De cel van Broeder Lorenzo.
Broeder Lorenzo en Romeo komen op.
LORENZO. Zoo kroon' de hemel dit gewijd verbond,
Dat ons de toekomst nooit met hartzeer griev'!
ROMEO. Amen, zoo zij 't! maar welke zorg ook koom',
Zij weegt de onnoemb're zaligheid niet op,
Die één minuut, dat ik haar zie, mij schenkt.
Voeg gij slechts zeeg'nend onze handen saam,
Dan moog' de dood, de minverdelger, woeden;
Genoeg, zoo 'k haar de mijne noemen mag.
LORENZO. Een vreugd, zoo heftig, neemt een heftig eind;
Zij zegepraalt--en sterft, als vuur en kruid
Vergaan door hunnen kus. Het honingzeem
Staat tegen door zijn overmaat van zoet;
't Genieten gaat verloren door 't genot.
Die liefde is duurzaam, die bemint met maat;
Te haastig en te traag komt even laat.
(Julia komt op.)
Daar komt de jonkvrouw.--O, een tred, zóó licht,
Slijt nimmer hard gesteente uit; ja, wie mint,
Die kan wel zweven op de zilv'ren draden,
Die fladd'ren in de dartle zomerlucht,
En valt toch niet; zoo licht is de ijd'le jeugd.
JULIA. Ik wensch mijn zielverzorger goeden avond.
LORENZO. U danke Romeo voor ons beiden, dochter.
JULIA. 't Geldt hem ook, anders is zijn dank te groot.
ROMEO. O Julia, is de mate van uw heil
Vol als de mijne, en hebt gij meer dan ik
De macht van 't woord, beziel dan met uw adem
De lucht om ons; uw zilv'ren stem verkonde
In rijke melodie de zaligheid,
Die bij dit samenzijn ons hart doortintelt!
JULIA. 't Gevoel is rijk in schatten, niet in woorden;
't Is trotsch op wat het is, maar mint geen praal;
Wie weet, hoeveel hij waard is, is een beed'laar;
Mijn echte liefde is rijk, onmeet'lijk rijk;
Ik kan niet schatten, welk een schat ik heb.
LORENZO. Komt, volgt me, en spoedig zij de knoop gelegd;
Want zooveel liefde laat ik niet alleen,
Eerdat de kerk u tweeën smolt tot een.
(Allen af.)