MERCUTIO. Harmonieeren! Wat! wilt ge ons tot muzikanten maken? Als
gij muzikanten van ons maakt, reken er dan op niets dan snijdende
tonen te hooren; hier is mijn strijkstok, die u wel zal laten
dansen. Duivels! harmonieeren!
BENVOLIO. 't Is hier een plein, door menschen druk bezocht;
Kiest voor uw twist een afgelegen plek;
Of wel, bespreekt te zamen kalm uw grieven;
Of gaat uiteen;--hier staart ons ieder aan.
MERCUTIO. Daar heeft een mensch zijn oogen voor, hij staar'!
Ik wijk van hier om niemands wil een haar.
(Romeo komt op.)
TYBALT. 'k Laat u met vrede hier; daar komt mijn man.
MERCUTIO. Een strop voor mij, als hij uw dienstpak draagt;
Maar ja, ga hem vooruit naar 't veld, hij volgt u;
In dien zin, heerschap, blijkt hij wis uw man.
TYBALT. Romeo, mijn vriendschap laat niet toe, dat ik
Iets anders zeg dan dit: gij zijt een schurk!
ROMEO. Tybalt, de grond, dien 'k heb, uw vriend te zijn,
Ontschuldig', dat ik niet zoo toornig word,
Als past op zulk een groete;--ik ben geen schurk:
Daarom, vaarwel! ik zie, gij kent mij niet.
TYBALT. Knaap, dit is geen voldoening voor den hoon,
Dien gij mij aandeedt; keer dus om, en trek.
ROMEO. En ik betuig, dat ik u nimmer hoonde,
Maar meer uw vriend ben, dan gij gissen kunt,
Aleer gij weet, wàt mij uw vriend doet zijn.--
Hoor, Capulet, ik stel uw naam zoo hoog
Als van mijzelven;--daarom, wees bevredigd.
MERCUTIO. O makke en laffe en eerlooze onderwerping!
Alla stoccata, dat is beter taal.--
(Hij trekt zijn zwaard.)
Tybalt, gij rattenvanger, durft gij? zeg!
TYBALT. Maar wat wilt gij dan toch van mij?
MERCUTIO. Niets anders, waarde kattenkoning, dan een van uw negen
levens; dat zal ik zoo vrij zijn u te ontnemen, en de andere acht
wil ik voor later gebruik droogkloppen. Wees zoo goed uw degen bij
de ooren uit zijn huis te halen, en wat schielijk ook, of de mijne
fluit u om de ooren, eer de uwe er uit is.
TYBALT (het zwaard trekkend). 'k Ben tot uw dienst.
ROMEO. Mercutio, vriend, steek op uw zwaard!
MERCUTIO. Kom, heer, uw passado.
(Mercutio en Tybalt vechten.)
ROMEO. Benvolio, trek en sla hun wapens neer!--
Schaamt u, mijn heeren! staakt dit vechten!--
Tybalt, Mercutio! pas verbood de vorst
Met klem dit vechten in Verona's straten.
Tybalt, houd op!--Mercutio!
(Hij komt tusschenbeide: Mercutio wordt onder zijn arm door gewond;
Tybalt en zijn Volgers af.)
MERCUTIO. 'k Ben gewond!--
De pest haal' beide uw huizen!--'t Is gedaan;--
Ontkwam hij?--ongedeerd?
BENVOLIO. Gij zijt gewond?
MERCUTIO. Ja, ja, een prik, een prik; maar 't is genoeg.--
Waar is mijn page? Vlegel, haal een wondarts.
(Page af.)
ROMEO. Moed, vriend, het kan zoo erg niet zijn.
MERCUTIO. Neen, 't is niet zoo diep als een put en niet zoo wijd als
een kerkdeur, maar 't is genoeg; ik kan 't er mee doen: laat morgen
maar naar me vragen, ik zal doodbedaard zijn. Ik heb mijn bekomst,
dat verzeker ik je, voor dit leventje.--De pest hale beide uw
huizen!--Duivels! een hond, een rat, een muis, een kat, dat die een
mensch kan krabben, dat hij het besterft! een pochhans, een schurk,
een schoelje, die vecht naar de regels van de rekenkunst!--Wat duivel
kwam je tusschenbeide? Ik kreeg den steek onder uw arm door.
ROMEO. Ik deed het al om bestwil.
MERCUTIO. Help me in een huis, Benvolio, of ik zwijm
Op straat hier neer.--De pest haal' beide uw huizen!--
Die hebben wormenaas van mij gemaakt;
't Was raak, en goed ook;--beide uw huizen!
(Mercutio en Benvolio af.)
ROMEO. Deze edelman, den hertog na verwant,
Mijn trouwe vriend, werd dood'lijk daar gewond
Om mijnentwil, mijn goede naam bevlekt
Door Tybalts hoon, door Tybalt, sinds een uur
Mijn bloedverwant!--O, dierbre Julia!
Uw lieflijk schoon heeft mij verwijfd gemaakt,
En 't staal der dapperheid in mij verweekt.
(Benvolio komt terug.)
BENVOLIO. O, Romeo, Romeo, onze vriend is dood;
Ten hemel is die wakk're geest gezweefd,
Die al te ontijdig de aarde heeft versmaad.
ROMEO. Veel zwarte dagen spelt deez' dag van moord;
Hij bracht ons wee, en andre zetten 't voort.
(Tybalt komt weder op.)
BENVOLIO. Hoe! Tybalt, die daar razend wederkeert!
ROMEO. Hij levend, juichend! en Mercutio dood!
Vaar op ten hemel, zachtheid, die ontziet!
U volg ik, woede, gij, die vlammen schiet!--
Thans, Tybalt, geef ik u dat "schurk!" terug,
Dat gij mij voor de voeten wierpt; thans zweeft
Kort boven ons Mercutio's ziel, en wacht
Op uwe ziel, dat die haar begeleid';
Of gij, of ik, of beiden gaan met hem.
TYBALT. Ellend'ling, gij, die staâg zijn makker waart,
Zult met hem gaan.
ROMEO. Dit worde aldus beslist!
(Zij vechten; Tybalt valt.)
BENVOLIO. Weg, Romeo, snel! van hier!
Het volk is op de been, en Tybalt viel;--
Wat suft ge, voort!--de vorst doemt u ter dood,
Als men u grijpt;--van hier!--van hier, en vlied!
ROMEO. 'k Ben speelbal der Fortuin!
BENVOLIO. IJl! sammel niet!
(Romeo af.--Burgers enz. treden op.)
EERSTE BURGER. Waar vlood de moord'naar van Mercutio heen?
Waar vlood hij heen, die Tybalt, die het deed?
BENVOLIO. Hier ligt die Tybalt.
EERSTE BURGER. Heer, sta op! en weet,
Ik spreek in 's vorsten naam, gij gaat met mij.
(De Vorst komt op, met Gevolg; Montague en Capulet, met hun
Echtgenooten, en Anderen.)
VORST. Wie wekte deez' verfoeibre muiterij?
BENVOLIO. Mijn eedle vorst, ik was getuige, en deel
U alles mee van dit vloekwaard krakeel.
Hij, die daar ligt, geveld door Romeo's hand,
Versloeg Mercutio, uw bloedverwant.
GRAVIN CAPULET. Tybalt, mijn neef! O gij, mijns broeders kind!
O vorst! mijn neef!--Mijn gâ! men heeft ontzind
Zijn bloed geplengd!--O hoor ons, Heer, geef toe,
Stort, voor ons bloed, nu bloed van Montague!
Mijns broeders zoon, mijn neef!
VORST. Door wien, Benvolio, is deez' strijd ontbrand?
BENVOLIO. Door Tybalt, hier geveld door Romeo's hand.
Eerst sprak hem Romeo vriendlijk toe en wees
Hem op de nietige oorzaak van den twist
En op uw streng verbod;--maar of hij ook
Met zachte stem en kalmen blik, ja, smeekend,
Het fel gemoed van Tybalt wou bezweren,--
Die dolkop luistert naar geen vrede en richt
Zijn vlijmend wapen op Mercutio's borst,
Die, even vurig, nu de degens kruist
En, als een fier soldaat, met de' eersten slag
Den dood terugslaat, met den tweeden dien
Naar Tybalt zendt, die vlug van oog en hand
Den stoot weer afweert.--Thans roept Romeo luid:
Houdt op, mijn vrienden, vrede! en vlugger nog
Dan 't woord, is de arm; hij slaat hun moordstaal neer
En werpt zich tusschenbeide; een valsche stoot
Van Tybalt trof toen onder Romeo's arm
Mercutio's moedig leven; Tybalt vlood;
Maar dra keert hij terug tot Romeo,
Die na deez' moord door wraakzucht wordt bezield;
En snel als 't weerlicht volgt hun strijd; want eer
Ik 't staal ontbloot om hen te scheiden, ligt
De forsche Tybalt reeds ter neer geveld;
En nauwlijks zonk hij neer, of Romeo vlood;
Zoo droeg 't zich toe, of ik verdien den dood.
GRAVIN CAPULET. O vorst, hij is den Montagues verwant,
Hij spreekt daar leugens, is op hunne hand.
Wel twintig van die schelmen vielen aan,
En hun geweld kon één man niet weerstaan.
Ik smeek om recht: doem Romeo ter dood;
Hij is 't geweest, die Tybalts bloed vergoot.
VORST. Boet Romeo aldus voor Tybalts bloed,
Door wien wordt dan Mercutio's dood geboet?
MONTAGUE. Door Romeo niet; die was Mercutio's vriend;
Den dood had Tybalt naar de wet verdiend:
Hij kwam de wet slechts voor.
VORST. En voor die daad
Verban ik hem onmidd'lijk uit den staat.
Ikzelf blijf van uw woeden niet bevrijd,
Ook mijn bloed vloot door uwen fellen strijd.
Maar zulk een boete valle u thans te beurt,
Dat ge allen dit verlies van mij betreurt.
Op voorspraak, noch verschooning wil ik achten,
Mijn vonnis zal geween noch beê verzachten;
Beproef dus niets; 't is goed, dat Romeo vlood,
Want keert hij, 't eigen uur brengt hem den dood.
Voert weg dit lijk, en overweegt mijn woord!
Genâ voor moord'naars is zoo goed als moord.
(Allen af.)