EERSTE TOONEEL.

Een open plaats bij Capulet's tuin.

Romeo komt op.

ROMEO. Hoe kan ik voortgaan, als mijn ziel hier blijft?

Keer om, nietswaardig stof, en zoek uw ziel.

(Hij klimt over den muur en springt in den tuin.)

(Benvolio en Mercutio komen op.)

BENVOLIO. Hé, Romeo, Romeo, kom toch!

MERCUTIO. Hij doet wijs;

Hij sloop naar huis, waarachtig, naar zijn bed.

BENVOLIO. Hij liep hierheen en sprong den tuinmuur over.

Mercutio, roep hem!

MERCUTIO. Ja, 'k bezweer hem zelfs.--

Hé, Romeo! grillen, dolkop, hartstocht, minnaar!

Vertoon u in gedaante van een zucht!

Spreek slechts één rijm, dan laat ik u met vreê;

Roep maar, "wee mij!" en zeg maar "liefde" en "griefde",

Geef aan vrouw Venus een paar zoete woordjes,

Een aardig spotnaampje aan haar blinden zoon,

Aan 't jonkske, dat zoo treflijk schoot, toen koning

Cophetua het beed'laarsmeisje minde!--

Hij hoort niet, roert zich niet, beweegt zich niet;

Ons aapje is dood, maar 'k wek het.--Ik bezweer

U bij den glans van Rosalinde's oog,

Haar prachtig voorhoofd, haar kersroode lippen,

Haar kleinen voet, slank been, en malsche heup,

En bij 't gebied, dat verder hieraan grenst,--

Dat gij in uw gedaante aan ons verschijnt!

BENVOLIO. Gij ergert hem, als hij u hoort.

MERCUTIO. Dit kan

Hem wis niet erg'ren. Erg'ren zou het hem,

Deed ik een and'ren, vreemden geest verrijzen,

Die in den tooverkring van zijn geliefde

Te dringen wist, en wijken wou noch buigen,

Aleer zij daartoe hem bezworen had.

Dit waar' hem ergernis, maar mijn bezwering

Is goed, betaamlijk; in haar lieven naam

Bezweer ik hier hem-zelf, dat hij verrijz'.

BENVOLIO. Kom! hij heeft zich verborgen in 't geboomt';

Zijn gril is 't, in de kille nacht te rillen;

Zijn liefde is blind; het duister past er bij.

MERCUTIO. Is liefde blind, dan kan zij 't doel niet treffen.

Nu strekt hem wis een mispelboom tot dak,

En wenscht hij, dat zijn liefje zulk een vrucht waar',

Die tot hem riep, "kom, pluk me, pluk terstond!"

O Romeo, waar' dit zoo! O waar' dit zoo!

En viel zij maar van zelve u in den schoot!--

Nu, Romeo, goede nacht; 'k ga naar mijn mandje;

Dit veldbed is voor 't slapen mij wat frisch.

Kom, gaan we?

BENVOLIO. Ja, 't is toch vergeefs gezocht;

Die zich niet vinden laat, wordt niet gevonden.

(Beiden af.)

Romeo en Julia · 第 12 / 41 题