TWEEDE TOONEEL.

Een kamer in Capulet's huis.

Julia komt op.

JULIA. Jaag voort, jaag voort, gij vlammenspattend span,

Naar Phebus' woning! Zulk een wagenaar

Als Phaëton, hij zweepte u voort naar 't west,

En bracht ons onverwijld de omwolkte nacht.--

Breid uit uw floers, gij nacht, die liefde kroont,

Luik ieder zwervend oog, dat Romeo

Onzichtbaar, heimlijk, in deze armen snell'!--

Voor minnenden straalt eigen schoon genoeg

Bij 't feest der min, of is de liefde blind,

Dan past de nacht er bij.--Kom, eerb're nacht,

In stemmig zwart gehuld, en leer mij thans,

Hoe, winnend, te verliezen bij een spel,

Welks inzet zijn twee reine maagdebloemen;

Huif met uw zwarten mantel 't angstig bloed,

Dat in mijn wangen klept, tot schuwe liefde

Stoutmoedig wordt, en 't doen der echte min

Voor niets dan zedigheid en onschuld acht.

Kom, nacht! kom Romeo! gij, dag bij nacht,

Die op de vleug'len van de nacht zult schitt'ren,

Meer dan ooit sneeuw op veed'ren van den raaf!--

Kom, lieve nacht, kom, donkre liefdenacht,

Geef mijnen Romeo mij; en sterft hij eens,

Herneem, en deel hem dan in kleine sterren;

Dan schenkt hij 's hemels aanschijn zulk een glans,

Dat heel de wereld op de nacht verlieft,

En niemand meer den pronk der zonne huldigt.--

O, 'k heb een liefdewoning mij gekocht,

Maar niet betrokken; zelf ben ik verkocht,

Maar steeds nog niet aanvaard. O, deze dag

Duurt mij zoolang, als de avond voor een feestdag

Aan 't hunk'rend kind, dat nieuwe kleed'ren heeft

En nog niet aan mag trekken.--O! daar komt

Mijn voedster; zij brengt nieuws; en elk, wiens tong

Mijn Romeo slechts noemt, spreekt hemeltaal.--

(De Voedster komt op met een ladderkoord.)

Nu zeg, wat is 't? wat hebt ge daar? het koord,

Dat Romeo u halen liet?

VOEDSTER. Ja, 't koord.

(Zij werpt het op den grond en wringt de handen.)

JULIA. Wee mij, wat is 't? Wat is dat handenwringen?

VOEDSTER. O hemel, hij is dood, is dood, is dood!

Wij zijn verloren, jonkvrouw, zijn verloren!

O, welk een dag! hij is gedood, vermoord!

JULIA. Gij, hemel, zoo verbolgen?

VOEDSTER. Romeo is 't;

De hemel is het niet.--O Romeo, Romeo--

Wie had dit kunnen denken?--Romeo--

JULIA. Wat booze geest zijt gij, die zoo mij martelt?

Deez' kreet waar' goed bij foltring in de hel.

Heeft Romeo zich gedood? Is 't antwoord "ja",

Dan is die klank, dat "ja" een scherper gift,

Dan 't doodlijk blikken van den basilisk,

Dan ben 'k vernietigd door dat enkle woord,

En 't sluiten van zijn oog sluit ook het mijn.

Is hij gedood, zeg "ja", zoo niet, zeg "neen",

Mijn wel of wee hangt aan dien klank alleen.

VOEDSTER. Ik zag de wond, zag die met eigen oog,--

God help' mij!--hier, vlak in die forsche borst;

Een aak'lig lijk, een bloedig, aak'lig lijk,

Grauw, grauw als asch, geheel met bloed bevlekt,--

Geronnen bloed;--ik zwijmde, toen ik 't zag.

JULIA. O, breek mijn hart!--arm bankroetier, o breek!

Ter gijz'ling, oogen, kent geen vrijheid meer;

Laag stof, keer weer tot stof! leg 't leven af!

En u en Romeo berge 'tzelfde graf!

VOEDSTER. O Tybalt, Tybalt! gij, mijn beste vriend!

Beleefde Tybalt, wakk're en eed'le heer!

Dat ik 't beleven moest, u dood te zien!

JULIA. Wat storm is dit, die van twee kanten loeit?

Is Romeo vermoord, en Tybalt dood?

Mijn liefste neef, en eindloos liever gâ?--

Dan, schrikbazuin, blaas dan den jongsten dag!

Want wie, wie leeft, zijn deze twee niet meer?

VOEDSTER. Tybalt is dood, en Romeo verbannen;

Romeo, die hem gedood heeft, is verbannen.

JULIA. O God!--heeft Romeo Tybalts bloed gestort?

VOEDSTER. Ja, ja, o jammerdag! hij deed het, ja!

JULIA. O slangenhart, bij bloemzoet aangezicht!

Woonde ooit een draak in zulk een schoone grot?

Verleid'lijk woest'ling! duivel in een lichtkleed!

Gij raaf in duivedos! wolfsch-vratig lam!

Verfoeibre kern, door 't godd'lijkst schoon omhuld!

Boos tegendeel van 't goede, dat gij schijnt!

Vloekwaarde heilige! eerbiedwaarde schurk!--

Natuur, waartoe ter helle neergedaald

Om zulk een euv'len geest, dien gij deedt wonen

In zulk een vleeschgeworden paradijs?--

Wie gaf een boek van zulk een snooden inhoud

Ooit zulk een schoonen band? O, dat bedrog

Zulk prachtpaleis bewonen mag!

VOEDSTER. Er is

Geen trouw, geen braafheid meer in mannen; allen

Zijn trouwloos, valsch, meineedig, allen huichlaars.--

Waar is mijn dienaar? Geef mij iets versterkends;--

Die kommer, zorg en droefheid maakt mij oud.

Smaad, schande op Romeo!

JULIA. Uw tong verstijv'

Om zulk een wensch! hem werd nooit smaad bestemd;

Smaad is beschaamd te zeet'len op zijn voorhoofd;

Dat is een troon, waar, als beheerscheres

Der gansche wereld, de eere zij gekroond!

O, 'k was geen mensch, toen ik hem daar beschimpte!

VOEDSTER. Wilt gij den moord'naar prijzen van uw neef?

JULIA. Zou ik mijn heer dan smaden, mijn gemaal?

Wiens tong zal, arme, uw naam in eere houden,

Nu ik, drie uur uw vrouw, hem heb gesmaald

Maar, booze man, wat dooddet gij mijn neef?

Die booze neef doodde anders mijn gemaal.

Terug, gij dwaze tranen, naar uw bron;

Aan weedom komt die droppelplenging toe

Vloeit niet, verdwaasd, om wat verblijdend is.

Mijn gade leeft, dien Tybalt wou verslaan;

Dood is die Tybalt, die mijn gâ wou dooden.

Troost is dit alles; waarom ween ik dan?

Er was een erger woord dan Tybalts dood,

Dat mij versloeg. Waar' 't uit mijn ziel gewischt!

Maar o! het klemt zich vast in mijn geheugen

Als zware schuld in 't zondige gemoed,

"Tybalt is dood en Romeo--gebannen!"

"Gebannen!" O, dat ééne woord "gebannen"

Verslaat tien duizend Tybalts. Tybalts dood

Waar' wee genoeg, volgde ook geen verder wee;

Of,--zoekt het leed zich steeds een metgezel

En sleept het altijd andre smarten mee,--

Waarom volgde op dat "dood is Tybalt" niet

"Uw vader" of "uw moeder", ja, of beiden,

Die passend rouwbeklag betreuren mocht?

Maar door wat nakwam achter Tybalts dood,

Dat "Romeo is gebannen", door dat woord

Zijn vader, moeder, Tybalt, Romeo, allen,

En ook ikzelf, verslagen en gevallen;

Ja eind- en grens- en maatloos is de dood

Van 't eene woord; onpeilbaar is mijn nood.--

Waar zijn mijn vader en mijn moeder? waar?

VOEDSTER. Weeklagend, weenend staan ze aan Tybalts baar;

Zal ik u bij hen brengen?

JULIA. Wasschen zij

Zijn wonden met hun tranen, o, die zijn

Reeds lang gedroogd, dan vloeien nog de mijn'

Om Romeo's ballingschap. Uw toekomst, koord,

Is, als de mijn', door dezen doem verstoord;

Door u waar' hij ten top van heil verheven,

Ik eindig vroeg mijn maagdlijk weduwleven.

Breng 't koord mij na, waar 't bruidsbed is gespreid;

De dood, niet Romeo, neem' mijn maagdlijkheid!

VOEDSTER. Ga naar uw kamer; Romeo zal ik halen

Om u te troosten; 'k weet wel, waar hij is.

Geloof mij, Romeo komt nog deze nacht;

Hij is verborgen in Lorenzo's cel.

JULIA. O! breng deez' ring en zeg hem: ik verwacht

Van mijn getrouwen gade 't laatst vaarwel.

(Beiden af.)

Romeo en Julia · 第 25 / 41 题