VIERDE TOONEEL.

Een straat.

Benvolio en Mercutio komen op.

MERCUTIO. Waar kan toch, voor den drommel, Romeo zijn?--

Kwam hij van nacht niet t'huis?

BENVOLIO. Niet naar zijns vaders huis; ik sprak zijn dienaar.

MERCUTIO. Dat bloed- en hartloos heksje, Rosalinde,

Maakt door haar koelheid hem in 't eind nog gek.

BENVOLIO. Tybalt, die neef van de' ouden Capulet,

Heeft aan zijns vaders huis een brief gestuurd.

MERCUTIO. Dan heeft hij, op mijn eer, hem uitgedaagd.

BENVOLIO. En Romeo blijft het antwoord wel niet schuldig.

MERCUTIO. Ieder, die schrijven kan, kan een brief beantwoorden.

BENVOLIO. Ja, maar hij zal den briefschrijver antwoorden, hoe hij

hem aandurft, als die maar durft.

MERCUTIO. Ach die arme Romeo! hij is al dood, doorboord door

het zwart oog van een bleek heksje; in 't oor geschoten door een

minneliedje; in de roos van 't hart getroffen door den pijl van het

blind boogschuttertje;--is dat nu een man om zich met Tybalt te meten?

BENVOLIO. Wel, wat is die Tybalt dan voor een kerel?

MERCUTIO. Meer dan de vorst van het kattengeslacht, dat kan ik u

verzekeren; hij is de moedige aanvoerder van alle fijne manieren. Hij

vecht, zooals gij een liedje zingt; neemt tempo en maat en alles in

acht, tot een halve rust toe, en dan één, twee, drie in uw borst;

hij slacht een zijden knoop midden door; hij is een duëllist, een

echt duëllist; een edelman uit het allereerste huis, een kenner van de

eerste en tweede redenen voor een duël. O, die prachtige passado! die

punto reverso! die touché!

BENVOLIO. Die wat?

MERCUTIO. Och, naar de maan met al die bespottelijke,

lispelende, gemaakte windbuilen, die nieuwe bauwers van

brabbelwoorden!--"Verduiveld, een recht goede kling!--wat een

lange kerel!--wat een prachtige meid!"--Is het niet allertreurigst,

grootvader, dat wij zoo moeten bezocht worden door zulke uitheemsche

goudvliegen, zulke modegekken, zulke pardonnez-moi's, die zoo staan

op het nieuwe, dat zij geen rust meer vinden in het oude. O, al dat

bon, bon!

(Romeo komt op.)

BENVOLIO. Daar komt Romeo, daar komt Romeo!

MERCUTIO. Laat den Room maar weg; 't is spoeling, wat er is

overgebleven! Zoo dadelijk druipt hij door zijn kleeren!--Nu is hij

verzonken in sonnetten, waar Petrarca in vervloeide; met zijn schoone

vergeleken, was Laura maar een keukenmeid, maar ze had toch een beter

lief om haar te berijmen, Dido maar een slons, Cleopatra een zwart

heidinnetje, Helena en Hero lompe deerns van geener waarde, Thisbe,

nu ja, een aardig bekje met blauwe oogen, maar volstrekt niets om van

te roemen.--Signore Romeo, bonjour! zie daar een Fransche salutatie

voor uw Fransche hozen. Ge hebt ons van nacht een aardig bad bezorgd.

ROMEO. Goeden morgen beiden! Hoe dan heb ik u een bad bezorgd?

MERCUTIO. Begrijpt ge niet? Zijt ge niet ongemerkt afgedropen?

ROMEO. Vergeef me, beste Mercutio; als iemand zooveel in zijn hoofd

heeft als ik, moogt ge wel een kleine onbeleefdheid door de vingers

zien.

MERCUTIO. Integendeel, ge zijt al te beleefd geweest, ge zijt ons

onder onze handen weggedoken.

ROMEO. Zoodat ik een recht diepe buiging gemaakt heb?

MERCUTIO. Juist getroffen, vriend!

ROMEO. Ge legt het zeer hoffelijk uit.

MERCUTIO. O, ik hoor aan een hof t'huis.

ROMEO. Zoodat ge een ware bloem zijt?

MERCUTIO. Alweer juist.

ROMEO. O, ik ben ook zeer hoffelijk, ik draag rozen op mijn schoenen.

MERCUTIO. Gij treft het weer: o treffelijk vernuft; deze geestigheid

zal mij bijblijven, tot gij uw schoenen hebt afgesleten; maar als ge

door de dunne zool heen zijt, zal geestigheid niet gangbaar meer zijn.

ROMEO. Ach arme ziel! als geestigheid geen opgang meer maakt.

MERCUTIO. Help mij, goede Benvolio, mijn geestigheid kan hem niet

bijhouden.

ROMEO. Zweep en sporen, zweep en sporen, of ik roep gewonnen!

MERCUTIO. Neen, als wij onze geestigheden als wilde ganzen tegen

elkaar op laten snateren, dan ben ik verloren; want gij hebt in uw

pink meer van een wilde gans dan ik in mijn geheele lichaam, dat is

zeker;--erken maar, dat dit raak was, van die gans.

ROMEO. Ik kan er waarlijk niet geraakt om wezen; ik wachtte zoo iets,

want als ik met u aan den gang was, heb ik dikwijls aan een wilde

gans gedacht.

MERCUTIO. Voor die scherts zal ik u in 't oor bijten.

ROMEO. Neen, bijt niet, goede gans.

MERCUTIO. Uw scherts heeft wel wat wrangs, gij wordt scherp als moes

van zure appelen.

ROMEO. Komt dat niet goed als toespijs bij een gans?

MERCUTIO. Nu wordt het een aardigheid van zeemleer, dat van een duim

tot een el breedte wordt uitgerekt.

ROMEO. Alleen om u gelegenheid te geven, uw talent als zemelknooper

te toonen.

MERCUTIO. Kijk, is dit alles niet vrij wat beter dan te grienen om

een liefje? Nu zijt ge genietbaar, nu zijt ge Romeo; nu zijt ge weer

zooals natuur en kunst u gemaakt hebben; want die dwaze verliefdheid

is als een groote nar, die met zichzelf geen raad weet en zich voor

een meisje nederwerpt om haar zijn zotskolf op te dringen.

BENVOLIO. Houd op, genoeg!

MERCUTIO. Wat ophouden! doorgaan is beter, 't mooiste moet nog komen.

BENVOLIO. Dat verhaal zou wat lang van adem worden.

MERCUTIO. Geen nood, ik zou er schielijk kortademig van worden, en

moeten rusten om weer op mijn verhaal te komen; ik was inderdaad van

plan het kort te maken.

ROMEO. Nu, ziedaar wat moois!

(De Voedster en Peter komen op.)

MERCUTIO. Een zeil, een zeil!

BENVOLIO. Twee, twee; een manshemd en een vrouwehemd.

VOEDSTER. Peter!

PETER. Wat?

VOEDSTER. Mijn waaier, Peter.

MERCUTIO. Ja, beste Peter, doe dat om voor haar gezicht te houden,

want de waaier is een mooier gezicht.

VOEDSTER. Goeden morgen, heeren.

MERCUTIO. Goeden avond, schoone dame!

VOEDSTER. Loopt het naar den avond?

MERCUTIO. Waarachtig, als ik goed zie, is de koppelachtige wijzer

van het uurwerk al vrij wel over den middag heen.

VOEDSTER. Loop heen, wat zijt gij er voor een?

ROMEO. Iemand, vrouwtje, dien God in zijn toorn geschapen heeft.

VOEDSTER. Bij mijn ziel, goed gezegd. In zijn toorn, zegt gij?--Heeren,

kan een van u mij ook zeggen, waar ik den jongen Romeo vinden kan?

ROMEO. Ik kan 't u zeggen, maar de jonge Romeo zal ouder wezen,

als gij hem gevonden hebt, dan toen gij hem gingt zoeken; ik ben de

jongste van dien naam, bij gebreke van slechter.

VOEDSTER. Goed gezegd.

MERCUTIO. Wat, hoe slechter hoe beter? Mooi bedacht, wijs, heel wijs!

VOEDSTER. Als gij het zijt, heer, heb ik u in vertrouwen iets meê

te deelen.

BENVOLIO. Zij wil hem bepraten voor een avondmaal hier of daar.

MERCUTIO. Een koppelaarster! een koppelaarster! waar ik het weet! ho!

ROMEO. Wat hebt gij opgejaagd?

MERCUTIO. 't Is geen wild, vriend, geen wild; of het zit in een pastei,

die wat oud en schimmelig is, eer zij gebruikt wordt:

"Een wildpastei, die streelt de maag;

"Ze is welkom in de vasten;

"Maar schimmelt ze al, dan vond ik staâg,

"Dat gasten er voor pasten."

Romeo, ge komt toch naar uws vaders huis?

Wij komen van middag bij u eten.

ROMEO. Ik volg u dadelijk.

MERCUTIO. Vaarwel, eerwaarde juffer; vaarwel, mejuffer, juffer, juffer!

(Mercutio en Benvolio af.)

VOEDSTER. Nu, ook vaarwel.--Heer, zeg mij toch, wat is dat voor een

raren snuiter, met al die vrijmoedighedens?

ROMEO. Een man, goede vrouw, die zichzelf graag hoort praten, en die

meer zegt in een minuut, dan hij in een maand verantwoorden kan.

VOEDSTER. Als hij tegen mij begint, zal ik hem wel onder krijgen, als

was hij nog joliger dan hij is, ja, en wel twintig zulke apen; en als

ik het niet kan, vind ik des noods anderen, die 't wel kunnen. Zoo'n

weergasche losbol! Ik ben geen van zijn kwikstaarten, ik ben geen van

zijn kornuiten.--(Tot Peter). En moet jij daar bij staan en toelaten,

dat iedere schelm gekheid met mij maakt?

PETER. Ik heb van dat gekheid maken niets gezien; anders was ik wel

dadelijk tusschenbeide gekomen, en had ik er ook het mijne van willen

hebben, dat verzeker ik u. Ik trek net zoo goed van leer als een ander,

als er wat aan de hand is, en ik het recht aan mijn zij heb.

VOEDSTER. Nu, bij mijn ziel, ik ben zoo buiten mijzelf, dat er geen

lid aan mijn lijf is, dat niet beeft.--Die weergasche losbol!--Maar

ik bid u, heer, een woordje met u; en, zooals ik u gezegd heb,

mijn jonge meesteres heeft mij gelast u te gaan opzoeken; wat ze mij

gelast heeft u te zeggen, zal ik voor mij houden, maar laat ik u eerst

zeggen, als gij haar om den tuin wilt leiden, om zoo te zeggen, dat

het een heel leelijke manier van doen zou wezen, om zoo te zeggen,

want ze is nog een jong ding; en daarom als ge valsch spel met haar

zoudt willen spelen, zou het een leelijke streek wezen, om dien aan

een jonge dame te spelen, en een valsche manier van doen ook.

ROMEO. Voedster, breng mijn eerbiedige groete aan uw jonkvrouw en

meesteres over; ik bezweer u--

VOEDSTER. O beste heer, zeker zal ik haar dit vertellen; Heere, Heere,

wat zal ze blij zijn!

ROMEO. Wat zul je haar vertellen, goede vrouw? je laat me niet

uitspreken.

VOEDSTER. Ik zal haar vertellen, dat gij bezweert; en dat is, als ik

het wel vat, als een edelman gehandeld.

ROMEO. Bericht haar dit: zij denke een middel uit,

Om deez' namiddag nog ter biecht te gaan

In Fra Lorenzo's cel, waar op haar biecht

Het huw'lijk volgen zal. Hier,--dit voor u!

VOEDSTER. Neen, waarlijk niet, geen penning, heer.

ROMEO. Neem 't aan, ik wil het; hier!

VOEDSTER. Deez' achtermiddag, heer? Zij zal er zijn.

ROMEO. En, voedster, wacht ook aan den achtermuur

Van 't klooster; binnen 't uur brengt u mijn dienaar

Een ladderkoord, dat tot den hoogsten top

Mijns heils mij in de stille nacht moet brengen.--

Vaarwel!--Wees trouw, en rijklijk is uw loon!--

Vaarwel, en breng uw meesteres mijn groeten.

Romeo en Julia · 第 18 / 41 题