DERDE TOONEEL.

Een kamer in Capulets huis.

Gravin Capulet en de Voedster komen op.

GRAVIN CAPULET. Waar is mijn dochter, voedster? Roep haar eens.

VOEDSTER. Nu, bij mijn onschuld, toen ik twaalf jaar oud was,

'k Heb al geroepen.--Zeg, mijn lam, mijn poetje;--

Bewaar!--Waar zit ze toch?--Hé, Julia!

(Julia komt op.)

JULIA. Wie roept mij daar?

VOEDSTER. Uw moeder.

JULIA. Nu, hier ben ik,

En tot uw dienst. Wat is uw wensch?

GRAVIN CAPULET. Ik zal 't u zeggen. Minne, ga eens heen;

'k Wil een geheim gesprek.--Wacht, minne, blijf;

'k Bedenk mij daar, gij moogt het mede hooren.

Ge weet, mijn dochter krijgt nu haast de jaren.

VOEDSTER. 'k Weet op een uur precies hoe oud of ze is.

GRAVIN CAPULET. Geen veertien nog.

VOEDSTER. 'k Verwed wel veertien tanden,--

Ach, tien te veel, ik heb er nog maar vier;--

Dat zij geen veertien is. Hoe lang is 't nog

Tot Pieters-banden?

GRAVIN CAPULET. Veertien dagen ruim.

VOEDSTER. Nu, ruim of krap, maar op dien dag van 't jaar,

Op Pieters-banden, 's avonds, is ze veertien.

Mijn Suze en zij,--vrede allen Christenzielen!--

Ze waren even oud;--nu, Suze is lang bij God;

Ze was te goed voor mij;--maar, als ik zeide,

Op Pieters-banden, 's avonds, wordt ze veertien;

Dat wordt zij, inderdaad, ik weet het goed.

De aardbeving, ja, is elf jaar nu geleên;

Ze werd toen juist gespeend,--'k vergeet het nooit,--

Ja, juist dien dag van 't jaar, dien eigen dag;

Want ik had alsem op mijn borst gelegd,

En zat in 't zonnetje aan de duiventil;--

De graaf en gij waart toen naar Mantua,--

Ja, òf 'k onthouden kan!--zooals ik zei,

Toen 't kind den alsem aan mijn tepel proefde

En bitter vond, wat was dat kleine ding

Balsturig en hoe boos was ze op de borst!

Krak, zei de duiventil, en 't was, geloof me,

Niet noodig mij te zeggen: pak je weg!

En ja, dat is elf jaren nu geleên;

Ze stond toen goed alleen, ja, bij mijn ziel,

Ze liep en dribbelde door 't huis, want, ja,

Den dag te voren viel ze een buil aan 't voorhoofd;

Ja, en toen nam mijn man,--God hebb' zijn ziel,--

Hij was een grappenmaker, 't kind op de' arm;

"Wel", zei hij, "kind, wat! valt gij op 't gezicht?

Gij valt wel achterover, als gij wijs wordt;

Niet, Juultje?" En zoo waar ik leef, het kind

Hield op met haar geschrei en zeide: "ja".--

En kijk, nu komt het uit, zooals hij 't zei;

'k Verzeker u, al word ik duizend jaar,

'k Vergeet het nooit; "niet, Juultje?" zei hij; en

Het kleine nest werd stil en zeide: "ja".

GRAVIN CAPULET. Genoeg hiervan, ik bid u, minne, zwijg.

VOEDSTER. O, 'k zwijg, maar 'k moet toch lachen, als ik denk,

Het kind hield op met schreien en zei: "ja".

En toch, het schaap had op haar voorhoofd, links,

Een buil, zoo groot wel als een duivenei,

Een grooten bult, en 't huilde van geweld.

"Wel", zei mijn man, "wel! valt gij op 't gezicht?

Gij valt wel achterover, als gij groot zijt;

Niet, Juultje?" En 't kind werd stil en zeide: "ja!"

JULIA. Wees gij ook stil nu, minne, zeg ik na.

VOEDSTER. O, 'k heb gedaan, dat God u gunstig zij!

Gij waart het liefste zoogkind, dat ik had;

Als ik 't beleefde u nog getrouwd te zien,

Dan waar' mijn wensch vervuld.

GRAVIN CAPULET. In trouwe, trouwen is nu juist de zaak,

Waarvan ik spreken woû. Mijn dochter Julia,

Zeg mij, wat zoudt ge van een huwelijk denken?

JULIA. Ik heb van zulk een eer nog niet gedroomd.

VOEDSTER. Een eer! ware ik uw min niet, 'k zeide, dat

Gij wijsheid met de melk hadt ingezogen.

GRAVIN CAPULET. Nu, denk dan thans aan 't huw'lijk. Jong'ren nog

Dan gij zijn in Verona achtb're vrouwen,

Ja, moeders zelfs; ik was te nauwernood

Zoo oud als gij nu zijt, toen ik alreeds

Uw moeder was. Genoeg, verneem in 't kort:

De wakk're Paris wenscht u tot zijn vrouw.

VOEDSTER. Dat is een man, mejonkvrouw, dat 's een man,

Er is ter wereld,--o, een man van was!

GRAVIN CAPULET. Verona's zomer heeft geen bloem als hij.

VOEDSTER. Een bloem! Gewis, hij is een ware bloem.

GRAVIN CAPULET. Wat zegt gij, kind? kunt gij den graaf beminnen?

Gij ziet hem dezen avond op ons feest;

Lees dan het boek van zijn gelaat, en zie

Daar met de pen der schoonheid vreugd geschreven;

Beschouw er iedren enklen trek en vind,

Hoe de eene met de andre lieflijk zich verbindt.

Waar 't schoone boek u duister blijven moog',

Het randschrift ter verklaring geeft zijn oog.

Dit kostlijk boek, waar liefde in is te lezen,

Mist slechts een band, om waarlijk schoon te wezen;

Hij leeft als 't vischje vrij; 't brengt luister aan,

Zoo schoonheid slaagt het schoone in boei te slaan;

En 't boek wint hooger waarde in veler oogen,

Welks gouden kern op gouden slot mag bogen.

Zoo hebt gij deel aan alles wat hij heeft,

En wordt niet minder, schoon ge uzelf hem geeft.

VOEDSTER. Niet minder, neen, eer neemt gij door hem toe.

GRAVIN CAPULET. Spreek, hebt ge zin aan Paris' zij te leven?

JULIA. 'k Heb zin te zien, of 't zien mij zin kan geven.

Doch dieper zendt mijn oog geen liefdeschicht,

Dan naar de klem, waarmede uw wil ze richt.

(Een Bediende komt op.)

BEDIENDE. Mevrouw, de gasten zijn er, het maal wordt opgedischt,

uw edelheid wordt geroepen, de jonkvrouw in de zaal gewenscht, de

voedster in de keuken verwenscht, en alles is op het tipje. Ik moet

oogenblikkelijk heen om te gaan bedienen. Ik bid u, kom dadelijk.

(Bediende af.)

GRAVIN CAPULET. Wij komen.--Julia, laat den graaf niet wachten.

VOEDSTER. Ja, voeg bij schoone dagen schoone nachten.

(Allen af.)

Romeo en Julia · 第 8 / 41 题