PETER. Ach muzikanten, omdat mijn hart zelf speelt: "Breek, breek
mijn hart, van 't wee!" O speelt mij eens een vroolijke weeklacht om
mij wat op te beuren.
EERSTE MUZIKANT. Niets van weeklacht, 't is nu geen tijd van spelen.
PETER. Ge wilt dus niet?
MUZIKANTEN. Neen.
PETER. Daar zult ge voor hebben!
EERSTE MUZIKANT. Wat wilt ge geven?
PETER. Geen geld voorwaar, maar een naam: ik noem je stomme muzikanten.
EERSTE MUZIKANT. En wij jou een stomme' knecht.
PETER (zijn koksmes trekkend). En dan bespeel ik je met dezen
strijkstok, tot je geluid geeft; je zult wel merken, ik heb wel noten
op mijn zang, ik zal je mifasollen, heele maat!
EERSTE MUZIKANT. Als je met ons sollen wilt, dan staat hier je maat!
TWEEDE MUZIKANT. Kom, pak dat scherp stuk ijzer maar weer in, en wat
geest uit.
PETER. Past dan maar op voor mijn geest. Ik zal je steken met mijn
scherpen geest en mijn stuk ijzer weer opsteken. Geeft mij nu antwoord
als mannen:
"Is 't hart van zware zorgen krank,
En droef en dof 't gemoed,
Muziek maakt met haar zilverklank"--
Waarom "muziek met haar zilverklank?"--
Wat zeg jij, Simon Kattesnaar?
EERSTE MUZIKANT. Wel, man, omdat zilver een liefelijken klank heeft.
PETER. Lorrepraat!--Wat zeg jij, Hans Strijkstok?
TWEEDE MUZIKANT. Ik zeg "zilverklank", omdat muzikanten voor zilver
spelen.
PETER. Al even mooi.--Wat zeg jij, Kobus Windkast?
DERDE MUZIKANT. Och, ik weet waarachtig niet, wat ik zeggen zal.
PETER. 't Is waar ook, jij bent de zanger van 't gezelschap, en
daarom zal ik voor je spreken. Het is "muziek met haar zilverklank,"
omdat muzikanten geen goud kunnen laten klinken;
"Muziek maakt met haar zilverklank
Met spoed weer alles goed."
(Peter af.)
EERSTE MUZIKANT. Wat een giftige schavuit is dat!
TWEEDE MUZIKANT. De nikker haal' hem!-- Kom, laat ons hier binnengaan,
en op de rouwklagers wachten, en zien, of er niets te smullen valt.
(Allen af.)