De cel van broeder Lorenzo.
Broeder Lorenzo en Paris komen op.
LORENZO. Op Donderdag? voorwaar, dat is kort dag.
PARIS. Zoo wil 't mijn vader Capulet, en ik
Ben niet zoo koel, dat ik zijn spoed vertraag.
LORENZO. Gij weet niet, zegt ge, hoe de jonkvrouw denkt;
De weg is ongebaand, 't bevalt mij niet.
PARIS. Ze weent onmatig over Tybalts dood,
En daarom sprak ik weinig nog van liefde;
Want Venus glimlacht niet in 't huis der tranen.
Maar wijl haar vader er gevaar in ziet,
Dat zij aldus haar droefheid heerschen laat,
Verhaast hij in zijn wijsheid onzen echt,
Om zoo dien tranenvloed te stuiten, die,
Door 't eenzaam leven al te zeer gevoed,
Gekeerd zal worden door gezelligheid;--
Nu weet gij de oorzaak van deez' haast.
LORENZO (ter zijde). Wist ik
Den grond maar niet, die hier vertraging eischt!
(Luid). Zie, graaf, daar treedt de jonkvrouw in mijn cel.
(Julia treedt binnen.)
PARIS. Wat schoone ontmoeting, mijn geliefde bruid!
JULIA. Schoon zal 't eerst zijn, begroet ik u als bruid!
PARIS. Zoo groeten wij toch Donderdag elkaâr.
JULIA. Wat moet zijn, zal zijn.
LORENZO. Dat is altijd waar.
PARIS. Komt gij ter biecht bij deez' eerwaarden man?
JULIA. Zeide ik U dit, ik kwam bij u ter biecht.
PARIS. Verzwijg het hem niet, dat gij mij bemint.
JULIA. Aan u belijde ik, dat ik hem bemin.
PARIS. En zeker hem ook, dat ge mij bemint.
JULIA. Als ik dit doe, stel 't zeer op prijs; ik spreek
Dan achter uwen rug, niet in 't gezicht.
PARIS. Ach! uw gezicht heeft van geween geleden.
JULIA. Een kleine zege voor mijn tranen; 't was,
Aleer zij zoo het schonden, niet veel waard.
PARIS. Die smaad is erger schennis, dan die tranen.
JULIA. De waarheid, graaf, kan nimmer schennis zijn;
En 'k smaalde daar mijzelf in 't aangezicht.
PARIS. 't Gezicht, dat gij zoo smaadt, is mijn gezicht.
JULIA. 't Zou kunnen zijn, 't is van mijzelve niet.--
Kom ik u, heil'ge vader, thans gelegen,
Of zal ik keeren tegen vespertijd?
LORENZO. 'k Heb thans wel tijd voor u, bezwaarde dochter.--
Ik bid u, eedle graaf, laat ons alleen.
PARIS. Verhoede God, dat ik uw vroomheid stoor!
Ik wek u, Julia, Donderdag reeds vroeg;
Zoolang vaarwel; en neem deez' heil'gen kus!
(Paris kust haar de hand en gaat heen.)
JULIA. O, sluit de deur, en dan, o ween dan met mij!
't Is alles uit, geen hulp, geen heil, geen hoop!
LORENZO. Ach Julia, 'k weet uw leed alreeds; het maakt
Mijzelf verward, verbijsterd, radeloos;
Ik hoor, gij moet,--en niets vertraagt dit meer,--
Op Donderdag gehuwd zijn met den graaf.
JULIA. Zeg, vader, niet, dat gij dit hebt gehoord.
Of zeg mij ook, hoe ik 't verhoeden kan.
En als uw wijsheid mij geen redding weet,
Erken dan slechts, wat ik besloot, als wijs,
En 'k help terstond mijzelve met dit staal.
God voegde Romeo's hart en 't mijne saam,
Gij onze handen; en eer deze hand,
Die gij gezegeld hebt aan Romeo,
Zich aan een ander echtverbond laat zeeg'len,
Of mijn trouw hart verraad pleegt, van hem afvalt,
Zich naar een ander keert, doodt dit die beide.
Dus geef, uit uw veeljarige ondervinding,
Mij snellen raad; of anders zij dit staal
Scheidsrechter tusschen 't dreigend lot en mij;
't Beslechte, wat uw wijsheid en ervaring
Niet tot een eervolle uitkomst brengen kan.
Spreek bondig, snel; gewenscht is mij de dood,
Brengt, wat gij spreekt, geen redding in mijn nood.
LORENZO. Hoû op, mijn dochter, 'k speur een zweem van hoop;
Maar ze eischt een hand'ling zoo wanhopig, als
De wanhoop is, die gij te ontkomen wenscht.
Hebt gij de kracht van wil, dat ge eer uzelf
Den doodsteek geeft, dan dat gij Paris huwt,
Dan biedt ge ook wel den schijn des doods de hand,
Keert gij daardoor deez' smaadheid van u af,
Gij, die in de' arm des doods haar wilt ontgaan.
Hebt gij dien moed, dan bied ik 't middel aan.
JULIA. O, zeg mij, liever dan den graaf te huwen,
Een sprong te doen van gindschen torentrans;
Zend mij, waar roovers loeren, slangen sissen,
Of keten mij aan woeste beren vast;
Of sluit mij op, 's nachts, in een knekelhuis,
Rondom door ramm'lend doodsgebeent' bedolven,
Door bruine schenkels, kakelooze schedels;
Of doe mij in een pas gedolven graf,
Mij hullen met een lijk in 'tzelfde kleed,--
Ja, al waarvan 't verhaal mij siddren deed,
Ik zal het zonder vrees of weifling doen,
Om de onbevlekte gâ mijns liefs te blijven.
LORENZO. Welaan, ga welgemoed naar huis, en stem
In de' echt met Paris toe. 't Is morgen Woensdag;
Draag zorg, de nacht, die volgt, alleen te zijn;
Uw voedster slaap' dan niet in uw vertrek.
Neem dan dit fleschje, als gij te bedde ligt,
En drink dit vocht, van kruidensap bereid.
Onmidd'lijk zal een kille slaap'righeid
Door al uw aad'ren stroomen; iedre pols
Verflauwt, staat stil; geen warmte of adem tuigt,
Dat gij nog leeft; het rood van wang en lip
Wordt grauw als asch; het luik der oogen valt,
Als sloot de dood den dag des levens af.
Elk lid, van buigingskracht beroofd, wordt stijf
En strak en koud, als door de hand des doods.
En zulk een schijnbeeld van den killen dood
Verblijft gij twee en veertig uren lang;
Dan zult ge ontwaken als uit zoeten slaap.
Verschijnt des morgens dus uw bruidegom,
En wekt hij u tot de' echt, dan zijt ge dood;
En, naar 's lands wijze, wordt gij op de baar
In uwe schoonste kleedren, onbedekt,
Gedragen naar datzelfde aloud gewelf,
Dat heel 't geslacht der Capulets omsluit.
Omstreeks den tijd, dat gij ontwaken zult,
Zal Romeo, wien 'k alles schrift'lijk meld,
Hierheen zich spoeden; samen wachten wij
't Ontwaken af, en nog die eigen nacht
Geleidt hij u van hier naar Mantua.
Dit redt u van den smaad, die u bedreigt,
Als niet door wankelheid of vrouwlijke angst
Uw kloeke moed in 't handlen zelf bezwijkt.
JULIA. O, geef toch, geef; spreek niet tot mij van angst.
LORENZO. Neem 't dan, en ga. Volhard in uw besluit;
Dan wacht u heil. Een kloosterbroeder brengt
Terstond mijn brief naar uwen gade heen.
JULIA. Dat liefde kracht, en kracht mij hulp verleen!
Vaarwel, eerwaarde vader!
(Beiden af.)