JULIA. Goed' nacht, wel duizend keer!
(Julia af.)
ROMEO. Neen, duizend keer
Stikdonk're nacht, nu ik uw licht ontbeer!
Liefde ijlt tot liefde, als knapen van het leeren,
Maar draalt bij 't gaan, zooals zij schoolwaarts keeren.
(Hij gaat langzaam heen.)
(Julia verschijnt weer, boven.)
JULIA. H'st, Romeo, h'st!--O, nu den roep, waarmeê
De valkenier zijn edelvalk weer lokt!
Afhanklijkheid is heesch en moet wel fluistren;
'k Scheurde anders de spelonk, waar Echo woont,
En dwong haar galm zich heescher dan mijn stem
Te roepen met den naam van Romeo.
ROMEO (terugkeerend). Het is mijn ziel, die bij mijn naam mij roept!
Hoe zilverzoet klinkt liefdes stem bij nacht,
Als streelendste muziek in 't luistrend oor!
JULIA. Romeo!
ROMEO. Mijn dierbre?
JULIA. Hoe vroeg zal ik mijn bode morgen zenden?
ROMEO. Te negen uur.
JULIA. Gerust, ik zal het doen.
't Is twintig jaar wel tot dat uur. 'k Vergat,
Waarom ik, lieve, u heb teruggeroepen.
ROMEO. Laat mij hier toeven, tot ge u hebt bedacht.
JULIA. 'k Vergeet het steeds, opdat gij toeven zoudt,
Als ik bedenk, hoe lief me uw bijzijn is.
ROMEO. En ik vertoef, opdat gij 't blijft vergeten,
En ik vergeet elk ander t'huis dan dit.
JULIA. 't Is uchtend schier; ik wensch nu, dat ge gaat;
Maar verder niet dan 't vinkje, dat een meisje
Al spelend even van haar hand laat springen,
Een arm, gevangen, vastgebonden dier,
Dat zij met zijden draad terug kan trekken,
Uit liefde angstvallig, dat het vrijheid zoek'.
ROMEO. Ware ik uw vogel!
JULIA. 'k Wenschte 't ook, maar bracht
Door liefde u dood wellicht. Nu goede nacht!
In 't scheiden is zoo lieflijk wee verborgen,
Dat ik goed' nacht zou zeggen tot den morgen.
(Julia af.)
ROMEO. Dat slaap op 't oog u daal', vrede in 't gemoed!
Ware ik dan vrede en slaap, dan rustte ik zoet!--
Nu spoedig naar des vromen vaders cel,
Wien ik om hulpe smeek, mijn heil vertel!
(Romeo af.)