DERDE TOONEEL.

De cel van broeder Lorenzo.

Lorenzo komt op, met een mand.

LORENZO. De blonde morgen wenkt de sombre nacht,

En streept het zwerk in 't oost met lichte pracht;

En als beschonken stort het vlekkig duister

Van 't pad der zonkar voor dien vuur'gen luister;

Maar eer het oog der zon nog blaak'rend blinkt,

Den dag bezielt, den killen nachtdauw drinkt,

Moet ik deez' wilgenkorf vol kruiden lezen,

Die giftig zijn, of dienstig tot genezen.

't Is de aard, die aan natuur het leven gaf,

Diezelfde schoot der aarde is ook haar graf;

Verscheidenheid van kindren van haar schoot

Brengt zij met voedsel van haar boezem groot;

En velen zijn een tal van krachten rijk,

Geen zonder kracht, geen twee geheel gelijk.

O, krachtig is de groote schat van zegen,

In kruiden, steenen, juist erkend, gelegen;

Niets zoo gering van wat op aarde leeft,

Dat niet aan de aarde iets goeds, iets nuttigs geeft;

En niets zoo goed, dat, in verkeerde hand,

Zijn oorsprong niet, door 't misbruik, maakt te schand;

Door misbruik wordt in ondeugd deugd verkeerd,

Door waardig handlen ondeugd soms geëerd.

In 't fijn omhulsel van deez' jonge bloem

Woont fel vergif en vindt geneeskunst roem;

Men ruikt, de geur wekt ziel en lichaam op;

Men proeft, en daadlijk staakt het hart zijn klop;

Twee machten zijn, in plant en in 't gemoed,

Strijdvaardig steeds, de een boos en de ander goed,

En waar de slechte de overmacht verwerft,

Daar knaagt de worm in 't hart, de boom versterft.

(Romeo komt op.)

ROMEO. Gegroet, eerwaarde vader!

LORENZO. Tecum Dominus!

Wie brengt zoo vroeg den broedergroet me aldus?--

Het tuigt, mijn zoon, van een ontroerden geest,

Dat gij zoo vroeg reeds uit het bed verreest.

In 's grijsaards oog houdt steeds de zorg de wacht,

Dan wijkt de slaap, die nooit bij zorg vernacht;

Maar als vermoeid en onbezorgd een knaap

De leden strekt, dan heerscht de gulden slaap.

Uw vroege komst bewijst me, dat ge uw bloed

Verhit hebt, wat u 't bed ontvluchten doet;

Of heeft wellicht mijn Romeo de nacht

Niet in zijn bed, maar wakend doorgebracht?

ROMEO. Zoo is 't; maar dat ik zoeter rust nooit vinde!

LORENZO. God helpe u, knaap; waart gij bij Rosalinde?

ROMEO. Bij Rosalinde, neen, mijn vader! weet

'k Vergat dien naam en tevens al zijn leed.

LORENZO. Mijn brave zoon! Doch wáár zijt gij geweest?

ROMEO. 'k Zeg alles; hoor dan, dat ik op een feest

Ten huize van mijn vijand mij bevond;

Daar heeft mij iemand plotseling verwond

Maar ik die ook; wij beiden wachten nu

Genezing, heul en heil alleen van u.

Het is geen haat, die mij hierheen voert; neen,

'k Vraag voor mijn vijand en mijzelf meteen.

LORENZO. Mijn zoon, leg mij ronduit uw wenschen open;

Wie raads'len biecht, kan niets dan raads'len hopen.

ROMEO. Ronduit dan, 'k heb geheel mijn hart gezet

Op de eedle telg van de' ouden Capulet;

Mijn hart is 't hare, en ook 't hare het mijn;

Eenswillend, wenschen we ook vereend te zijn,

Door u in heil'gen echt. Wanneer, hoe, waar

Ik haar ontmoette en zij mij won, ik haar,

Dit alles zij u onderweg gezegd;

Één beê, vereen nog heden ons in de' echt.

LORENZO. Heil'ge Franciscus, welk een ommekeer!

Is schoone Rosalind, nog pas zoo teer

Vergood, alreeds vergeten? 'k Zie, de min

Dringt bij de jeugd het oog, maar 't hart niet, in.

Jesu Maria! hoeveel tranen vloten

U langs de wang, om Rosalind vergoten!

Wat zilte vloed begoot die teêre plant

Der liefde, nu gewied met snelle hand!

Nog heeft de zon de neev'len niet verjaagd

Van uwe zuchten; 't gonst me, alsof gij klaagt,

In 't oor nog; 't is me, als zie ik meen'gen traan

Onafgewischt u nog in de oogen staan;

Waart ge ooit uzelf, en leedt gij liefdesmart,

Dan trof toen smart om Rosalinde uw hart.

Zijt gij nu omgezwaaid? erken het dan:

Een vrouw zij zwak, want krachtloos is de man.

ROMEO. Vaak hebt gij om mijn liefde mij berispt.

LORENZO. Niet liefde, maar vergoding werd gegispt.

ROMEO. Ik moest die min begraven.

LORENZO. In geen graf,

Dat daadlijk aan een andre 't leven gaf.

ROMEO. Geen blaam! want zij, wier hand ik nu verlang,

Schenkt hart voor hart; ik geef en ik ontvang;

Zoo deed die andre niet.

LORENZO. Die zag: uw min

Was oogelust, maar drong uw ziel niet in.

Maar kom, mijn jonge vlinder, laat ons gaan;

Één zaak beweegt me, u hierin bij te staan:

Misschien bekroont deez' zegen uwen echt,

Dat de oude veeten vreedzaam zijn beslecht.

ROMEO. Kom, vader, kom: elk uur is van gewicht.

LORENZO. Al zacht, mijn zoon! wie voortholt, struikelt licht.

(Beiden af.)

Romeo en Julia · 第 17 / 41 题