JULIA. Neen, zweer toch niet; 'k begroet u blij, maar niet
Dat wiss'len van geloften in deez' nacht;
Dat is te snel, te plotsling, te onberaden,
Te zeer als 't weerlicht, dat verdwijnt, nog eer
Men zegt: "het licht!" Vaarwel! Deez' liefdeknop,
Door 's zomers aâm gekoesterd, is misschien
Een schoone bloem bij 't volgend wederzien.
Vaarwel, vaarwel, geliefde! Dat deez' nacht
Uw hart, als 't mijne, een zoete ruste wacht'!
ROMEO. O, laat ge mij zoo onbevredigd gaan?
JULIA. Wat wenscht gij dan? Wat laat u onvoldaan?
ROMEO. O, schenk me uw mingelofte voor de mijne.
JULIA. Ik gaf ze u reeds, en eer gij er om vroegt;
Maar 'k wenschte, 't stond aan mij, ze nog te schenken.
ROMEO. Gij wenscht ze weer terug? waartoe, geliefde?
JULIA. Om mild te zijn, en ze u nog eens te schenken;
En toch, ik wensch naar wat ik steeds bezit;
Mijn mildheid is zoo grensloos als de zee,
Mijn liefde is peilloos; deel ik meer u mee,
Te meer blijft me over; beide zijn oneindig.
(De Voedster roept achter het tooneel.)
Ik hoor geroep; hoe gaarne ik toeven zou,
Vaarwel!--Ik kom!--Wees, Montague, mij trouw!--
Toef nog een korte poos; ik kom terug.
(Julia af.)
ROMEO. O zaal'ge, zaal'ge nacht! Ja, maar 't is nacht,
En daarom ducht ik, alles is een droom,
't Is al te schoon om werklijkheid te zijn.
(Julia verschijnt weer, boven.)
JULIA. Drie woorden, dierbre Romeo,--dan vaarwel!
Als uwe liefde oprecht en edel is,
En gij me als gâ verlangt, geef mij dan morgen
Door een, die 'k tot u zenden zal, bericht,
Waar en wanneer gij 't plechtig huw'lijk wenscht;
'k Leg al mijn heil dan in uw hand, en volg
U, als mijn gade en heer, de wereld door.