BENVOLIO. Ver van verliefd?
ROMEO. Ver van de gunst der schoone, die ik min.
BENVOLIO. Ach, dat de Min, zoo lieflijk zacht in schijn,
In waarheid zulk een wreed tyran kan zijn!
ROMEO. Ach, dat de Min, schoon hem een sluier blindt,
Toch naar zijn doel zoo goed de paadjes vindt!
Waar eten wij?--Wee mij!--Wat twist was hier?--
Neen, zeg 't maar niet; 'k heb alles reeds gehoord.
Veel zorg baart hier de haat, maar liefde meer;--
Twistzieke liefde en liefdevolle haat!
O, al wat is, geheel uit niets ontstaan!
O zware luchtheid! ernstige ijdelheid!
Misvormde chaos van recht schoone vormen!
Loodveder, lichtsmook, ijsgloed, kranke welstand,
Steeds wakk're slaap, die rust zoekt door gewoel,
Zoo voel ik min, maar min niet wat ik voel!
Nu lacht gij niet?
BENVOLIO. Neen, vriend, eer zou ik weenen.
ROMEO. Waarom, mijn vriend?
BENVOLIO. Dat zooveel wee u griefde.
ROMEO. Mijn waarde vriend, zoo grieft de pijl der liefde.
Mijn eigen leed ligt mij reeds zwaar op 't hart,
Uw leed om mij vermeerdert nog mijn smart;
Gij toont, hoe gij een ware vriend wilt zijn,
Maar voegt meer leed bij de overmaat van 't mijn.
Liefde is een nevel, saamgevloeid uit zuchten;
Zij straalt als vuur, wanneer die neev'len vluchten,
In 't oog der minnenden; wordt zij te zeer,
Te wreed verdrukt, dan wordt ze een tranenmeer.
Wat is zij verder? Waanzin vol verstand,
Verfrisschend koeltje en felle zonnebrand.--
Vaarwel, mijn vriend!
(Hij keert zich af, om heen te gaan.)
BENVOLIO. Neen, neen, ik ga met u;
Miskenning is 't, toont ge u voor mij zoo schuw.
ROMEO. Mijzelven ben ik bijster; hier ben 'k niet;
Neen, vriend, 't is Romeo niet, dien gij hier ziet.
BENVOLIO. Kom, zeg me in ernst, wie is 't, die gij bemint?
ROMEO. Het is een droevige ernst, verlangt gij tranen?
BENVOLIO. Neen, zeg 't in ernst, en niet in tranen.
ROMEO. Zeg
Een zieke in ernst, zijn zaken te beschikken;
't Is kwade troost, den lijder te verschrikken!--
In ernst dan; 'k min een vrouw.
BENVOLIO. Dat heb ik wel
Getroffen, vriend, toen 'k uw verliefd-zijn giste.
ROMEO. Voortreff'lijk schutter!--En ze is schoon, die 'k min.
BENVOLIO. Het schoonste wild is 't eerst in 's jagers macht.
ROMEO. Thans treft gij 't niet; zij tart Cupido's macht,
Daar ze evenals Diaan zijn pijl belacht;
Der kuischheid pantser maakt haar onbedwingbaar,
't Is voor zijn kinderschoten ondoordringbaar.
Zij slaat den storm van liefdebeden af;
Geen blik dringt in haar hart; geen schat op aard,
Die heil'gen zelfs verleidde, kan haar winnen;
O, zij is rijk in schoon, maar, als zij sterft,
Is ze arm; haar schoon vergaat, en geen, die 't erft.
BENVOLIO. Zij zwoer, voor zich haar schoonheid te bewaren?
ROMEO. Ja, maar een groote spilzucht is dat sparen;
Die strengheid doet haar schoon voor niet versmachten,
En rooft dat schoon aan komende geslachten.
Ze is te overschoon en wijs, dan dat ze denkt,
Dat mijn ellende zaligheid haar schenkt;
De liefde zwoer zij af; en door dien eed
Ben 'k levend dood, slechts klaag ik nog mijn leed.
BENVOLIO. Hoor dan mijn raad; vergeet aan haar te denken.
ROMEO. O! leer mij dan, het denken te vergeten.
BENVOLIO. Geef aan uw blik de vrijheid weer en sla
Ook andre schoonen gade.
ROMEO. Dan voorwaar
Noem ik haar uitgelezen schoon het hoogst.
't Gelukkig mom, dat, zwart, een blank gelaat
Mag kussen, stelt de blankheid meer in 't licht;
De blindgeword'ne kan den dierb'ren schat
Van 't licht, dat hij moet derven, nooit vergeten.
Toon mij een vrouw, uitnemend schoon; wat is
Haar schoonheid meer, dan een vermaan aan haar,
Die de uitgelezenste overtreft? Vaarwel;
Gij wilt mij doen vergeten; ijdel streven!
BENVOLIO. Ik doe 't, of blijf uw schuld'naar heel mijn leven.
(Beiden af.)