ROMEO. Wat wilt ge, goede vrouw?
VOEDSTER. Uw dienaar, heer,--
Hij klapt toch niet? Gij kent het zeggen wel:
Twee zwijgen nog, de derde geeft gerel.
ROMEO. Ik sta u borg, de man is trouw als goud.
VOEDSTER. Ach ja, heer; mijn meesteres is de liefste jonkvrouw, die er
loopt; Heere, Heere! toen ze nog zoo'n klein snapstertje was;--O! er
is een edelman hier in de stad, een zekere Paris, die haar graag
aan boord zou klampen, maar 't lieve kind ziet al zoo graag een
pad, een leelijke pad, als hem. Ik plaag haar soms door te zeggen,
dat Paris toch eindelijk een knapper slag van een man is; maar ik
kan u verzekeren, als ik dat zeg, dan wordt ze zoo bleek als er één
tafellaken in de godganschelijke wereld is. Begint niet Roosmarijn
en Romeo met dezelfde letter?
ROMEO. Ja, voedster, maar wat zou dat? Beide met een R.
VOEDSTER. Och, spotvogel, dat kan niet! rrr! dat snort zoo; R is goed
voor--, neen, het moet met een andere letter beginnen;--en ze heeft er
de aardigste zinnetjes of rijmpjes van gemaakt, van u en Roosmarijn,
dat het u goed zou doen het te hooren.
ROMEO. Nu, breng mijn groeten aan uw meesteres.
(Romeo gaat heen.)
VOEDSTER. Ja, wel duizendmaal.--Peter!
PETER. Hier ben ik.
VOEDSTER. Peter, neem mijn waaier, en ga vooruit.
(Beiden af.)