Een zaal in Capulet's huis.
Muzikanten staan gereed. Bedienden komen op.
EERSTE BEDIENDE. Waar is Braadpan, dat hij niet helpt
afnemen? Hei! bordenwiss'laar! hei! bordenschraap!
TWEEDE BEDIENDE. Als het voor de netheid aankomt op een paar
menschenhanden, en die zijn bovendien ongewasschen, dan ziet het er
treurig uit.
EERSTE BEDIENDE. Weg met de vouwstoelen, op zij met die aanrechttafel,
let op het zilvergoed!--Zeg, vriend, bewaar een stuk marsepein voor
mij, en als je mij een pleizier wilt doen, zeg dan aan den portier, dat
hij Suze Slijpsteen en Leentje binnenlaat.--Hei! Teunis en Braadpan!
TWEEDE BEDIENDE. Ja zeker, kerel; in orde.
EERSTE BEDIENDE. Er wordt naar je uitgekeken, naar je geroepen,
naar je gevraagd, naar je gezocht, in de groote zaal.
TWEEDE BEDIENDE. We kunnen toch niet te gelijk hier wezen en daar.--Met
lust, jongens, vlug wat; de langstlevende krijgt alles.
(De Bedienden af.)
(Capulet komt op, met zijn Echtgenoote en Dochter, een Oom en andere
Gasten; evenzoo de Maskers.)
CAPULET. Weest welkom, heeren! ziet, wie van de dames
Geen likdoorns heeft, doet gaarne een dans met u.--
Wel, schoone dames! spreekt! wie van u allen
Zou nu niet willen dansen? 'k Zweer, wie hier
Zich nuffig toont, heeft zeker eksteroogen.
Nietwaar, ik heb 't getroffen?--Welkom, heeren,
O, 't heugt me, dat ook ik een masker droeg
En menig streelend woord mijn schoone in 't oor
Gefluisterd heb; dat is voorbij, voorbij!
Weest welkom, heeren!--Kom, muziek, muziek!
Ruim baan, ruim baan! Komt, meisjes, rept den voet!
(Muziek en dans.)
(Tot de Bedienden.) Meer licht, gij droomers! klept de tafels op!
Weg met het vuur, 't is hier al veel te warm!--
Waarachtig, die verrassing komt van pas!
Oom Capulet, laat ons er bij gaan zitten;
Voor u en mij is 't dansen wel voorbij;--
Hoe lang zou 't zijn, dat gij en ik voor 't laatst
Een masker droegen?
OOM CAPULET. Vast wel dertig jaar.
CAPULET. Kom, man, zoo lang is 't niet, zoo lang is 't niet.
't Was op de bruiloft van Lucentio;
Als Pinksteren weer in 't land is, laat het dan
Een vijf en twintig jaar zijn, meer toch niet.
OOM CAPULET. 't Is meer, 't is meer; zijn zoon is ouder; ja,
Die is wel dertig.
CAPULET. Wat vertelt ge daar?
Kom, kom, voor twee jaar was hij nog vervoogd.
ROMEO (tot een Bediende). Wie is die schoone jonkvrouw, die de hand
Van gindschen ridder siert?
BEDIENDE. Ik weet niet, heer.
ROMEO. O, zij eerst leent den toortsen gloed en pracht!
Het is als rustte ze op de wang der nacht,
Gelijk in 't oor eens moors een rijk juweel;
't Is schoonheid, voor deze aard te rijk en te eêl!
Een duif, sneeuwwit, bij 't kraaienvolk verdwaald,
Straalt zooals zij bij haar genooten straalt.
Ik nader haar na dezen dans; de druk
Dier hand schenke aan de mijne 't zoetst geluk.
Beminde ik ooit? Mijn oog zegg' neen! want, ziet!
Wat ik ooit zag, was de echte schoonheid niet.
TYBALT. Dat moet een Montague zijn, naar zijn stem.
Haal mij mijn degen, knaap!--Hoe waagt die schurk
Hierheen te komen, met een grijns bedekt,
Om schimp en hoon te werpen op ons feest?
Nu, bij den roem en luister van mijn stam,
't Waar' goed gedaan, als ik hem 't leven nam.
CAPULET. Wat hebt ge, neef? Wat dolle razernij?
TYBALT. Een vijand, oom, een Montague is hij,
Een schurk, die, achter 't masker, onbevreesd
Hier komt, ons hoont, beschimpt op 't plechtig
feest.
CAPULET. 't Is jonge Romeo?
TYBALT. 't Is Romeo, die schurk.
CAPULET. Bedaar, mijn waarde neef, laat hem met vreê;
Hij toont zich steeds een wakker edelman;
En, waar is waar, Verona boogt op hem,
Wijl hij een braaf, bescheiden jong'ling is.
'k Zou voor de schatten onzer stad niet willen,
Dat hier in huis hem hoon wierd aangedaan;
Verdraag hem dus, bemoei u niet met hem.
Ik wil dit zoo; hebt ge eerbied voor mijn wil,
Wees vriendlijk; neen! toon op 't gelaat geen wrevel,
Want dat is iets, wat op een feest niet past.
TYBALT. Het past, dringt zulk een schurk zich in als gast;
Ik duld hem niet.
CAPULET. Ik wil, dat gij hem duldt;--
Wat, jonge heer!--Ik zeg, het moet!--kom aan!
Ben ik hier baas of gij?--Ik zeg 't, kom aan;
Gij duldt hem niet?--Wel, bij mijn zaligheid,
Zoudt gij hier tweedracht stoken? Wil uw haan
Hier koning kraaien? Gij de man hier zijn?
TYBALT. Maar oom, 't is schande!
CAPULET. Wel, komaan, komaan!
Gij ingebeelde knaap, gij zegt, 't is schande?
Ik peper 't u wel in; ik zal 't onthouden.
Gij mij weerstreven? Nu voorwaar, 't is fraai!--
Goed zoo, mijn vrienden!--Hoor, waanwijze knaap,
Pas op, of ik....!--Meer licht, meer licht!--Ik zal 't
U wel verleeren!--Goed zoo, goed, mijn vrienden!
TYBALT. Gedwongen dulden en verwoede spijt,
Zij doen mij trillen door hun fellen strijd!
Ik ga; maar 'k zweer, het zoet, dat hem dit bal
Verschafte, wordt hem bitterder dan gal!
(Tybalt af.)
ROMEO (tot Julia). Ontwijdt deez' hand vermetel dit altaar,
't Zij zonde, ja, maar wil 't vergeeflijk achten;
Mijn mond wil met een blozend pelgrimpaar
Door teed'ren kus dien ruwen druk verzachten.
JULIA. O goede pelgrim, smaad uw hand niet langer;
Wèlpassend eerbetoon bewijst ge aldus;
Een heil'ge gunt zijn hand den beêvaartganger,
En hand in hand is vrome pelgrimskus.
ROMEO. Maar hebben heil'gen niet ook lippen?
JULIA. Ja,
Als pelgrims, voor het murm'len van gebeden.
ROMEO. Dan doen, wat handen deden, lippen na;
Zij smeeken, spaar mij wanhoop, hoor mijn eeden!
JULIA. Stil staat een heil'ge, al staat hij beden toe.
ROMEO. O sta dan stil, nu 'k dus mijn bede doe.
(Hij kust haar.)
Zoo is mijn mond door uwen mond ontzondigd.
JULIA. Zoo heeft mijn mond dus zonde voor zijn gunst?
ROMEO. Van mij een zonde? O misdrijf, zoet verkondigd!
Geef mij mijn zonde weer!
JULIA. Gij kent de kunst.
VOEDSTER. Jonkvrouw, uw moeder vraagt, waar gij toch blijft.
ROMEO. Wie is de moeder van de jonkvrouw?
VOEDSTER. Haar moeder is de vrouw des huizes, jonker!
En ze is een goede en wijze en vrome vrouw,
En ik, ik was de minne van haar dochter,
Met wie gij spraakt; en 'k zeg u, die haar krijgt,
Die krijgt nog wel een aardig duitje er bij.
ROMEO. Een Capulet! Wat pandbrief! Ja, mijn leven
Heb ik als schuld mijn vijand prijs gegeven.
BENVOLIO. Komt, laat ons gaan, genoten is de lust.
ROMEO. En 'k vrees, voor goed vervloten mijne rust.
CAPULET. Komt, heeren, gaat nog niet, er staat voor u
Wat vruchten, wijn, zoo'n kleinigheid gereed.--
Is niets er aan te doen?--Dan dank ik u;
Ik dank u zeer, mijn' heeren; goede nacht!--
De toortsen bij de hand!--Kom dan, naar bed;
't Is wèl geweest, voorwaar, het is al laat,
En ik verlang naar rust.
(Allen af, behalve Julia en de Voedster.)
JULIA. Kom, minne, hier.--Wie is die heer daar ginds?
VOEDSTER. Tiberio's een'ge zoon en erfgenaam.
JULIA. En hij, die daar nu juist de zaal verlaat?
VOEDSTER. Dat is Petruccio, zoover ik zie.
JULIA. En die nu volgt, en die niet dansen wou?
VOEDSTER. Dien ken ik niet.
JULIA. Ga 't even vragen.
(De Voedster gaat naar den uitgang.)
Is zijn hand niet vrij,
Dat dan het graf mijn huwlijkssponde zij!
VOEDSTER (terugkeerend). Zijn naam is Romeo; 't is een Montague,
En van uw grooten vijand de een'ge zoon.
JULIA. Mijn een'ge liefde ontsproot mijn een'gen haat!
'k Zag onbewust te vroeg, ik wist te laat!
O! had mij 't lot voor zulk een min behoed,
Dat ik mijn ergsten vijand minnen moet!
VOEDSTER. Wat zegt ge daar?
JULIA. Een rijmpje, dat ik pas
Daar van een danser leerde.
(Achter het tooneel wordt geroepen:) Julia!
VOEDSTER. Kom, ieder is nu weg; wij komen;--ja.
Chorus treedt op.
CHORUS. Zoo ligt nu de oude hartstocht op de baar,
En jonge liefde smacht, zijn schatten te erven;
Bij Julia verbleekte 't schoon van haar,
Die Romeo deed zuchten, schier deed sterven.
Betoov'ring sloeg hun beider hart in boeien!
Die liefde wekte, is zelve in liefde ontbrand;
Zijn schijnb're vijandin doet hem ontgloeien,
En zij plukt liefdes bloem aan de' afgrondsrand.
Daar hij als vijand geldt, staat hem niet vrij,
Haar met een eed van eeuw'ge min te groeten;
Nog minder is, hoe echt haar liefde ook zij,
Het haar vergund, dien minnaar ooit te ontmoeten.
Maar min geeft kracht, en tijd gelegenheid;--
Zoo mengt zich met vertwijfling zaligheid.