VIJFDE TOONEEL.

Julia's kamer. Julia op haar bed.

De Voedster komt op.

VOEDSTER. Hé jonkvrouw!--jonkvrouw!--Julia!--Nu, die slaapt!

Mijn duif je!--kom toch, jonkvrouw!--Foei, gij slaapster!--

Mijn hartje!--Hoor toch, jonkvrouw!--Kom toch, bruidje!--

Hoe is 't? Geen woord?--Wel, wel, ge slaapt vooruit

Wel voor een week;--nu, nu, de nacht, die komt,

Zet wis graaf Paris wel zijn rust op 't spel,

Dat gij uw rust niet hebt.--Wel, God vergeev' me!

Waarachtig; zie eens! nu, die slaapt gezond!

Maar wakker moet ze.--Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!

Zoo straks verrast de graaf u nog in bed;

Dan springt gij op met schrik.--Hoe is 't, nog niet?--

(Zij slaat de gordijnen open.)

Wat! aangekleed! en zoo gekleed gaan liggen!

Ik moet u wekken. Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!

O God! wat is dat? help, help, help! ze is dood!

O dag van ramp! o ware ik nooit geboren!--

Een hartversterking, ach!--O graaf! gravin!

(Gravin Capulet komt op.)

GRAVIN CAPULET. Wat is dat hier?

VOEDSTER. O jammervolle dag!

GRAVIN CAPULET. Wat is er dan?

VOEDSTER. Zie, zie! O, dag van ramp!

GRAVIN CAPULET. Wee mij! wee mij! Mijn kind, mijn eenig leven!

Herleef! zie op, of ik, ik sterf met u!

Hulp, hulp! Roep hulp!

(Capulet komt op.)

CAPULET. Wel foei! Breng Julia toch! haar man is daar.

VOEDSTER. Ze is dood, gestorven, dood; o dag van wee!

GRAVIN CAPULET. O dag van wee, ze is dood, ze is dood, ze is dood!

CAPULET. Wat! Laat mij zien! Helaas, 't is uit! ze is koud!

Haar bloed staat stil, haar leden zijn verstijfd,

Dien lippen is het leven lang ontvloden!

De dood ligt op haar, als een booze nachtvorst

Op 't schoonste, geurigst bloempje van het veld.

VOEDSTER. O jammervolle dag!

GRAVIN CAPULET. O tijd van wee!

CAPULET. De dood, die haar geroofd heeft tot mijn jammer,

Verstijft mijn tong en laat geen klacht mij toe.

(Broeder Lorenzo en Paris komen op, door muzikanten vergezeld.)

LORENZO. Komt, is de bruid gereed ter kerk te gaan?

CAPULET. Gereed tot gaan, om nimmer weer te keeren.--

O zoon, de nacht voor uwen huwlijksdag

Nam haar de dood tot gade. Zie, daar ligt zij;

Een schoone bloem, ontbladerd door den dood.

Mijn schoonzoon is de dood; de dood beërft mij,

Als man van mijne dochter. Sterven wil ik;

Mijn lijf, mijn have en goedren erv' de dood.

PARIS. Hoopte ik zoo lang dit morgenrood te zien,

En geeft het zulk een jammer mij te aanschouwen?

GRAVIN CAPULET. O vloekdag, rampvol, aaklig, zwart, verfoeilijk!

Onzaligst, bitterst uur, dat ooit de tijd

Aanschouwd heeft op zijn langen pelgrimstocht!

Slechts één, één arm, één arm, beminnend kind,

Één enkel wezen voor mijn vreugde en troost,

En dat heeft mij de wreede dood ontrukt!

VOEDSTER. O jammer-, jammer-, jammervolle dag!

O dag van jammer, dag van 't diepste wee,

Zooals ik nimmer, nimmer heb gezien!

O dag, o dag, o dag, o vloekb're dag!

Nooit werd een dag, zoo zwart als deze, aanschouwd;

O dag van wee, o dag van wee!

PARIS. Misleid, beroofd, gehoond, gekrenkt, vernietigd!

Vloekwaarde, booze dood, door u misleid;

Door u zoo wreed, zoo wreed ter neer geveld!

O liefde, o leven!--Neen, geen leven meer,

Slechts liefde nog, den dood gewijd!

CAPULET. Veracht,

Gehaat, tot smaad gedoemd, gemarteld, dood!

Onzaal'ge dag, waarom verreest ge alleen

Om 't plechtig feest te niet, te niet te doen?--

O kind, o kind!--Mijn ziel, en niet mijn kind!--

Dood zijt ge, dood!--Helaas, mijn kind is dood!

Mijn vreugd zinkt mèt haar in der aarde schoot!

LORENZO. Stil, schaamt u! stil! Dit heilloos jamm'ren schenkt

Geen troost in 't leed. Gij deeldet met den hemel

Deze engel; nam de hemel haar geheel,

Het heerlijkst lot viel aan uw kind ten deel.

Gij kondt ùw deel niet veil'gen voor den dood,

De hemel schenkt zijn deel onsterflijkheid.

Haar te verheffen was uw hoogste doel;

Uw hemel was 't, verheven haar te zien,

En weent gij, nu gij haar verheven ziet,

Hoog boven wolken, ja ten hemel zelf?

Verkeerde liefde wijdt ge uw kind; uw leed

Is redeloos, nu gij haar zalig weet!

Een lange trouw is niet de beste trouw;

Die vroeg den hemel trouwt, heeft nooit berouw.

Wischt dan uw tranen! siert dit schoone lijk

Met rosmarijn, en brengt haar naar 's lands wijs

In 't schoonste feestgewaad ter kerke heen;

Want dwing' natuur in 't leed ons tranen af,

De rede noemt die plenging dwaas, ja, laf.

CAPULET. Ach, al wat tot het feest was voorbereid,

Wordt thans de tolk van onze treurigheid;

't Blij snarenspel wordt romm'lend klokgebrom,

De bruiloftsdisch een droevig doodmaal nu,

De jubellied'ren sombre grafgezangen,

De bruidskrans dient tot tooiing van een lijk,

En alles is in 't tegendeel verkeerd.

LORENZO. Heer, thans van hier;--en volg gij, eedle vrouw!--

Ook gij, graaf Paris;--maak' zich elk gereed,

Deez' schoone doode naar het graf te volgen.

De hemel straft hier wis een booze daad;

Tergt hem niet meer en eert zijn hoogen raad.

(Capulet, Gravin Capulet, Paris en Lorenzo af.)

EERSTE MUZIKANT. Op mijn woord, wij kunnen onze instrumenten wel

inpakken, en aftrekken.

VOEDSTER. Ja, goede lieden, pakt maar in, pakt in;

Gij ziet het zelf, 't is treurig met dit huis.

(De Voedster af.)

EERSTE MUZIKANT (op het foedraal van zijn instrument wijzende). 't

Wordt tijd voorwaar, dit huis weer op te lappen.

(Peter komt op.)

PETER. Muzikanten, o muzikanten; speelt toch eens: "Schep vreugde in

't leven!" O! als ge wilt, dat ik 't leven heb, speelt dan: "schep

vreugde in 't leven!"

Romeo en Julia · 第 34 / 41 题