord Abraham in Adam veranderd worden en doelt
dit dan op den beroemden, in balladen bezongen boogschutter Adam Bell,
op wien Sh. ook in Veel Leven om niets (I. 1. 261.) zinspeelt.--Koning
Cophetua was algemeen bekend uit een Engelsche ballade, die bewaard
is gebleven: hij was een koning uit "Affrica", die eerst niets van
vrouwen wilde weten, maar op een goeden dag, uit zijn venster liggende,
een bedelmeisje zag, er terstond smoorlijk op verliefd werd en haar
huwde. Penelophon,--zoo heette het meisje,--wist zich zeer goed als
vorstin te gedragen, de koning leefde zeer gelukkig met haar en beiden
werden bij hun sterven diep betreurd en in één graf begraven. De tweede
strophe der ballade verhaalt, dat, toen de koning het meisje zag,
The blinded boy, that shootes so trim,
From heaven downe did hie;
He drew a dart and shot at him,
In place where he did lie.
Dit couplet bewijst tevens, dat bij Sh. trim moet staan, zooals de
eerste quarto heeft, en niet true, zooals de volgende quarto's en de
folio te lezen geven.
II. 1. 36. Die tot hem riep enz. Het Engelsch was hier niet te
vertalen: As maids call medlars etc. De triviale naam van den mispel is
"open-arse" en hierop wordt gedoeld. Poprin pear is een soort van peer,
benoemd naar Poperinghe in Fransch Vlaanderen.--Wat hier door mandje
vertaald is, heet in 't Engelsch truckle-bed, een lage rustbank,
die onder het groote bed, standing-bed, geborgen werd.
II. 2. 161. Afhanklijkheid is heesch. In 't Engelsch staat bondage,
dat behalve afhankelijkheid ook gevangenschap beteekent.
II. 4. 19. Meer dan de vorst van het kattengeslacht. Tybalt, of liever
Tybert, is de naam van den Kater in Reynaert de Vos.
II. 6. 16. Een tred, zóó licht, slijt nìmmer hard gesteente uit. Haar
tred is zóó licht, dat hij zelfs dàt nimmer doet, wat waterdruppels
vermogen. Men drukke op "zóó" en "nimmer", anders is de plaats
onduidelijk. De bewerker van de eerste quarto heeft, misschien omdat
de echte lezing hem niet duidelijk was: So light of foote nere hurts
the troden flower.
III. 1. 59. Mijn man. Mercutio vat dit woord opzettelijk op als
dienaar, zooals hij onmiddellijk daarna met het woord follower speelt.
III. 1. 77. Alla stoccata. Stoot met het rapier,
vechtmeesters-uitdrukking.
III. 1. 102. Doodbedaard. In 't Engelsch a grave man, een ernstig
man en een man van 't graf.
III. 2. 14. Huif met uw zwarten mantel enz. Het beeld is aan het temmen
van den valk ontleend, die, zoolang hij nog niet aan den mensch gewoon
(unmanned) is, met de vleugels slaat (to bate) en eerst, wanneer hem
een huif op den kop gezet wordt (to hood), tot kalmte komt.
III. 2. 45. Is 't antwoord "ja". Hier is een herhaalde woordspeling
tusschen I (ik), ay (ja, in de oude uitgaven eveneens I geschreven)
en eye (oog).
III. 3. 132. Vat vuur enz. De soldaten droegen aan den gordel aan de
eene zijde een brandende lont, aan de andere kruit in een flesch of
bus. Onvoorzichtigheid bracht dus licht gevaar.
III. 5. 31. Men zegt, dat pad en leeuwrik de oogen ruilden. Dit
volksgeloof ontsproot uit de opmerking, dat de pad fraaie, de leeuwrik
leelijke oogen heeft. De leeuwrik moest dan ook maar de leelijke stem
der pad hebben, daar hij met zijn stem Romeo verjaagt.
III. 5. 175. Kraam uw wijsheid uit bij uws gelijken. Het Engelsch
heeft: o'er a gossip's bowl; bij gekruid warm bier en gebraden appelen;
zie Midzomernachtdroom II. 1. 46. Capulet is niet keurig in zijn
uitdrukkingen; dit bleek reeds op het bal, toen hij van eksteroogen
sprak. In Sh.'s tijd werden overigens zulke sterke uitdrukkingen niet
zoo aanstootelijk gerekend als tegenwoordig.
IV. 3. 47. Gekrijsch als van alruinen. Ook bij andere dichters,
tijdgenooten van Sh., wordt gewag gemaakt van den schrikkelijken,
waanzinnigmakenden kreet, dien de alruin, als hij uit den grond
getrokken wordt, uitstoot. De Alruin- of Tooverwortel, (Mandragora
officinalis) het tooverkruid van Circe, is een plant uit de familie
der Solaneën (waartoe ook de Aardappel, de Belladonna, Spaansche
peper, alsmede de Doornappel, het Bilzenkruid en de Tabaksplant
behooren), die in den omtrek der Middellandsche Zee en vooral in
Griekenland voorkomt. Zij is sterker vergiftig dan de Belladonna
en werd vroeger ook als geneesmiddel gebezigd, vooral echter
als toovermiddel. De groote, knolvormige wortel is vaak van het
midden af gespleten en heeft dan, vooral als de kunst wat helpt,
eenigszins de gedaante van den mensch, zoodat Columella haar een
planta semihominis (halfmensch-plant) noemde. Het bezit van een alruin
bracht geluk aan. Zulke geluksmannetjes werden zorgvuldig bewaard,
prachtig aangekleed, op bepaalde tijden met wijn of water gewasschen,
enz. Zij konden de hardnekkigste kwalen genezen, twisten doen eindigen,
vrouwen de weeën verlichten, en ook geld aanbrengen. Zij worden duur
verkocht en het verhaal liep, dat zij, als zij uit den grond getrokken
werden, zóó ontzettend schreeuwden, dat de mensch, die het hoorde,
van schrik plotseling stierf of krankzinnig werd, en dat men dus zorg
moest dragen zijn ooren vooraf met was dicht te stoppen, en liefst het
uittrekken door een hond, aan wiens staart de plant bevestigd werd,
moest laten doen.
IV. 5. 6. Graaf Paris zet zijn rust op 't spel. In het oorspronkelijke
is hier een woordspeling: rest beteekent ook de overblijvende kaarten
zoowel als "rust"; to set up his rest wil dus ook zeggen: alles op
het spel zetten.
IV. 5. 128. Is 't hart van zware zorgen krank enz. Dit is het begin
van een gedicht van Richard Edwards, dat in een bundel The Paradise of
Dainty Devises voorkomt.--In dit gesprek komen allerlei woordspelingen
voor, zooals blijkt; crochet bv. reg. 120 beteekent te gelijk kwartnoot
en gril.
V. 1. 43. Een krokodil. Een opgezette alligator en dergelijke
dingen behoorden in Sh.'s tijd tot de onmisbare versiersels eener
apotheek. Het woord schappen in reg. 44, misschien niet allen lezers
bekend, beteekent planken van een kast.
V. 2. 5. Ik zocht mij tot geleide een barvoetsbroeder. Sh. vond
in Brooke's gedicht, dat de monniken in Italië niet alléén, maar
steeds door een ander vergezeld uitgingen.--De wacht der stad in
reg. 8 bedoelt de gezondheidspolitie in tijden van pest, zooals èn
uit Brooke's gedicht èn uit Painter's novelle blijkt.
V. 3. 203. Die dolk, ach, is verdwaald, want zie, zijn huis rust ledig
op den rug van Montague. De dolken werden vroeger op den rug gedragen.
V. 3. 296. O, broeder Montague, reik mij uw hand. De verzoening der
beide vijandige huizen is het treffend, bevredigend en noodzakelijk
besluit van het treurspel. Welk gewicht de dichter zelf hieraan
hechtte, kan uit den proloog blijken. Dezen bij de opvoering van
het stuk weg te laten, gelijk maar al te dikwijls geschiedt, is een
verminking, die den waren aard van het treurspel miskent.