DERDE TOONEEL.

De cel van broeder Lorenzo.

Broeder Lorenzo en Romeo komen op.

LORENZO. Kom, Romeo, voor den dag, gij man van vrees;

Bekomm'ring klemt verliefd zich aan u vast,

Ellende is u een levensgezellin.

ROMEO. Vader, hoe is 't? wat vonnis sloeg de vorst?

Wat rampspoed is 't, die thans de hand mij grijpt,

En dien ik nog niet ken?

LORENZO. Te veel, mijn zoon,

Zoekt gij den omgang van zoo droeve vrienden;

Ik breng bericht van 't vonnis van den vorst.

ROMEO. Is 't minder, vader, dan het laatst gericht?

LORENZO. Een zachter vonnis vloot hem van de lippen,

Het brengt geen dood, het brengt u ballingschap.

ROMEO. Ha, ballingschap?--Erbarming! zeg mij--"dood"!

Verbanning is verschrikk'lijker van aanblik,

Veel meer dan dood!--o, zeg niet--"ballingschap".

LORENZO. Hier van Verona slechts zijt gij verbannen;

Wees kalm, de wereld toch is ruim en wijd.

ROMEO. De wereld is slechts in Verona's wallen,

Daarbuiten folt'ring, vagevuur, de hel.

Verbannen is verbannen van de wereld;

Die ballingschap is dood;--dus is "verbanning"

De dood, misnoemd. Noemt gij den dood--"verbanning",

Gij houwt mij 't hoofd af met een gouden bijl,

En glimlacht bij den slag, die mij vermoordt.

LORENZO. O zware zonde, o, zwarte ondankbaarheid!

De wet eischt uwen dood; de goede vorst

Erbarmt zich uwer, stoot de wet ter zij,

Verkeert dat woord "ter dood" in "ballingschap";

Dat is genade, en gij erkent het niet.

ROMEO. 't Is mart'ling, geen genâ; hier is de hemel,

Waar Julia woont, en ied're kat en hond

En kleine muis, ja 't laagste schepsel, leeft

Hier in den hemel, want het mag haar zien,

Slechts Romeo niet.--Meer waarde, hoog'ren stand,

Meer recht tot liefdediensten heeft een vlieg

Dan Romeo; dat wonderblank der hand

Der dierbre Julia roert zij vrij aan,

En steelt zich hemelwellust van haar lippen,

Die rein en met Vestaalsche zedigheid

Steeds blozen, alsof kussen zonde waar';

Doch Romeo mag het niet; hij is verbannen;

Wat vliegen mogen doen, moet ik ontvliên;

Zij leven vrij, maar ik, ik ben verbannen;

En zegt gij nog, "verbanning is geen dood"?

Hadt gij geen gift, geen scherp geslepen mes,

Geen spoedig werkend middel, hoe veracht,

Dan--"ballingschap"--om mij te dooden? "Ballingschap"!

O, vader, spreken in de hel verdoemden

Dit woord, dan volgt gehuil; hoe hebt gij 't hart,

Gij godsman, geestelijke vader, gij,

Ontheffer van de zonde, uw dierbren zoon

Te brijz'len met dat woord van "ballingschap?"

LORENZO. Gij dolle liefdedwaas, hoor toch een woord!

ROMEO. O weer een woord, gewis, van ballingschap.

LORENZO. 'k Geef u een harnas, waar dat woord op afstuit,

De zoetste melk in 't leed: philosophie,

Die u, al zijt gij balling, troosten zal.

ROMEO. Toch "ballingschap!"--Weg met philosophie!

Indien philosophie geen Julia schept,

Geen stad verzet, geen vorstenvonnis stuit,

Dan baat zij niets, vermag niets; dan geen woord!

LORENZO. O, 'k zie te wel, krankzinnigen zijn doof!

ROMEO. Geen wonder, als de wijzen blinden zijn!

LORENZO. Kom, overleggen we eens, hoe 't met u staat.

ROMEO. Van wat gij niet gevoelt, kunt gij niet spreken.

Waart gij zoo jong als ik, en Julia de uwe,

Slechts voor een uur gehuwd, Tybalt vermoord,

Verliefd als ik, verbannen zooals ik,

Dan mocht ge spreken, woelen in uw haar,

U storten op den grond, als ik nu doe,

Om u een ongedolven graf te meten.

(Er wordt geklopt.)

LORENZO. Op Romeo, op! daar wordt geklopt; verberg u.

ROMEO. Ach neen; ik laat de zuchten van mijn ziel

Mij als een mist voor 't vorschend oog omhullen.

(Er wordt weder geklopt.)

LORENZO. 't Geklop houdt aan!--Wie is daar?--Romeo, op!

Men vat u zeker!--Op! (Geklop.) Een oogenblik geduld!

IJl in mijn bidcel ginds!--Zoo daadlijk, ja!--

God, welk een dwaasheid!--Ja, ik kom, ik kom! (Geklop.)

Wie klopt zoo luid? Wie zijt gij en wat wilt gij?

VOEDSTER. Laat mij toch binnen; 'k breng een boodschap over;

Ik kom van jonkvrouw Julia.

LORENZO. Welkom dan.

(De Voedster treedt binnen.)

VOEDSTER. O heil'ge vader, zeg mij, heil'ge vader,

Waar is haar man toch? waar is Romeo?

LORENZO. Daar op den grond, bedwelmd door eigen tranen.

VOEDSTER. O, hij is als mijn jonkvrouw, juist als zij.

O, 'tzelfde wee, beklaagbre staat! Juist zoo

Ligt zij en snikt en weent, en weent en snikt.--

Sta op, sta op! zijt gij een man, sta op!

Om Julia's wil, om harentwil, rijs op!

Waarom verzonken in zoo diep een wee?

ROMEO. Ach, goede vrouw!

VOEDSTER. Ach, heer, ach, heer!--De dood is aller lot.

ROMEO. Spraakt gij van Julia? spreek, hoe is 't met haar?

Houdt zij mij niet voor moord'naar van nature,

Nu ik met bloed, haar bloed zoo na verwant,

De kindsheid onzer vreugde heb bespat?

Waar is zij en hoe is 't haar? O hoe diep

Is zij verstoord om ons verstoord geluk?

VOEDSTER. Zij spreekt geen enkel woord, maar weent en weent;

Nu stort ze neer op 't bed, dan weer vliegt ze op,

En "Tybalt!" roept ze, en schreit om Romeo

En zijgt op nieuw ter neer.

ROMEO. Als bracht die naam,

Uit doodelijke buks geschoten, haar

Den dood, zooals de vloekhand van dien naam

Haar bloedverwant den dood bracht!--Zeg mij, vader,

Waar in deez' snooden stofklomp huist mijn naam?

O zeg 't mij, zeg 't, opdat ik 't vloekbre huis

Ten grond toe sloop'!

(Hij trekt zijn dolk.)

LORENZO. Weerhoû die dolle hand!

Zijt gij een man? Uw uiterlijk roept "ja";

Gij weent, gelijk een vrouw; uw woest gedrag

Is als het reed'loos woeden van een dier.

Onschoone vrouw, in 't schijnschoon van een man;

Wanschapen dier, dat beider schijn vereent!

Ik sta verbaasd; ja, bij mijn heilige orde,

Ik achtte uw geest meer tegen 't leed gestaald.

Versloegt ge Tybalt? Wilt ge uzelf verslaan?

En wilt ge uw gâ, die in uw leven leeft,

Door uw vloekwaarden zelfhaat doen vergaan?

Wat smaalt gij op uw stam, op aarde en hemel?

Schoon stam en aarde en hemel, die ge saam

Wegwerpen wilt, in u vereenigd zijn.

Gij smaadt uw leest, uw liefde en uwen geest!

Een woekeraar gelijk, hebt ge overvloed

Van goeds, maar maakt van niets het recht gebruik,

Dat eere schenkt aan leest en liefde en geest;

Een wassen beeld slechts is uw lichaamsschoon,

Verzaakt gij zoo de kloekheid van een man;

Een ijdle meineed is uw liefdeseed,

Doodt gij die liefde, aan wie gij liefde zwoert;

Uw geest, die leest en liefde u sieren moest,

Te uitzinnig om deez' twee tot gids te zijn,

Vat vuur door eigen onverstand, gelijk

't Kruit in de flesch eens onbedreven krijgers;

Wat u beschermen moest, brengt u verderf.

Verman u, Romeo! uw Julia leeft,

Om wie ge als dood zoo even nederlaagt;

Ziedaar reeds heil! u wilde Tybalt dooden,

En gij hebt hèm gedood; alweder heil!

't Recht, dat met dood u dreigde, wordt uw vriend,

En dood wordt ballingschap; ook dit is heil!

Een last van zegen daalt u op de schoudren;

't Geluk in pronkgewaad vleit om uw gunst,

Maar, als een eigenzinnig, geem'lijk meisje,

Pruilt gij bij al uw liefde en uw geluk.

Hoed, hoed u; schriklijk sterft wie zóó misdoet!--

IJl tot uw gâ, zooals besloten was;

Beklim haar kamer, ga en breng haar troost;

Maar toef er niet, totdat men wachten stelt,

Die u den weg naar Mantua versperren.

Dáár woont gij, tot gelegen tijd uw echt

Bekend make, en uw vrienden weer verzoen',

En vorstlijke genade u herwaarts roep',

Met twintig honderd duizendmaal meer vreugd,

Dan gij met jammer thans van hier vertrekt.--

Ga, goede vrouw, breng uw meestres mijn groet,

En zeg haar zorg te dragen, dat een elk

Van 't huisgezin zich vroeg ter rust begeev';--

De droefnis zoekt van zelve reeds de rust;--

En meld haar: Romeo komt.

VOEDSTER. O Heere God;

Hoe gaarne bleef ik luistren, heel de nacht,

Naar zooveel goeds. Wat is geleerdheid schoon!--

Ik meld, heer, mijn meesteresse, dat gij komt.

ROMEO. Ga, zeg ook, dat ik haar verwijten wacht.

VOEDSTER. Hier is een ring, heer, dien 'k u geven moet.

Maar spoed u, haast u, want reeds wordt het laat.

(De Voedster af.)

ROMEO. O, hoe is nu de moed in mij herleefd!

LORENZO. Ga nu, vaarwel! Denk, waar uw lot aan hangt:

Ga 't zij aleer de wacht is uitgezet,

't Zij met den daag'raad, maar vermomd, van hier.

Verblijf in Mantua; ik zoek uw dienaar,

En zend van tijd tot tijd door hem bericht,

Als iets gebeurt, dat gunstig voor u is.

Reik mij de hand, 't is laat; vaarwel, vaarwel!

ROMEO. Zoo vreugde boven vreugd mij niet verbeidde,

Het waar' mij leed, dat ik zoo haastig scheide.

Vaarwel!

(Beiden af.)

Romeo en Julia · 第 26 / 41 题