VIJFDE TOONEEL.

De kamer van Julia.

Romeo en Julia komen op.

JULIA. Wilt gij reeds gaan? Het is nog lang geen dag;

Het was de nachtegaal, de leeuwrik niet,

Wiens schelle stem in 't angstig oor u drong;

Op dien granaatboom zingt hij elke nacht.

Geloof me, lieve, 't was de nachtegaal.

ROMEO. Het was de leeuwrik, 's daag'raads bode, en niet

De nachtegaal; zie, lieve, daar in 't oost,

Wat booze strepen 't scheurend zwerk omzoomen;

De nacht heeft lang haar kaarsen opgebrand,

En vroolijk gluurt, hoog op de teenen staand,

De dag daar van der bergen neveltoppen;

Ik moet nu gaan en leef, of blijf en sterf.

JULIA. Dat is geen daglicht daar, ik weet het, ik;

't Is een verheev'ling, uit de zon gevloeid,

Die u deez' nacht tot fakkeldrager zij,

En voorlichte op uw weg naar Mantua;

O toef dus nog; uw heengaan heeft nog tijd.

ROMEO. Men grijp' mij dan, en leide mij ter dood;

't Is ook mijn keuze, als gij het zoo verlangt.

Neen, dat is niet het stralend oog des morgens,

Maar bleeke weerglans van 't gelaat der maan;

't Is 't lied des leeuwriks niet, dat boven ons

Hoog aan 't gewelf des hemels wordt weerkaatst;

O zalig blijven! bitter is 't vaarwel;--

Wees welkom, dood! 't is Julia's bestel.--

Kom, liefste! een zoet gesprek! het daagt nog niet.

JULIA. Het daagt, het daagt! spoed, spoed u heen en vlied!

't Is wel de leeuwrik, die zoo snerpend valsch

Met scherpe keel zijn schrille trillers gilt;

Men zegt wel, dat de leeuwrik lieflijk zingt,

Maar deze niet, die schettert ons vaneen;

Men zegt, dat pad en leeuwrik de oogen ruilden;

O! hadden zij van stem dan ook geruild,

Daar toch die stem u uit mijn armen wringt,

En als een jachtkreet u tot vluchten dringt!--

O, ga nu; licht en lichter wordt de morgen!

ROMEO. Licht, lichter! zwart en zwarter onze zorgen!

(De Voedster komt op.)

VOEDSTER. Jonkvrouw!

JULIA. Wat is er, minne?

VOEDSTER. Uw moeder is op weg naar dit vertrek;

Wees op uw hoede; zie, de dag breekt aan.

(De Voedster af.)

JULIA. Laat, venster, 't licht dan binnen, 't leven gaan.

ROMEO. Vaarwel, vaarwel! één kus nog, ik moet heen!

(Hij daalt af.)

JULIA. Mijn vriend, mijn gâ, mijn ziel! ik blijf alleen;

O, zend mij tijding iedren dag van 't uur,

Want één minuut omsluit wel meen'gen dag;

En naar die reek'ning ben ik hoogbejaard,

Eer ik u wederzie, mijn Romeo.

ROMEO. Vaarwel! Zoodra 'k de mooglijkheid bevroed,

En telkens, liefste, zend ik u mijn groet.

JULIA. O, zeg, gelooft gij aan ons wederzien?

ROMEO. O, 'k twijfel niet, en in de toekomst is

't Geleden wee ons stof tot zoet gesprek.

JULIA. O God! een voorgevoel beklemt mijn hart!

Nu gij beneden staat, nu is 't me, als zag ik

U dood, daar in de diepte van een graf;

Bedriegt mijn oog mij niet, dan ziet gij bleek.

ROMEO. Zoo komt ook gij mij voor. Ja, zielsverdriet

Drinkt, liefste, ons bloed. Vaarwel, vaarwel, en vlied!

(Romeo af.)

JULIA. Fortuin, fortuin! een ieder noemt u wuft!

En zijt gij wuft, wat doet ge dan met hem,

Die zich getrouw betoont? Wees wuft, Fortuin,

Dan hoop ik, houdt gij hem niet lang, maar geeft

Hem dra mij weer.

GRAVIN CAPULET (achter het tooneel). Hé, Julia, zijt gij op?

JULIA. Wie roept mij daar? is 't niet mijn moeders stem?

Is zij nog niet ter rust, of zoo vroeg op?

Wat ongewone reden voert haar hier?

(Gravin Capulet komt op.)

GRAVIN CAPULET. Wat is er, Julia?

JULIA. Moeder, 'k ben niet wel.

GRAVIN CAPULET. Beweent ge steeds den dood nog van uw neef?

Al wiescht gij hem met tranen uit zijn graf,

Toch riept ge hem in 't leven niet terug;

Bedwing u dus; gepaste rouw toont liefde,

Maar te veel rouw toont mangel aan verstand.

JULIA. O laat mij weenen om mijn grievend leed!

GRAVIN CAPULET. Te dieper grieft u 't leed, maar 't roept den vriend,

Dien gij beweent, niet weer.

JULIA. Het grieft te diep;

Ik kan niet anders dan den vriend beweenen.

GRAVIN CAPULET. 't Is minder, kind, zijn dood, dien gij beweent,

Dan dat de schurk nog leeft, die hem versloeg.

JULIA. Gij zegt, die schurk?

GRAVIN CAPULET. Ja, Romeo, die schurk.

JULIA (ter zijde). Een schurk en hij, wat hemelsbreed verschil!--

(Luid.) Vergeev' hem God! ik doe 't met heel mijn hart;

En toch, geen man wondde ooit als hij mijn hart.

GRAVIN CAPULET. 't Is enkel, dat die schelmsche moorder leeft.

JULIA. En waar deze arm hem niet bereiken kan!--

O! wierd aan mij alleen de wraak vertrouwd!

GRAVIN CAPULET. De wraak zal ons geworden, wees getroost

En ween niet langer zoo. Ik vind wel iemand

In Mantua, waar de verworp'ling leeft,

Die zulk een ongewonen dronk hem reikt,

Dat hij weldra met Tybalt samenwoont;

En dan is, hoop ik, uw gemoed voldaan.

JULIA. Voorwaar, dat blijft, wat Romeo betreft,

Steeds onvoldaan, aanschouw ik hem niet--dood--

Doorboord is 't hart mij, om mijn nabestaande!--

Maar hadt gij iemand opgespoord, die hem

Vergif wou reiken, zelf zou ik het mengen,

En zóó, dat Romeo, 't gebruikend, ras

In vrede sliep.--O, schrikk'lijk is 't, zijn naam

Te hooren, en hem niet nabij te zijn,

Om van mijn liefde voor mijn armen neef

Me aan hem te kwijten, die hem heeft gedood.

GRAVIN CAPULET. Vind gij de midd'len;--ik vind wel den man.--

Maar hoor, ik breng u blijde tijding, kind!

JULIA. Bij zooveel druk moet blijdschap welkom zijn.--

Wat blijde tijding brengt mijn moeder mij?

GRAVIN CAPULET. Hoor dan, gij hebt een zorgend vader, kind!

Een, die, om u te ontheffen van uw druk,

Een dag van vreugd u plotsling heeft bereid,

Dien gij niet wachttet, ik niet had voorzien.

JULIA. O zeg, wat is dat, moeder, voor een dag?

GRAVIN CAPULET. Begrijp, mijn kind, aanstaanden Donderdag

Zal u een jong en wakker edelman,

Graaf Paris, in Sint Petrus' dom reeds vroeg

Naar 't altaar leiden, als zijn blijde bruid.

JULIA. Nu, bij Sint Peters dom en Petrus zelf,

Daarheen leidt hij mij niet als blijde bruid.

Wat wonderbare haast! een echt, aleer

De man, dien 'k huwen zou, mijn liefde vroeg!

Ik bid u, moeder, zeg mijn heer en vader,

Dat ik nog niet wil huwen, en, ik zweer 't,

Als ik het doe, nog eerder Romeo

Zou nemen,--en gij weet, hoe ik hem haat!--

Dan Paris.--Nieuws, voorwaar, is 't wat gij meldt!

GRAVIN CAPULET. Daar komt uw vader; deel dit zelf hem mee,

En hoor welk antwoord hij u geven zal.

(Capulet en de Voedster komen op.)

CAPULET. Bij 't ondergaan der zon drupt dauw op de aard;

Bij 't ondergaan des zoons van mijnen broeder

Is 't hier een stortbui.--Wat! nog immer weenend!

Zijt ge een fonteinbeeld, meisje? En telkens weer

Een nieuwe tranenvlaag! Uw nietig lichaam

Speelt hier voor zee en wind en bark meteen;

Uw oogen zijn een ware zee te noemen,

Met tranenvloed en eb; uw lichaam is

De boot, die 't zilte nat bezeilt; uw zuchten

De stormwind, die, met uwe tranen worstlend,

Als zij met hem, 't van storm geslingerd schip

Zal brijz'len, als het weêr niet fluks bedaart.--

Hoe is 't? Hebt ge ons besluit haar meêgedeeld?

GRAVIN CAPULET. Ik deed het, maar ze wil niet, zegt u dank.

O, waar' 't zottinnetje aan haar graf gehuwd!

CAPULET. Wacht, vrouw; spreek duid'lijker, spreek duid'lijker!

Wat! wil zij niet? en zegt zij ons geen dank?

Is zij niet trotsch op zulk een grooten zegen,

Dat hare onwaardigheid zoo'n waardig man

Als bruidegom ontvangt van onze hand?

JULIA. Niet trotsch, maar dankbaar voor uw goeden wil;

Trotsch kan ik nimmer zijn op wat ik haat,

Maar dankbaar, bij dien haat, voor 't liefdrijk doel.

CAPULET. Zie, wat spitsvondig nest! wat praat is dit?

"Trotsch" en "ik dank u" en "ik dank u niet",

En toch "niet trotsch";--hoor! preutsche, kleine heks,

Geen dankjes mij gedankt, geen trots getrotst!

Uw fijne voetjes dragen 't fijne popje

Op Donderdag met Paris naar den dom,

Of op een horde sleep ik u er heen.

Dat blijft zoo; voort, gij bleekneus! voort, gij feeks!

Gij wasgezicht!

GRAVIN CAPULET. Foei, foei, wat raast ge, man!

JULIA. Mijn goede vader, op mijn knieën smeek ik,

Hoor slechts een enkel woord geduldig aan.

CAPULET. Ter helle, jonge feeks! weerspannig ding!

Ik zeg u,--scheer u Donderdag ter kerke,

Of kom mij nimmer weder onder 't oog.

Geen woord, geen tegenspraak, geen antwoord meer!

Mijn vingers jeuken.--Vrouw, wij dachten eens,

Dat ons dit eenig kind ten zegen was;

Nu blijkt, dit eenige is nog één te veel,

En haar bezit is ons een vloek, een vloek!

Verworp'ne, weg!

VOEDSTER. De Hemel zeeg'ne haar!

Heer, 't is niet goed gedaan; vaar zoo niet uit!

CAPULET. Ei zoo, vrouw wijsheid? Wat! Bedwing uw tong;

Bemoeial, snap met uw kornuiten! weg!

VOEDSTER. Ik zeg toch niets, dat kwaad is.

CAPULET. Ga met God!

VOEDSTER. Mag niemand dan iets zeggen?

CAPULET. Zwijg, oud vel!

En kraam uw wijsheid uit bij uws gelijken;

Hier komt ze niet te pas.

GRAVIN CAPULET. Gij zijt te fel.

CAPULET. Gods sacrament! het maakt me dol. Dag, nacht,

Bij tijd en ontijd, spel en arbeid, immer,

Alleen en in gezelschap, was 't mijn zorg

Voor haar een man te vinden; en nu ik

Een edelman van goeden stam, van midd'len,

Heb opgespoord, nog jong, wel opgevoed,

Om zoo te zeggen opgepropt met deugden,

Een man, als ieder meisje wenschen zou,

Nu komt me daar zoo'n voddig, grienend nest,

Zoo'n nuf, nu zij 't geluk voor 't grijpen heeft,

En antwoordt: "neen, ik trouw niet;"--"neen, ik kan

Hem niet beminnen;"--"'k ben te jong;"--"vergeef me!"

Wilt gij geen man, nu goed, mij is het wel;

Graas waar gij wilt, gij huist bij mij niet meer;

Let op; bedenk, dat ik geen scherts versta.

De Donderdag klopt aan; weet wat gij kiest!

Doet gij mijn wil, ik geef u aan mijn vriend;--

Zoo neen: ga, bedel, honger, sterf op straat;

Zoo waar ik leef, verlooch'nen doe ik u,

En niets van 't mijn', dat ooit ten deel u valt;

Bedenk dus wel; en weet, ik staaf mijn eed.

(Capulet af.)

JULIA. Troont in de wolken geen erbarming meer,

Die in de diepte blikt van mijn ellend?--

O, lieve moeder, ach, verstoot mij niet!

Verschuif dit huwlijk nog een maand, een week;

Of, wilt gij dit niet, spreid het bruidsbed mij

In 't sombre grafgewelf, waar Tybalt ligt.

GRAVIN CAPULET. Spreek niet tot mij, ik spreek geen enkel woord;

Doe wat ge wilt, ik heb met u gedaan!

(Gravin Capulet af.)

JULIA. O God!--Spreek, voedster, hoe is dit te keeren?

Mijn gade leeft op aard, mijn trouw bij God!

Hoe keert die trouw naar de aard', tenzij die gâ

Deze aard ontwijke en uit den hemel mij

Mijn trouw terugzend'?--Geef mij troost, geef raad!--

Wee mij! hoe kan de hemel ooit een wezen,

Zoo teer als ik, arglistig zoo belagen?--

Wat zegt gij, voedster? hebt ge niet één woord,

Geen enkel, dat mij opbeurt en vertroost?

VOEDSTER. Voorzeker, hoor slechts: Romeo is verbannen;

En, alles tegen niets, hij komt niet weer,

En eischt u nimmer op;--of waagt hij dit,

Dan is 't ter sluik. Zooals de zaken staan,

Schijnt mij het best, dat gij den Graaf maar trouwt.

't Is een beminn'lijk man, en Romeo

Is er een stoflap bij; een arend, jonkvrouw,

Heeft zulk een schitt'rend, helder, wakker oog

Als Paris niet. Ja, bij mijn zaligheid,

Deez' tweede keus is uw geluk; ze is beter

Dan de eerste was; en, zelfs al waar' 't zoo niet,

Uw eerste man is dood,--zoo goed als dood,

Al leeft hij nog, daar gij niets aan hem hebt.

JULIA. Meent gij dit met uw hart?

VOEDSTER. Met hart en ziel.

God straff' me, als 't zoo niet is.

JULIA. Dan amen!

VOEDSTER. Wat?

JULIA. Voorwaar, gij hebt mij wonderbaar getroost.--

Ga, deel mijn moeder meê: ik ga ter biecht;

Lorenzo wete, hoe 'k mijn vader griefde,

En schenke mij vergiff'nis voor mijn schuld.

VOEDSTER. Ja daad'lijk, gaarne; zie, nu doet ge wijs.

(De Voedster af.)

JULIA. Vloekwaarde heks, verleidster, booze geest!

Is 't grooter zonde, meineed aan te prijzen,

Of mijn gemaal te smaden met die tong,

Die menig duizendmaal als weêrgâloos

Hem heeft geroemd?--Raadgeefster, weg! Voortaan

Een klove tusschen ons!--Nu tot Lorenzo;

Hij is 't alleen, van wien ik raad verwacht;

En is er geen, dan heb ik stervenskracht.

(Julia af.)

Romeo en Julia · 第 28 / 41 题