De tuin van Capulet's huis.
Julia komt op.
JULIA. 't Was negen uur, toen ik de voedster zond;
En 'k wachtte binnen 't uur haar weer terug.
Vond zij hem mooglijk niet? Dit kan niet zijn.
Neen, neen; ze is lam! Der liefde boden moesten
Gedachten zijn, die tienmaal sneller ijlen,
Dan zonnestralen over duistre heuvels
De schaduwen der nacht terug doen gaan.
Daarom zijn 't lucht gewiekte duiven, die
Der liefde wagen trekken; daarom heeft
Cupido, die den wind voorbijsnelt, vleugels.
De zon heeft van haar weg nu 't zuidersteil
Bereikt; en 't zijn van negen uur tot twaalf
Drie eind'looze uren, en nog komt zij niet.
Had zij een hart en warm en jeugdig bloed,
Zij zweefde door de lucht gelijk een bal,
Door mijn woord aan den dierbre toegekaatst,
Door 't zijne aan mij terug;
Maar menig ouder mensch houdt zich als dood,
Is traag en stromp'lend, zwaar en dof als lood.
(De Voedster en Peter komen op.)
O God, zij komt!--O liefste minne, zeg!
Gij vondt hem immers? Zend uw dienaar weg.
VOEDSTER. Ga, Peter, wacht mij aan de deur.
(Peter af.)
JULIA. Nu, beste minne,--O God, wat strak gezicht!
Zij 't nieuws ook droevig, uw gelaat geev' moed!
Is 't goed, bederf de zoete wijs van 't nieuws
Niet door 't te zingen met een zuur gelaat.
VOEDSTER. Ik ben doodaf; een oogenblik geduld!
Mijn botten doen mij pijn van zulk geloop.
JULIA. Hadt gij mijn botten dan, en ik uw nieuws!
Kom, spreek toch, beste, beste minne, spreek!
VOEDSTER. God, welk een haast, een oogenblik geduld!
Ziet gij dan niet, hoe 'k buiten adem ben?
JULIA. Gij buiten adem? en gij hebt toch adem,
Dat gij me uw buiten-adem-zijn vertelt?
Verschoont ge aldus het talmen met uw nieuws?
Eer ware 't nieuws verteld, dan uw verschooning.
Is 't goed of slecht, uw nieuws? Zeg dit alleen,
Slechts dit, en stel het oov'rige even uit;
Maar zulk een martling niet! Is 't goed of slecht?
VOEDSTER. Wel, gij hebt zoo maar eenvoudig weg gekozen; neen, gij hebt
geen verstand om een man te kiezen, wel neen! zoo'n Romeo! al is zijn
gelaat beter dan van eenig ander, zijn been is mooier dan van alle
mannen; en een hand heeft hij, en een voet, en een lichaam!--al valt
er eigenlijk niets van te zeggen, zij zijn buiten alle vergelijking;
hij is niet het puikje van beleefdheid,--maar, waarachtig, hij is zoo
zacht als een lam. Ga uw gang maar, meisje; dank er God voor!--Is er
al gegeten hier?
JULIA. Neen;--maar dit alles weet ik lang en breed;
Zeg nu, hoe staat het met ons huw'lijk? spreek!
VOEDSTER. O God, wat doet mijn hoofd mij pijn! Het klopt,
Als moest het in wel twintig stukken springen.
En hier mijn rug! O, o! mijn arme rug;
Vergeev' 't u God, er mij op af te zenden!
Dat draven heen en weer, het is mijn dood.
JULIA. Dat gij niet wel zijt, is mij waarlijk leed;
Maar beste, beste, beste min, wat zegt hij?
VOEDSTER. Hij spreekt gelijk een waardig edelman,
Een hoff'lijk, vriend'lijk en beminlijk jonkman,
En braaf ook, naar ik denk;--waar is uw moeder?
JULIA. Waar is mijn moeder? vraagt ge. Wel, in huis;
Waar anders? Maar wat zonderling bescheid!
"Hij spreekt, zooals een waardig edelman;--
Waar is uw moeder?"
VOEDSTER. Ach, mijn lieve God!
Welk een gejaagdheid! zie toch eens! Is dit
Een balsem voor die pijn in al mijn leden?
Doe liever zelf uw zaken in 't vervolg.
JULIA. Wat omhaal toch!--Kom, wat zegt Romeo?
VOEDSTER. Hebt gij verlof, van daag ter biecht te gaan?
JULIA. Natuurlijk, ja.
VOEDSTER. Ga dan met spoed naar Fra Lorenzo's cel.
Daar wacht een man, om u tot vrouw te maken.--
Nu stijgt het schalksche bloed u in de wang;
Scharlaken wordt ge fluks bij ieder woord.--
IJl gij ter kerke! ik ga een and'ren kant,
En haal een ladder, die, als 't donker is,
Uw schat zal voeren tot een vogelnestje.--
Ik zorg en zwoeg en slaaf voor uw geluk;
Maar deze nacht gevoelt gijzelf den druk.
Ga; 'k moet nu eten; spoed u naar de cel!
JULIA. Naar 't hoogste heil!--Dank, beste min, vaarwel!
(Beiden af.)