Julia's kamer.
Julia en de Voedster komen op.
JULIA. Ja, dit kleed is het best; maar, lieve min,
Laat, bid ik u, mij deze nacht alleen;
Want ik behoef wel meen'ge bede, opdat
De hemel vriendlijk op mijn toestand blikk',
Die, als ge weet, verkeerd is en vol zonde.
(Gravin Capulet komt op.)
GRAVIN CAPULET. Hoe, zoo bedrijvig nog? kan ik u helpen?
JULIA. Neen, moeder, alles is gereed gelegd,
Wat voor mijn kerkgang morgen wordt vereischt;
Wees slechts zoo goed en laat mij nu alleen,
En laat deez' nacht de voedster met u waken,
Want gij hebt zeker wel uw handen vol
Bij zulk een haastig huw'lijk.
GRAVIN CAPULET. Goede nacht!
Ga gij te bed, neem rust; dat hebt ge noodig.
(Gravin Capulet en de Voedster af.)
JULIA. Vaarwel!--God weet, wanneer we elkander weêrzien.--
Door de aad'ren rilt me een matte, killende angst,
Die 's levens warmte schier bevriezen doet;
Ik roep haar weer tot stilling van mijn vrees.
Hé, voedster!--Maar waartoe?
Mijn schrikb're taak moet ik alleen voleinden.--
Kom, fleschje!--
Maar hoe, als deze drank geen werking had?
Moet ik volstrekt dan morgenochtend huwen?
Neen; gij belet dit, gij; lig daar gereed.
(Zij legt een dolk bij zich neêr.)
Doch, als het eens vergift was, dat de monnik
Arglistig had bereid, opdat ik sterve,
En hij door dezen echt niet worde onteerd,
Wijl hij mij eerst met Romeo verbond?
Ik vrees het; en toch, dunkt mij, 't kan niet zijn;
Hij is beproefd, bleek steeds een heilig man.--
Maar hoe, wanneer ik, in het graf gelegd,
Ontwake vóór den tijd, dat Romeo
Mij komt bevrijden? welk ontzettend lot!
Zal ik dan niet versmoren in 't gewelf,
Welks giftmond nimmer zuivre lucht doorstroomt,
Den stikdood sterven, eer mijn Romeo komt?
Of, leef ik al, is 't niet waarschijnlijk, dat
Het huivringwekkend beeld van dood en nacht,
Vereend met al de afgrijslijkheid der plaats,--
Dat grafgewelf, dat oud verblijf des doods,
Waar, al zoo menig honderd jaar, 't gebeent'
Van heel mijn voorgeslacht is opgehoopt;
Waar Tybalt, bloedig, pas aan de aard vertrouwd,
In zijne wâ vergaat; waar, zoo men zegt,
Des nachts op sommige uren geesten waren;--
Wee, wee mij, is het niet waarschijnlijk, dat
Ik, vroeg ontwakend, in die pestlucht, bij
Gekrijsch als van alruinen, de aard ontscheurd,
Dat levenden, die 't hooren, zinloos maakt,--
O, zal 'k, ontwakend, niet verbijsterd zijn,
Omringd van al die aak'ligheid en schrik,
En zinloos spelen met eens grootvaârs rif,
En Tybalts lichaam plukken uit zijn wâ;
En mij, zoo razend, met eens voorzaats knook,
Als met een knots, 't arm brein te pletter slaan?
O, zie! daar is 't me, als zie ik Tybalts geest!
Hij zoekt mijn Romeo, die met een zwaard
Hem heeft gespietst!--Sta, Tybalt! weg! ik gruw!--
Romeo, ik kom! Deez' dronk wijd ik aan u.
(Zij werpt zich op haar bed.)