Een straat.
Romeo, Mercutio, Benvolio met 5 of 6 Maskers, Toortsdragers en Anderen
komen op.
ROMEO. Verschoonen we onze stoutheid met deze aanspraak,
Wat denkt ge er van? of gaan we zoo naar binnen?
BENVOLIO. De tijd is uit van zulke omslachtigheid;
Geen liefdegod, die ons naar binnen brengt,
Geblinddoekt en als een Tataar gewapend,
Met een geverfde lat voor boog, die als
Een vogelschrik de dames weg doet vluchten!
Geen toespraak hij onze intreê, half geleerd,
En opgedreund, terwijl een ander voorzegt!
Neen, nemen zij het op zooals zij willen,
Wij nemen 't luchtig op en dansen meê.
ROMEO. Geef mij een toorts, ik houd niet van dat springen,
'k Ben zwaar te moê en draag dus liefst het licht.
MERCUTIO. Neen, dansen moet gij, beste Romeo.
ROMEO. Ik niet, geloof me toch. Gij, zieltjes zonder zorg,
Hebt lichte zooltjes voor den dans; mijn ziel,
Zij is bezwaard, gedrukt; met looden zool
Gaat dansen niet; ik kwam niet van den grond.
MERCUTIO. Gij zijt verliefd, leen dus Cupido's wieken,
En vlieg er hooger mee dan een, die springt.
ROMEO. Zijn pijl vloog mij te zwaar in 't hart, om met
Zijn luchte wiek te vliegen, en ik kan
Niet springen over 't wee, dat voor mij ligt;
De zware last der liefde drukt mij neer.
MERCUTIO. Veeleer moest gij uw liefde nederdrukken,
Schoon gij een teeder ding dan zwaar belast.
ROMEO. Is liefde een teeder ding? Ze is veel te ruw,
Te scherp, te onstuimig, en als doornen steekt ze.
MERCUTIO. Is liefde ruw met u, wees ruw met haar;
Steek weder, als zij steekt, en gij blijft boven.--
Geef mij nu zoo'n foed'raal voor mijn gezicht.
(Hij doet een masker voor.)
Een mom nog voor een mom! Wat scheelt het mij,
Wat scherpziend oog mijn leelijkheid hier monstert?
Dit puilend voorhoofd bloze nu voor mij.
BENVOLIO. Kom, klopt nu aan; naar binnen! zijn wij daar,
Dan geve een elk zijn beenen flink te doen.
ROMEO. Voor mij een toorts; dat dart'len, licht van hart,
't Gevoelloos strooibies kitt'len met de voeten;
Voor mij, ik houd me aan 't oude en ware woord:
"Wie 't licht te dragen heeft, zie rustig toe;"
Hoe mooi het spel moog' wezen, ik ben 't moe.
MERCUTIO. Ja, dat zegt elk, die in de modder spartelt.
Zijt gij 't nu moe, wij brengen koord en trekken
U uit dat minneslijk, waarin ge steekt
Tot over de ooren toe.--Wij branden licht bij dag.
ROMEO. 't Is ver van dag.
MERCUTIO. Verzuimen wij het feest,
Ons licht ware, als bij dag, voor niet geweest.
Kom mee, wij meenen 't goed, stel dit op prijs,
Veel meer dan onzen geest, dan doet gij wijs.
ROMEO. 't Zij goed van mij, met u naar 't feest te gaan,
't Is toch niet vroed.
MERCUTIO. Hoe moet ik dit verstaan?
ROMEO. Ik had van nacht een droom.
MERCUTIO. Ik ook.
ROMEO. En wat?
MERCUTIO. Dat droomen leugens zijn.
ROMEO. Geloof me, ik had
Er een, zóó waar, dat ik niet twijflen mocht.
MERCUTIO. O zoo, ik zie, fee Mab heeft u bezocht.
Ze is de elfenkoningin, die droomen brengt;
Zij komt, niet grooter dan het beeldje op
De' agaatsteen in den ring eens aldermans,
En rijdt, met een gespan van zonnestofjes,
Over den neus van menschen in hun slaap.
De raderspeeken zijn van spinnebeenen,
Van fijne sprinkhaanvleugels is de kap,
Van 't web der kleinste spinnen zijn de teugels,
Van maanschijnstralen is het tuig; de zweep
Is van een krekelscheen en biezepluis;
Haar voerman is een mug, in 't grijs gekleed,
Niet half zoo groot als 't ronde wormpje, dat
In 't vingertopje huist van luie meisjes;
Haar rijtuig is een holle hazelnoot,
Gemaakt door meester Eekhoorn of baas Wurm,
Van oudsher reeds der elfen wagenmakers.
En met dit span bezoekt ze nacht op nacht
Het brein van minnaars, die alsdan van liefde,
De knie van hoov'lingen, die dan van buigen,
De hand van procureurs, die dan van kosten,
Den mond van meisjes, die van kussen droomen;
Maar deze straft vaak Mab in toorn met puistjes,
Wijl snoeperij haar adem heeft vervalscht.
Soms galoppeert zij op den neus eens hoov'lings,
Die speurt dan droomend nieuwe gunstbewijzen.
Soms neemt zij 't staartje van een bigge en kittelt
Een zielenherder in zijn slaap den neus,
Dan droomt hij daad'lijk van een vetter kerspel.
Soms draaft zij op den hals van een soldaat,
Die meen'gen vijand dan den hals doorklieft,
Van bressen, hinderlagen, Spaansche klingen,
Van drinken uit een reuzenpokel droomt;
Dan hoort hij vlak aan 't oor een trom, springt op,
Ontwaakt, en vloekt een schietgebed of twee,
En slaapt weer in. Dit is dezelfde Mab,
Die 's nachts de manen van de paarden vlecht,
En slordig haar dooreenwart tot een vilt,
Waarvan de ontwarring tal van rampen spelt;
Dit is dezelfde heks, die meisjes drukt,
Als ze op den rug gaan liggen, en haar zoo
Aan 't dragen went, waardoor zij vrouwen worden
Van veel gewicht; 't is--
ROMEO. Stil, Mercutio, stil!
Gij praat van iets, dat niets is.
MERCUTIO. Ja van droomen,
En die zijn kindren van een spelend brein,
Verwekt door niets dan ijle fantaisie,
Die lucht van wezen is gelijk de lucht,
En wisselzieker dan de wind, die nù
Zijn heil zoekt aan de ijskoude borst van 't noord,
En dan, verbolgen, heensnelt met een storm,
't Gelaat gekeerd naar 't zoel, dauwdropp'lend zuid.
BENVOLIO. Met al dien wind blaast gij ons af van 't doel;
't Maal is voorbij; zoo komen wij te laat.
ROMEO. Ik vrees te vroeg; ik heb een voorgevoel:
Een onheil, dat nog in de sterren zweeft,
Is op het punt verschrikk'lijk los te breken
In deze feestnacht, en van 't haatlijk leven,
In deze borst besloten, mij te ontslaan
Door 't laag vergrijp van een te vroegen dood.
Maar Hij, die op mijn vaart de roerpen houdt,
Richt' mij mijn zeil!--Vooruit, met lust, mijn vrienden!
BENVOLIO. Kom aan! de trom!
(Allen af.)