De tuin van Capulet's huis.
Romeo komt op.
ROMEO. Wie nooit het schrijnen voelde, spot met wonden.
(Julia verschijnt aan het open venster, boven.)
Maar stil! wat licht breekt door het venster ginds?
't Is 't oosten daar, en Julia is de zon!--
Rijs, schoone zon! verdrijf de maangodin,
Die bleek en ziek van afgunst is, dat gij,
Haar dienares, veel schooner zijt dan zij.
Verlaat haar dienst, nu zij afgunstig is!
Haar maagden zijn in zieklijk bleek gehuld;
Dat kleed, slechts dwazen dragen 't; werp het af!--
Zij is het, mijn gebiedster, mijne liefde;
O wist zij, dat zij 't is!--
Zij spreekt, al zegt ze niets; maar niettemin,
Haar oog spreekt duidlijk, ik wil antwoord geven.--
Neen, al te stout; ik ben 't niet, wien ze toespreekt;
Een tweetal schoonste sterren aan den hemel,
Naar elders afgezonden, smeekt haar oogen
In hare plaats te schitt'ren, tot zij keeren.
Maar waren ginds haar oogen, hier de sterren,
Waar nu haar oogen stralen, o, de glans
Dier wangen zou die sterren diep beschamen,
Als 't licht des dags een lamp; en aan haar oogen
Ontstraalde van den hemel dan een gloed,
Door 't voog'lenkoor als morgenlicht begroet!
Zie, hoe zij met de wang leunt op haar hand;
O, ware ik slechts de handschoen aan die hand,
En kuste ik zoo die wang!
JULIA. Helaas!
ROMEO. Zij spreekt!--
Spreek voort, gij schitt'rende engel! Ja, gij straalt
Zoo heerlijk in de nacht hier boven mij,
Als een gevleugeld hemelbode glanst
Voor de in bewondring 't wit vertoonende oogen
Der stervelingen, die, teruggezonken,
Hem volgen, als hij op de wolken stijgt,
En, door de lucht gedragen, statig zweeft.
JULIA. O Romeo, Romeo! waarom zijt gij Romeo?
Verloochen uwen vader, uwen naam,
Of, wilt ge dat niet, wees in liefde mijn,
En 'k ben van stonden aan geen Capulet.
ROMEO. Moet ik nog verder luistren, of nu spreken?
JULIA. 't Is slechts uw naam, die vijand is;--gij zijt
Uzelf geheel, geen Montague. Want wat
Is Montague? dat is noch hand, noch voet,
Noch arm, noch aangezicht, noch eenig deel,
Dat van een man is. Wees een andre naam!
Wat is een naam? Het ding, dat roos nu heet,
Geurde, als 't een andren naam had, even lieflijk;
Ook Romeo zou, waar' Romeo niet zijn naam,
Zijn eigen, volle, dierbre waarde houden.--
O Romeo, werp af uw naam, en neem
Voor uwen naam, die van uzelf geen deel is,
Mijzelf geheel.
ROMEO. Ik houd u aan uw woord.
Noem mij uw liefste, op nieuw laat ik mij doopen;
Voortaan wil ik nooit Romeo meer zijn.
JULIA. Welk man zijt gij, die, dus in nacht gehuld,
Hier mijn geheim beluistert?
ROMEO. Met een naam
Weet ik u niet te zeggen, wie ik ben.
Mijn naam, o schoone heil'ge, is voor mijzelf,
Wijl hij uw vijand is, een haat'lijk woord;
Had ik dat hier, geschreven, 'k scheurde 't stuk.
JULIA. Nog heeft geen honderd woorden van uw tong
Mijn oor gedronken, toch, ik ken de stem;
Zijt gij niet Romeo, en een Montague?
ROMEO. Neen, lieve, niets van dat, als 't u mishaagt.
JULIA. Hoe kwaamt gij hier? o zeg mij, en waarom?
Hoog is de muur, en moeilijk te beklimmen;
Denk wie ge zijt; gij waart een kind des doods,
Als een van mijn verwanten u hier vond.
ROMEO. Op lichte liefdevleug'len overzweefde ik
Deez' muur; geen steenen wal kan liefde keeren;
Wat liefde kan, dat waagt ze ook te beproeven;
En daarom ducht ik uw verwanten niet.
JULIA. 't Is uw verderf, als een van hen u ziet.
ROMEO. Ach, meer gevaar dan twintig van hun zwaarden
Dreigt mij uw oog; straal' dat mij vriendlijk toe,
Hun vijandschap vindt mij gestaald.
JULIA. O, 'k wensch
Voor heel de wereld niet, dat ze u hier zien.
ROMEO. Het kleed der nacht verbergt mij voor hun oog;
Hebt gij mij lief, zoo laat hen vrij mij vinden;
Maar liever, daadlijk sneven door hun haat,
Dan kwijnend sterven zonder uwe liefde.
JULIA. Wie was 't, die naar deez' plaats den weg u wees?
ROMEO. De liefde, die mij aandreef u te zoeken;
Die diende mij van raad, ik haar van oogen;
Ik ben geen zeeman, maar, waart ge ook zoo ver
Als de oever, door de verste zee bespoeld,
Ik waagde toch de vaart voor zulk gewin.
JULIA. Gij weet, de nacht omsluiert mijn gelaat;
Mijn wang bleek anders door een blos geverfd
Om wat deez' nacht u daar verraden heeft.
Liefst ware ik zedig; liefst, ja liefst, herriep ik,
Wat ik daar sprak; maar, zedigheid, vaarwel!
Bemint ge mij? Ik weet, gij antwoordt, "ja!"
En ik vertrouw uw woord; doch als gij zweert,
Kondt gij wel trouwloos blijken; Jupiter
Lacht, zoo men zegt, om valsche minnaarseeden.
O, dierbre Romeo, bemint gij mij,
Zeg 't eerlijk, trouw, of, als ge denkt, dat ik
Te snel mij winnen liet, wil ik verstoord
En stuursch zien, "neen" u zeggen, als ge aldus
Mij winnen wilt, maar anders, neen, om niets
Ter wereld niet. Voorwaar, mijn Montague!
Mijn liefde is al te machtig; zoo kon 't zijn,
Dat gij mij in mijn doen lichtzinnig acht;
Maar, o, geloof mij, ik zal trouwer blijken,
Dan die de kunst verstaan, bedeesd te zijn.
'k Had me ook bedeesd getoond, ik wil 't erkennen,
Hadt gij mij niet beluisterd, eer ik 't dacht,
Toen 't innigst harte sprak; vergeef mij dus,
En acht me om 't uiten dezer liefde, die
De donkre nacht verried, niet licht van zin.
ROMEO. Geliefde, ik zweer u bij die heil'ge maan,
Die aller boomen toppen daar verzilvert,--
JULIA. O zweer niet bij de maan; ze is ongestadig,
En eeuwig wisselt ze in haar schijf; uw liefde
Mocht onbestendig blijken, zooals zij.
ROMEO. En waarbij zweer ik dan?
JULIA. Zweer ganschlijk niet,
Of, zoo gij wilt, zweer bij uzelf; gij zijt
De god, dien ik vereer, en ik geloof u.