Een straat.
Capulet, Paris en een Dienaar komen op.
CAPULET. Maar Montague is met dezelfde boete
Als ik bedreigd, en ons, die oud zijn, kan 't
Zoo zwaar niet vallen vrede te bewaren.
PARIS. U beiden noemt een ieder eerbiedwaardig;
't Is te betreuren, dat deez' veete u scheidt.--
Maar, eedle graaf, wat antwoordt ge op mijn aanzoek?
CAPULET. Hetzelfde, wat ik vroeger heb gezegd:
Mijn kind is nog een vreemd'ling in de wereld;
Geen veertien lentes heeft zij nog aanschouwd;
Een tweetal zomers prijk' nog en verdwijn',
Eer ze als een bruid in vollen bloei verschijn'.
PARIS. Zelfs jong'ren smaken reeds de moedervreugd.
CAPULET. Die 't zoo vroeg doen, betreuren vroeg hun jeugd.
Ze is de een'ge hoop, die de aard niet van mij eischte,
De hoopvolle erfgenaam van al mijn goed.
Maar, jonge vriend, beproef, of gij haar wint;
Mijn wil is met den haren eensgezind;
Als gij haar hart, haar woord verwerven kunt,
Dan is volgaarne ook mijn stem u gegund.
Deze' avond is te mijnent feest, een bal,
Zooals ik jaarlijks geef; ik noodde een tal
Van lieve gasten; gij behoort er bij;
Hoogst welkom is 't mij, schaart ge u in hun rij.
Mijn need'rig huis wordt heden door 't gewemel
Van aardsche sterren tot een lichten hemel;
Genot, zooals een blijde jongling smaakt,
Wanneer April, in al zijn schoon ontwaakt,
Den kreup'len winter voortdrijft, zulk een vreugd
Wacht u bij mij, als gij de ontloken jeugd
Der schoonste knoppen ziet; kom, zie en hoor,
En dat alsdan de minn'lijkste u bekoor'!
Ook mijn kind neem' daar, onder velen één,
Een plaatsjen in, al tell' zij nog voor geen.--
Kom, ga met mij.--Hier, knaap, neem gij dit blad
En draaf eens rond bij allen in de stad,
Die hier geschreven staan, en zeg: zij zijn
Te mijnent hartlijk welkom op 't festijn.
(Capulet en Paris af.)
DIENAAR. Gaan ronddraven bij die hier geschreven staan? Er staat
geschreven, dat de schoenmaker zich bij zijn el moet houden, en de
kleermaker bij zijn leest, de visscher bij zijn kwasten en de verver
bij zijn netten; maar ik word rondgestuurd om de menschen te gaan
vragen, wier namen hier geschreven staan; maar dat kan ik niet zonder
te vragen, welke namen de schrijver hier geschreven heeft. Ik moet
geleerde lui hebben.--Ha, dat treft goed!
(Romeo en Benvolio komen op.)
BENVOLIO. Kom, vriend, het eene vuur kan 't andre dooven,
Een oude pijn neemt af door nieuwe smarten,
Een tegendraai komt duiz'ligheid te boven,
Een nieuwe hartwond heelt verwonde harten;
Een nieuw vergif grijp' thans uw oogen aan,
De kracht van 't oude is dan te niet gedaan.
ROMEO. Een weegbreeblad zal wel voldoende zijn.
BENVOLIO. Waarvoor dan, vriend?
ROMEO. Voor een geschaafde scheen.
BENVOLIO. Wat, Romeo, zijt ge dol?
ROMEO. Niet dol, maar als een dolleman in banden,
Gekerkerd en door honger afgemat,
Gestriemd, gemarteld;--goeden avond, vriend!
DIENAAR. Hetzelfde, heer.--Ik bid u, kunt gij lezen?
ROMEO. Ja, 'k lees mijn noodlot in mijn diepe ellend'.
DIENAAR. Dat hebt gij misschien zonder boek geleerd, maar ik bid u,
kunt gij ook lezen, wat gij geschreven ziet?
ROMEO. Als ik de letters en de taal maar ken.
DIENAAR. Dat zegt gij wèl; ik groet u, heer.
ROMEO. Geef op maar, ik kan lezen, knaap.
(Hij leest.)
"Signor Martino, met zijn vrouw en dochters,
Dan graaf Anselmo met zijn schoone zusters,
Mevrouw de weduwe Vitruvio,
Signor Piacenzo en zijn lieve nichten,
Mercutio en zijn broeder Valentijn,
En Capulet, mijn oom, met vrouw en dochters,
En Rosalind, mijn schoone nicht, en Livia,
Signor Valentio en Tybalt, zijn neef,
En Lucia met de lieve Helena".--
Een schoon gezelschap, waar komt dit bijeen?
DIENAAR. Boven.
ROMEO. Waar zoo?
DIENAAR. Op 't avondfeest in ons huis.
ROMEO. In wiens huis?
DIENAAR. In 't huis van mijn meester.
ROMEO. Daar had ik maar het eerst naar moeten vragen.
DIENAAR. Nu, ik zal het u wel vertellen, zonder dat gij 't vraagt. Mijn
meester is de groote, rijke Capulet, en als gij niet van het huis der
Montagues zijt, kom er dan gerust een roemer wijn doodslaan.--Leef
gezond!
(Dienaar af.)
BENVOLIO. Op dit festijn van Capulet verschijnt
Met alle schoonen, die Verona roemt,
Uw Rosalind; bezoek het, vergelijk
Met held'ren blik eens haar gelaat met andre,
Die ik u wijs; en met een ommezwaai
Verklaart gijzelf uw zwaan dan voor een kraai.
ROMEO. Verloochnen zoo mijn oogen hun geloof,
Mijn tranen mogen dan in vuur verkeeren,
Dat aan die ketters 't levenslicht dan roov',
Die vocht zoo vaak bedolf en nooit kon deren.
Een schooner maagd! De zon, die alles ziet,
Zag sinds de schepping haars gelijke niet.
BENVOLIO. Gij zaagt slechts haar alleen, en in uw oogen
Werd ze enkel met haarzelve steeds gewogen;
Maar weegt gij in die zelfde held're schalen
Haar eens met and'ren, die ge op 't feest ziet stralen,
En die 'k u wijzen wil, dan blijkt u ras,
Dat zij, die 't best u scheen, slechts taam'lijk was.
ROMEO. 'k Ga mee,--maar weet, dat dit u nooit gelukt;
Zij blijft mijn zon, wier luister mij verrukt.
(Beiden af.)