VIERDE TOONEEL.

Een zaal in Capulet's huis.

Gravin Capulet en de Voedster komen op.

GRAVIN CAPULET. Hier, neem de sleutels, haal nog specerijen.

VOEDSTER. Voor de pasteien zijn nog dadels noodig,

En kweeën ook.

(Capulet komt op.)

CAPULET. Kom, vlug, vlug! vlug! daar is

Het tweede haangekraai al. Hoor, daar luidt

Het morgenklokje reeds. Het is drie uur.

Angelica, kijk gij naar de pasteien;

Geen geld gespaard!

VOEDSTER. Kom, keukenklauwer, ga!

Ga liever slapen; morgen zijt gij ziek

Van 't waken van deez' nacht.

CAPULET. Neen, neen, geen nood;

'k Heb vroeger vaak een heele nacht gewaakt,

Als 't minder noodig was; en 't deed mij niets.

GRAVIN CAPULET. Ja, ja, ge hieldt wel van een maanschijnjacht;

Maar 'k waak wel, dat ge thans zoo niet meer waakt.

(Gravin Capulet en de Voedster af.)

CAPULET. Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?

(Bedienden met braadspitten, houtblokken en manden komen op.)

Hé knaap!

Wat hebt ge daar?

EERSTE BEDIENDE. 't Is voor den kok, heer, maar ik weet niet wat.

CAPULET. Maak voort, maak voort!

(Eerste Bediende af.)

Gij knaap, haal droger blokken;

Laat Peter u maar wijzen, waar ze zijn.

TWEEDE BEDIENDE. 'k Ben, heer, wel slim genoeg om zelf de blokken

Te vinden, en 'k laat Peter maar met rust.

(Bediende af.)

CAPULET. Nu, bij mijn ziel, wilt gij zoo'n slimmerd zijn,

Dan maak ik u tot blokkersbaas!--'t Is dag;

Zoo daadlijk komt de graaf hier met muziek;

Zoo, zei hij, was zijn plan.--

(Muziek buiten.)

Ik hoor hem al.--

Hé, minne! vrouw! kom hier! hé, minne, kom!

(De Voedster komt op.)

Ga Julia roepen, tooi haar op als bruid.

Ik ga wat keuvlen met graaf Paris.--Vlug!

Maak spoed, maak spoed! De bruîgom is er al;

Maak spoed, zeg ik.

(Beiden af.)

Romeo en Julia · 第 33 / 41 题