Een kamer in Capulet's huis.
Capulet, Gravin Capulet en Paris komen op.
CAPULET. Het liep hier alles tegen, vriend; er was
Geen tijd om bij mijn dochter aan te dringen;
Ziet gij, zij was aan Tybalt zeer gehecht;
Ik ook;--maar sterven is ons aller lot.--
't Is laat, zij komt van avond niet beneden;
En 'k moet ook zeggen, zonder uw bezoek
Ware ik al voor een uur ter rust gegaan.
PARIS. Deez' tijd van rouw is wis geen tijd van trouw;--
Dus goede nacht, gravin; ik bid u, spreek
Een woord te mijnen gunste bij uw dochter.
GRAVIN CAPULET. 'k Zal morgen peilen, hoe ze er over denkt.
Deze' avond sloot ze met haar smart zich op.
CAPULET. Graaf, 'k waag 't voor Julia's jawoord in te staan;
Ik denk, ze doet in alles naar mijn wensch,
Ja meer, ik twijfel zelfs geen oogenblik.
Ga tot haar, vrouw, eer ge u ter rust begeeft,
Bericht haar, hoe zoon Paris haar bemint,
En zeg haar, dat, let wel, aanstaanden Woensdag,--
Maar stil, wat is 't vandaag?
PARIS. 't Is Maandag, heer.
CAPULET. Maandag, o ja. Neen, Woensdag is te kort;
Maar Donderdag,--ja, zeg haar, Donderdag
Treedt zij in 't huwlijk met deze' eed'len graaf.--
Zijt gij bereid? en is die haast u welkom?
Wij vieren 't onder ons;--een vriend of twee;--
Want, ziet ge, Tybalt is zoo pas vermoord,
En vierden wij 't met praal, licht zou men denken,
Dat onze neef ons onverschillig was.
Wij vragen dus een zes of zeven vrienden,
En daarmeê uit.--Is Donderdag u goed?
PARIS. O 'k wenschte, morgen ware 't Donderdag.
CAPULET. Goed, afgesproken;--'t blijft dus Donderdag.--
Ga, vrouw, naar Julia, voor gij slapen gaat;
Bereid haar op den huwlijksfeestdag voor.--
Vaarwel dus!--Hé, brengt licht in mijn vertrek!--
O foei, 't is meer dan laat; het is bijna
Weer vroeg te noemen. Nogmaals, goede nacht.
(Allen af.)