EERSTE TOONEEL.

Verona.--Een marktplein.

Samson en Gregorio komen op, met zwaard en schild gewapend.

SAMSON. Op mijn woord, Gregoor, wij moeten niets langs onzen kant

laten gaan.

GREGORIO. Zeker niet, want dan krijgen wij er langs.

SAMSON. Neen, maar dan zal ik mijn kantje wel keeren en van leer

trekken.

GREGORIO. Neen, vriend, je houdt je leêren kolder wel aan, daar ken

ik je voor.

SAMSON. Pas op, als ik eens aan den gang kom, gaat het er op los,

alsof ik den kolder in den kop had.

GREGORIO. Zoo? maar je komt niet gauw aan den gang.

SAMSON. Een hond van het huis Montague kan me al aan den gang brengen.

GREGORIO. Aan den gang gaan is te gaan loopen, en een kerel, die een

hart in 't lijf heeft, houdt stand; dus, als je aan den gang gaat,

loop je weg.

SAMSON. Een hond van dat huis beweegt mij om stand te houden; laat

komen wie wil, dienstman of dienstmaagd van Montague, ik houd hen aan.

GREGORIO. Dat doet je alweer als een zwakken bloed kennen; want de

zwakste houdt zich aan alles vast.

SAMSON. 't Is waar, en daarom moeten vrouwen, die de zwakste vaten

zijn, aan het vasthouden gelooven;--daarom wil ik de dienstmannen

van Montague aanpakken en wegjagen, en zijn dienstmaagden aanpakken

en vasthouden.

GREGORIO. De twist is tusschen onze meesters en ons, hun dienstmannen.

SAMSON. Dat doet er niet toe, ik wil mij een tyran toonen; als ik

de mannen heb afgemaakt, wil ik wreed zijn en aan de dienstmaagden

beginnen.

GREGORIO. Wilt gij die ook afmaken?

SAMSON. Ja, ik wil ze afmaken of maagd-af maken; neem het op, zooals

gij wilt.

GREGORIO. Ik wil er niets van hebben; laten zij het opnemen, die het

moeten voelen.

SAMSON. Mij zullen zij voelen, zoolang ik een kerel van stavast ben;

en 't is bekend, dat ik nog al een stevig stuk vleesch ben.

GREGORIO. Gelukkig, dat je geen visch bent, want dan was je al lang

gebeukte leng.--Trek nu maar je stuk ijzer, want daar komen er van

het huis van Montague.

(Abraham en Balthazar komen op.)

SAMSON. Ik heb al getrokken; maak nu maar twist, ik zal je den

rug dekken.

GREGORIO. Wat, mij den rug keeren en wegloopen?

SAMSON. Wees maar niet bang.

GREGORIO. Ik bang voor jou? nu nog mooier!

SAMSON. Laat ons het recht aan onze zij houden, laten zij beginnen!

GREGORIO. Ik zal een boos gezicht zetten, als ik langs hen ga, dan

kunnen ze dat opnemen zooals zij willen.

SAMSON. Neen, zooals ze durven. Ik zal op mijn duimnagel tegen ze

bijten; 't is een eeuwige schande voor ze, als ze 't verdragen.

ABRAHAM. Bijt je tegen ons op je duim, kerel?

SAMSON. Ik bijt op me duim, kerel.

ABRAHAM. Bijt je op je duim tegen ons, kerel?

SAMSON (tot Gregorio). Hebben we 't recht aan onzen kant, als ik

ja zeg?

GREGORIO. Neen.

SAMSON. Neen, kerel, ik bijt op me duim niet tegen jou; maar ik bijt

op me duim, kerel.

GREGORIO. Zoek je ruzie, kerel?

ABRAHAM. Ruzie, kerel? Neen, kerel.

SAMSON. Zoo je anders ruzie zoekt, dan ben ik je man, ik dien een

even goeden heer als jij.

ABRAHAM. Geen beet'ren, zeker.

SAMSON. Wat meen je?

(Benvolio komt onopgemerkt op; Tybalt in het verschiet, door Gregorio

en Samson ontwaard.)

GREGORIO. Zeg maar gerust, een beet'ren; daar komt een neef aan van

onzen heer.

SAMSON. Ja wel, een beet'ren.

ABRAHAM. Dat is gelogen.

SAMSON. Trek, als je 't hart hebt.--Gregoor, denk aan dien fameuzen

uitval van je.

(Zij vechten.)

BENVOLIO. Gij dwazen, uit elkaar!

Steekt op uw zwaard; gij weet niet wat gij doet.

(Hij slaat hun zwaarden neder.)

(Tybalt komt op.)

TYBALT. Wat! handgemeen met hazen zonder hart?

Benvolio, hier! en zie uw dood in 't oog.

BENVOLIO. Ik noop hen tot den vreê; steek op uw zwaard;

Zoo niet, gebruik 't met mij, om deez' te scheiden.

TYBALT. Het zwaard ontbloot en vrede! 'k gruw van 't woord,

Als van de hel, van uw geslacht en u.

Hier, lafaard, hier!

(Zij vechten; van verschillende zijden komen Dienaars en Aanhangers

van de beide huizen toeschieten en nemen deel aan den strijd; dan

komen Burgers en Gerechtsdienaars met knuppels en hellebaarden,

die zich tusschen de strijdenden werpen.)

EERSTE BURGER. De hellebaarden voor! steekt, houwt ze neer!

Weg met die Capulets en Montagues!

(De oude Capulet komt op, in huisgewaad, gevolgd door Gravin Capulet.)

CAPULET. Wat is dat voor rumoer?--Geef mij mijn zwaard!

GRAVIN CAPULET. Wat roept gij om uw zwaard? roep om uw kruk!

CAPULET. Mijn zwaard! Daar is die oude Montague,

En dreigt mij sarrend met de ontbloote kling!

(Montague komt van de andere zijde op, door zijn Vrouw gevolgd.)

MONTAGUE. Laat los, laat los!--Vervloekte Capulet!

GRAVIN MONTAGUE. Neen, 'k duld niet, dat ge een voetstap verder zet!

(De Vorst komt op, met Gevolg.)

VORST. Oproerige onderdanen, vredehaters!

Die 't staal bevlekt, ontwijdt door 's buurmans bloed,--

Wat! hoort men niet?--Gij mannen, wilde dieren,

Die weer 't verterend vuur van uwe woede

Met purperstroomen uit uw aad'ren bluscht,--

Op folterstraf, werpt uit de onzaal'ge handen

Die waap'nen neêr, tot euveldaad gestaald!

Gij hebt uw vorst gekrenkt! geeft acht op 't vonnis!

Driemaal heeft oproer, door een vluchtig woord

Verwekt van u, bejaarde Capulet

En Montague, de rust der stad verstoord,

Zoodat Verona's oudste burgers, zich

Van 't statig kleed van hunnen rang ontdoend,

Met oude handen oude zwaarden zwaaiden,

Van vredes roest doorknaagd, om u te scheiden,

Wien lange haat de harten heeft doorknaagd.

Stoort ge ooit de rust op nieuw, uw beider leven

Is dan verbeurd door 't breken van den vreê.--

Gij andren, gaat, voor ditmaal, uwes weegs;

Gij volgt mij, Capulet; u, Montague,

Verwacht ik na den middag op mijn slot,

Om daar mijn wil te hooren en gebod.--

Nog eens, op straf des doods, een ieder ga!

(De Vorst en zijn Gevolg, Capulet, Gravin Capulet, Tybalt, Burgers

en Dienaren af.)

MONTAGUE. Wie bracht die oude veete op nieuw ter bane?

Spreek, waarde neef, waart gij ook bij 't begin?

BENVOLIO. De dienaars van uw weêrpartij en de uwe

Vond ik hier reeds in fel gevecht, en trok

Het zwaard, om hen te scheiden; daar verscheen

De vuur'ge Tybalt, met ontbloote kling,

En zwaaide, met verderf en dood mij dreigend,

Ze boven 't hoofd en kliefde de ijle lucht,

Die, hierdoor niet gedeerd, hem fluitend hoonde.

Toen volgden meen'ge stoot en houw; daar kwamen

Er meer en meer, en vochten met elkaar;

Toen kwam de vorst en scheidde ons van elkaar.

GRAVIN MONTAGUE. O, waar is Romeo? zaagt gij hem?--Mij is 't

Een groote vreugd,--hij was niet bij deez' twist.

BENVOLIO. Meer dan een uur, voordat de heil'ge zon

In 't oosten door zijn gouden venster gluurde,

Joeg de onrust van mijn geest mij in het veld,

En, in de dreef van wilde vijgeboomen,

Ginds westlijk van de stad, zag ik uw zoon

Zoo vroeg reeds aan het dwalen. 'k Nam mijn weg

Om hem te ontmoeten, maar hij merkte mij,

En was weldra in 't dichte bosch verdwenen;

Ik, die zijn wenschen afmat naar mijzelf,

Die plekjes opzocht, waar ik niemand vond,

Die voor mijzelf, vermoeid, reeds één te veel was,

Volgde eigen luim en liet hem gaarne alleen,

Die even gaarne mij te ontwijken scheen.

MONTAGUE. Reeds meen'gen morgen werd hij daar gezien,

Nog tranen voegend bij den morgendauw,

De wolken meerd'rend door zijn diepe zuchten;

Maar nauw begint de zon, die 't al verheugt,

In 't uiterst oosten van Aurora's koets

Het schaduwig behangsel weg te schuiven,

Of Romeo sluipt somber weg van 't licht,

En sluit zich eenzaam in zijn kamer op,

De luiken dicht, den blijden morgen buiten,

En schept kunstmatig zich een donkre nacht.

Die zwarte stemming moet noodlottig blijken,

Zoo de oorzaak niet voor goeden raad wil wijken.

BENVOLIO. En, oom, weet gij volstrekt de reden niet?

MONTAGUE. Ze is me onbekend, hij wil mij niets ontdekken.

BENVOLIO. Gij drongt toch bij hem aan, om ze te weten?

MONTAGUE. Niet ik alleen, maar andre vrienden ook.

Doch hij, die zelf zijn eigen neiging raad geeft,

Is voor zichzelf,--ik zeg niet, hoe betrouwbaar,--

Maar zoo geheimnisvol en zoo gesloten,

Zoo ver van zich te onthullen en te ontplooien,

Als 't knopje, waar een booze worm aan knaagt,

Eer 't in de lucht zijn geur'ge blaadjes spreiden,

Of aan de zon zijn schoonheid wijden kan.

O, wisten wij, van waar zijn leed ontstaat,

Wij vonden door die wetenschap hem baat.

(Romeo komt op, in de verte.)

BENVOLIO. Hij komt!--Gaat heen; ik vraag hem naar zijn leed,

En laat niet los, aleer ik de oorzaak weet.

MONTAGUE. O, kreegt ge door uw toeven dit gedaan,

Dat hij u waarheid biechtte!--Kom, wij gaan.

(Montague en gravin Montague af.)

BENVOLIO. Mijn waarde, goeden morgen!

ROMEO. Wat! nog morgen?

BENVOLIO. 't Is negen uur.

ROMEO. Ach, tijd valt lang door zorgen.--

Was 't niet mijn vader, die met haast daar ging?

BENVOLIO. Hij was 't.--Wat zorg maakt u den tijd zoo lang?

ROMEO. Dat ik niet heb, wat mij dien korten zou.

BENVOLIO. Verliefd?

Romeo en Julia · 第 5 / 41 题