TWEEDE TOONEEL.

Een kamer in Capulet's huis.

Capulet, Gravin Capulet, de Voedster en twee Bedienden komen op.

CAPULET. Ga, neem deez' lijst en noodig al die gasten.

(Bediende af.)

Gij, huur me een twintigtal bekwame koks.

TWEEDE BEDIENDE. Ik zal zorgen, heer, dat er geen enkele slechte onder

loopt, want ik zal zien, of ze hun vingers wel goed kunnen aflikken.

CAPULET. Waartoe moet die proef dienen?

TWEEDE BEDIENDE. Wel, heer, het zeggen is, dat het een slechte kok is,

die zijn eigen vingers niet kan aflikken; daarom, die dit niet kan,

daar wil ik niets van weten.

CAPULET. Ga, maak voort.

(Bediende af.)

De tijd is kort, wij komen nauw'lijks klaar.--

Zeg, is mijn dochter naar Lorenzo toe?

VOEDSTER. Ja zeker, heer.

CAPULET. Nu, 'k hoop dan maar, dat zijn vermaan wat helpt;

Zij is een eigenzinnig, luimig ding.

(Julia komt op.)

VOEDSTER. Daar komt zij van de biecht en welgemoed.

CAPULET. Hoe is 't, mijn stijfkop? Waar hebt gij gezworven?

JULIA. Waar 'k leerde door berouw de schuld te boeten,

Dat ik halsstarrig weerstand bood aan u

En uw gebod; en waar de heil'ge man

Mij heeft gelast, geknield, heer, u vergiff'nis

Te vragen.--Schenk vergeving, smeek ik u;

Voortaan vindt gij mij steeds een volgzaam kind.

CAPULET. Een boodschap naar den graaf! bericht hem dit;

En morgen vroeg zij nu de knoop gelegd.

JULIA. Den jongen graaf ontmoette ik bij Lorenzo,

En heb hem zooveel minzaamheid getoond,

Als met de zedigheid bestaanbaar is.

CAPULET. Dat hoor ik gaarne; nu 't is goed; sta op;

Zoo moet het zijn!--Ik wil den graaf nu spreken;

Kom, ga dan, zeg ik, ga toch, haal hem hier.--

Bij God, die eerbiedwaarde, heil'ge vader

Heeft heel de stad ten zeerste aan zich verplicht.

JULIA. Kom, voedster, ga nu mede, naar mijn kamer,

En help mij bij de keuze van den tooi,

Dien gij op morgen 't beste voor mij acht.

GRAVIN CAPULET. Neen, Donderdag is 't eerst, er is geen haast.

CAPULET. Ga, voedster, mee; 't is morgen; dan ter kerk.

(Julia en de Voedster af.)

GRAVIN CAPULET. 't Is veel te kort om alles te beschikken,

Zie, de avond valt!

CAPULET. Stil, laat mij maar begaan;

't Zal alles klaar zijn, vrouw, ik sta u borg.

Ga gij naar Julia, help haar aan haar kleeding.

'k Ga niet naar bed van nacht; laat mij begaan,

'k Wil nu ook eens voor huisvrouw spelen.--Hé!--

Wat! allen weg!--Dan zal ikzelf graaf Paris

Gaan zeggen, dat hij zorg' gereed te zijn

Op morgen vroeg.--Het is me een steen van 't hart,

Nu zoo dat koppig ding tot inkeer kwam.

(Beiden af.)

Romeo en Julia · 第 31 / 41 题