ongeveer 10000 inwoners. Nadat we het lichtschip, de Moeara Bajoer
zijn gepasseerd, bevinden we ons reeds spoedig bij de vrij smalle
monding. Leven is hier nog niet te bekennen, maar na eenige uren
stoomens komen we langs kleine dorpen en vertoonen zich hier en daar
enkele tambangans, totdat we een hoek om varend plotseling Samarinda
voor ons zien liggen, aan beide zijden van de rivier zich over een
grooten afstand uitstrekkend.
Ook hier weer leven en vertier, wat aangenaam aandoet na de
lange tijden, die we door de eenzaamheid voeren. Ook hier is de
rivier weer bezaaid met tambangans, de rank gebouwde, sierlijke
gondeltjes, welke de, ons van elders welbekende sado's, tweewielige
karretjes, vervangen. Een tambangan is een kostbaar bezit voor
een Borneaan. Iemand, die een tambangan bezit, welke keurig wordt
onderhouden, is een welgesteld man; hij kan daarmede ruimschoots
in zijn onderhoud voorzien en het is verwonderlijk, hoe hij met
dit vaartuig kan manoeuvreeren. Wij, die voor het eerst daarin
plaats nemen, voelen er ons niet dadelijk in thuis en zijn beangst,
dat we elk oogenblik in het gewirwar van vaartuigjes zullen botsen
en omkantelen. Maar nooit ofte nimmer gebeurt dit, al voelen we ons
dikwijls heel klein, vooral wanneer we met dit ranke vaartuigje langs
zij van het groote schip gaan liggen om ons met veel moeite langs de
houten trap naar boven te werken. Beneden op het water schommelend
is het, als zien we tegen een torenhoog huis op en we zijn werkelijk
blij, wanneer we het stevige schip weer onder onze voeten voelen.
Soms is de rivier bezaaid met drijvende waterplanten en wel gebeurt
het, dat geheele eilandbrokken van boven komen afdrijven en hun weg
zoeken naar zee, terwijl millioenen en millioenen haften,--"lajap"
zegt de Borneaan--, een soort netvleugelige insecten, soms daarboven
fladderend, rond zweven, een teeken, dat het spoedig zal gaan regenen.
We treffen het, dat de boot onmiddellijk aan den steiger kan meren;
niet altijd gebeurt dit, daar de steiger niet alle booten, die van
verschillende richtingen op Samarinda aankomen, kan bedienen en men
soms uren moet wachten, tenzij de kapitein er de voorkeur aan geeft
midden in de rivier voor anker te gaan en daar met lossen en laden
te beginnen.
Vlak achter de aanlegplaats loopt een lange straat, langs de rivier
uitgestrekt, welke niet voldoende ruimte schijnt te bieden voor het
drukke verkeer.
Recht doorloopend komt men in het gedeelte, waar de europeanen,
voornamelijk ambtenaren en handelsmenschen, wonen; groot is hun
aantal niet, een paar honderd. Aangezien de rivierzijde in deze wijk
niet is bebouwd, geniet men van uit deze huizen van een prachtig
vergezicht over de rivier, welke hier ongeveer 700 meter breed is
en aan de overzijde waarvan de boegineesche vestiging is gelegen,
allen onderdanen van den sultan van Koetei. Het stuk grond, waarop
Samarinda ligt, is door den sultan aan het gouvernement afgestaan,
zoodat dit kleine stukje gouvernementsgrond ligt te midden van
de zelfbestuursgebieden. Hetzelfde is geschied met de andere
vestigingen van de bestuursambtenaren, zooals Tandjong Redeb en
Tandjong Seilor. Bij contract is deze z.g. "vierkante paal" vastgelegd.
Samarinda is de voornaamste handelsplaats van Oost-Borneo en een
plaats nog in opkomst. Toch zal het nooit de plaats van Bandjermasin,
de eerste haven van den archipel voor den uitvoer van boschproducten,
kunnen innemen, daar haar achterland niet van zoo groot belang is;
achter Bandjermasin ligt de rijke Oeloe Soengei, dat wel eens de
korenschuur van Borneo wordt genoemd. Balikpapan zelfs heeft om zoo
te zeggen in het geheel geen achterland en is dus geheel en al op de
Bataafsche aangewezen.
Samarinda heeft in- en uitvoer met Singapore, Celebes en Java; haar
uitvoer bestaat hoofdzakelijk uit getah pertja en rotan.
Hoewel de sultan van Koetei ook een huis heeft te Samarinda te
midden van de boegineesche vestiging, staat zijn eigenlijk paleis
te Tenggaron, eenige uren stroomopwaarts. Het groote houten gebouw
is zeer modern ingericht en bevat groote schatten o.a. aan oude
kralen. Electrisch verlicht biedt de troonzaal een schitterenden
aanblik, al doet het voor onzen smaak komisch aan naast den troon
b.v. een groot, maar absoluut ontstemd orchestrion aan te treffen,
wat de sultan zelf natuurlijk buitengewoon mooi vond. De firma Pander
uit Amsterdam richtte indertijd het paleis in en het geheel maakt
werkelijk een grootschen indruk. Het is duidelijk, dat de sultans van
Koetei behooren tot de zeer rijken onder de inlandsche gebieders en ook
de landschapskas van Koetei is zeer rijk, hetgeen ieder toeschouwer
opvalt, die de overal keurig uitgevoerde landswerken opmerkt. De
andere landschapskassen verkeeren in veel slechtere conditie, zoodat
eenige jaren geleden besloten werd deze te vereenigen tot één geheel,
waardoor de kleinere konden profiteeren van de zooveel rijkere kas
van Koetei, zeer tegen den zin van den sultan van Boeloengan, welke
meende in zijne rechten te zijn te kort gedaan en vreesde door dezen
maatregel onder den invloed van Koetei te zullen geraken. Zoodra echter
de kleinere landschappen in staat zullen zijn zich zelf te bedruipen,
zal men weer tot den ouden toestand terugkeeren.
De sultans van Koetei zijn van boegineesche afkomst: de fabelachtige
oorsprong en de genealogie van het vorstenhuis zijn beschreven in
een handschrift, de Salasila van Koetei. De vorsten van dit land
behooren tot onze trouwe bondgenooten: vooral de vroegere sultan
Soleiman (afb. 62) was een intelligent vorst, die op alle wijzen
de ontwikkeling van zijn rijk trachtte te bevorderen, de slavernij
afschafte en zelf voorging met alle slaven der vorstelijke familie
vrij te laten en voorschriften gaf tegen het willekeurig vorderen
van heerendiensten. Hij was het, die zijne zoons Adil--den lateren
sultan--Pangeran Mangkoe en Pangeran Sosro met hunne echtgenooten naar
Nederland zond om hen met de westersche beschaving in aanraking te
doen komen. Een korten tijd vertoefden zij aan het hof van koningin
Victoria van Engeland.
Na een lang regentschap na den dood van sultan Adil van Pangeran
Mangkoe, broeder van den sultan en eerste rijksgroote, een zeer
flink en voortvarend man, heeft in November 1920 Mohamad Perkesid,
een der zoons van sultan Adil, een nog jeugdig man, den troon van
Koetei beklommen.
In den laatsten tijd trekt Koetei hoe langer hoe meer de aandacht van
europeesche ondernemers, welke de sultans zeer geneigd zijn tegemoet te
komen. Zoo zijn naast de oliewinning de steenkolen van eenig belang,
welke door de Oost-Borneo Maatschappij in een hoeveelheid van 8000 à
9000 ton 's jaars worden gewonnen. Ook Pangeran Mangkoe--boven reeds
genoemd--heeft meerdere mijnen. De terreinen worden o.a. gevonden bij
Tenggaron, Moeara Djawa, Pelarang en Batoe Panggal en de kolen schijnen
van betere kwaliteit te worden, naarmate men verder het binnenland in
komt. Benedenstrooms weer dezelfde klacht, dat ze van te jonge formatie
zijn. Veel heeft overigens de exploitatie nog niet te beteekenen,
hoewel het voor het gebruik ter plaatse van heel veel nut is.
Thans zetten we onzen tocht langs de Oostkust weer voort en na
Telok Seliman, waar eene vestiging is van de N.I. Houtaankap Mij.,
te hebben aangedaan, zetten we koers naar Tandjong Redeb aan de
samenvloeiing van de Segah of Makam en de Kelai, de standplaats van
den controleur van Beraoe. Op den rechteroever der Makam bevindt
zich de bestuursvestiging; daartegenover op den linkeroever woont
de sultan van Goenoeng Taboer, terwijl op den rechteroever der Kelai
de sultan van Sembalioeng zijn zetel heeft. De laatste is heerscher
over het stroomgebied van de Kelai, de eerste over dat der Makam;
benedenstrooms van de samenvloeiing van de beide stroomen draagt de
rivier den naam van Beraoerivier.
Niet ver van Tandjong Redeb liggen de kolenmijnen van de Koninklijke
Paketvaartmaatschappij, eertijds eene concessie van den in deze
gebieden welbekenden heer Cools en later door de maatschappij
overgenomen. Thans staat het bedrijf onder leiding van een ingenieur,
terwijl op het terrein ongeveer een 400 koelies een bestaan vinden. Ook
hier moeten de kolen van jonge formatie zijn.
Evenals Beraoe heeft Boeloengan, het volgende en tevens eindstation
voor de Singapore-booten, uitvoer van boschproducten. Het ligt aan
de Kajan of Boeloenganrivier, wier stroomgebied zich achter dat van
de Beraoe ombuigt en grenst aan dat van de Mahakam. Ze ontspringt op
het Bawoeigebergte in Centraal-Borneo en stroomt na vele kronkelingen
en wendingen door eene uitgebreide delta in zee.
Tot de monding van de Pangian zou de Kajan wel voor kleine hekwielers
bevaarbaar zijn, onmiddellijk daarboven vindt men de zeer moeilijke
versnelling, de Giram Raja.
In den middenloop van de rivier heeft men de geweldigste aller
stroomversnellingen van Borneo, de Bem Brem, een onbevaarbaar
riviergedeelte van 19 K.M. lang ongeveer (zie afb. 9 en 32).
Voor deze gebieden heeft de dajak een zekere vrees. Toen ik mij in
1917 in Apo Kajan bevond, had ik een oogenblik het plan opgevat de
Kajan af te zakken, maar toen de dajaks dit bemerkten, had ik groote
moeite roeiers daarvoor te krijgen, omdat ze dan langs de beruchte
versnellingen moesten. In 1909 werden deze gebieden het eerst bezocht
door den toenmaligen kapitein Merens; deze officier had te adviseeren
of deze geweldige watermassa's bevaarbaar te maken waren in verband
met den opvoer van vivres naar Apo Kajan, welke gingen en nog steeds
gaan langs de moeilijke en gevaarlijke Mahakamrivier. Hoe het ook
zij, langs alle wegen is de opvoer naar Apo Kajan vol bezwaren, maar
toch is mijns inziens de Kajan de aangewezen weg naar dit centrale
gedeelte van Borneo. Ook de Bahau-Poedjoengan en Mentarang-Lepo
Maoet-Poedjoenganwegen zijn slecht, maar het slechtst is wel de
sedert 20 jaar gebruikte weg langs de Mahakam. Thans heeft men dan
ook eindelijk het plan opgevat den Kajanweg te volgen en is--naar ik
vernam--sedert geruimen tijd de onderluitenant Versluis bezig een
tracé langs de Bem Brem te zoeken en zal eerlang deze weg gevolgd
worden, hetgeen eene opleving van Tandjong Seilor zal beteekenen,
maar waardoor Long Iram waarschijnlijk ten doode zal zijn opgeschreven.
In 1918 bezocht ik met den ingenieur Van Eelde de Bem Brem. Men had
het plan opgevat de geweldige waterkracht van deze versnellingen te
exploiteeren ten behoeve van fabrieken, die aan het strand zouden
worden opgericht. Het onderzoek bracht aan het licht, dat de kosten
ten opzichte van de baten echter te groot zouden worden--de afstand
naar de kust is ongeveer 180 K.M.--zoodat van de grootsch opgezette
plannen wel niets zal komen.
Tandjong Seilor is een klein plaatsje van 1500 zielen ongeveer
met eene gemengde bevolking van bandjareezen, chineezen, arabieren
en boegineezen; deze laatsten onder hun op de oostkust van Borneo
welbekend hoofd Kapitan Daeng. De standplaats van den controleur ligt
op den rechteroever van de Kajan, op een landtong, gevormd door deze
rivier en de soengei Seilor. Aan de overzijde ligt Tandjong Palas,
de verblijfplaats van den sultan van Boeloengan, Maulana Sulthan
Mahamad Kasin Aldin (afb. 22), welke reeds sedert 1902 het bestuur
in handen heeft als opvolger van zijn vader Mohamad Alimoedin. De
tegenwoordige sultan is een beschaafd man, die echter, als echt
oostersch vorst, zich weinig om het bestuur van zijn land bekommert,
tenzij het gaat om financieele aangelegenheden. Hij wordt bijgestaan
door twee rijksgrooten--de sultan spreekt wel van zijn ministers--Datoe
Mansoer (afb. 23) en Datoe Adji Koening, welke eerste vooral uitsteekt
in geslepenheid en welke uitnemend de kunst verstaat aan zijn heer
die adviezen te geven, welke tot zijn eigen voordeel strekken. De
sultansfamilie behoort tot de oorspronkelijke dajaksche bevolking,
maar ging ongeveer 60 à 70 jaar geleden tot den islam over.
De beneden Kajan wordt bewoond door eene bevolking van ongeveer 2000
zielen, welke gemeenlijk wordt samengevat onder den verzamelnaam
"segai", maar welke eigenlijk bestaat uit verschillende
dajakstammen. Mij komt het voor, dat segai meer eene algemeene
naam is om het onderscheid te kennen te geven tusschen de dajaks
(segai is lendendoek) en de maleiers (orang awak, broekdragers),
dus binnenlanders tegenover kustbewoners. De bevolking hier bestaat
voor het grootste gedeelte uit dajaks, die oorspronkelijk de diepe
binnenlanden bewoonden, maar om verschillende redenen naar beneden
zijn komen afzakken. Zoo wonen hier verschillende Kenjastammen uit
Apo Kajan, welke waarschijnlijk niet langer dan een 30 jaar geleden
naar beneden zijn gekomen. De voornaamste is wel de krachtige Ma
Koelit-Kenjastam, welke de kampongs Long Pelban, Long Ledjoe en Long
Isau bewoont. Daarnaast nog enkele andere, o.a. enkele Kajans in de
kampong Boesang Badang. Afb. 21 geeft ons een dergelijk Kajantype
te zien. Misschien behooren de Gaai en Melarans in de kampongs Mara,
Keboerau en Long Noenoek nog tot de meest oorspronkelijke. De vorsten
van deze kampongs zijn het dan ook, die aanspraak op oude rechten
doen gelden en veelal de andere stammen bij het zoeken naar goede
bouwgronden dwarsboomen, omdat zij beweren heer en meester daarover
te zijn, zelfs tegen de rechten van den sultan in. Den loop der tijden
door heeft dat steeds moeilijkheden veroorzaakt. Oorspronkelijk woonden
deze stammen meer benedenstrooms, maar later hebben zij zich meer en
meer aan den invloed van de sultans van Boeloengan onttrokken en zijn
meer bovenstrooms gaan wonen. De sultans waren toen niet bij machte
hen dit te beletten, al konden zij hun wel allerlei moeilijkheden in
den weg leggen, b.v. door den opvoer van opium te beletten, waaraan
sommige hoofden indertijd ten zeerste verslaafd waren. Zoo trachtte
de sultan door allerlei kuiperijen hoofden aangesteld te krijgen, van
wie hij wist dat hij ze naar zijn hand kon zetten. Zoo werd indertijd
de jonge si Bandar, het eigenlijk erfelijk hoofd der Melarans en
Gaai in de benedenstreken, met schoone beloften naar het paleis te
Tandjong Palas gelokt om hem geheel onder den invloed van den sultan
en zijn omgeving te brengen, hetgeen weer verzet van andere hoofden,
Lig Pay en Anji Lohong, uitlokte. Het gouvernement greep in 1906 in,
met dat gevolg, dat rust en orde wederkeerden.
Waar de Pangian in de Kajan uitmondt, ligt de bestuursvestiging
Pangian, de standplaats van een inlandschen posthouder. Vroeger had
deze post wel eenige beteekenis, maar thans, nu de aanrakingen met
de binnenlanden zooveel veelvuldiger zijn en zelfs in Poedjoengan een
posthouder is aangesteld, is deze vestiging van weinig waarde en zal
ze vermoedelijk wel eens worden ingetrokken.
In Pangian hebben zich enkele boegineezen, chineezen e.a. gevestigd;
ze zijn handelaren, opkoopers van rotan, getah, was en vogelnestjes;
zij trekken de kampongs rond om hun waren op te koopen of trekken
ook wel zelf het bosch in.
Dit zoeken van boschproducten was in vroeger tijden bijna uitsluitend
het middel van bestaan der maleische bevolking in Beraoe en Boeloengan;
eerst later ging men zich meer op landbouw toeleggen. Door de sultans
werd de landbouw niet aangemoedigd; door handel in boschproducten
verdienden zij meer, niet alleen het uitvoerrecht, doch ook het
invoerrecht werd geheven voor bijna alle ingevoerde artikelen. Het
mes sneed dus van twee kanten. Of dit al of niet in het belang der
bevolking was, daarover bekommerden zij zich weinig. Ook de sultans
zelf dreven handel en lieten voor eigen rekening, meestal door hun
slaven, boschproducten zoeken.
Behoudens het betalen van 10% van het product aan den sultan was het
verzamelen van boschproducten vrij. Dit was echter alleen in naam;
niemand toch ging alleen het bosch in, men was wegens de onveiligheid
genoodzaakt zich in troepen te vereenigen. Daar de expeditie
dikwijls vijf à zes maanden duurde, moest men een groote hoeveelheid
levensmiddelen medenemen en de handelaren, voornamelijk chineezen en
arabieren, wilden wel voorschotten verstrekken aan één persoon, het
hoofd van den tocht, doch weigerden met elk der leden afzonderlijk
in relatie te treden. Ook thans nog geschiedt dit aldus en talloos
zijn de schuld- en andere zaken, welke de bestuursambtenaren hierbij
tot een oplossing hebben te brengen, moeilijk vooral, doordat alles
maar zonder eenig bewijs wordt afgegeven en ten slotte de zaken maar
moeten worden afgedaan op eenige vodjes papier, waarop de chinees of
arabier kan krabbelen, wat hij wil. Dat deze heeren er geen schade
bij hebben--al komt zelfs een groot gedeelte van de schulden niet
binnen--behoeft geen betoog.
De verschillende leden van zoo'n tocht kwamen er bijna altijd slecht
af. Leverde de tocht voordeel op, dan wist het hoofd van het gezelschap
er wel voor te zorgen, dat hem het leeuwenaandeel werd toegekend en
mislukte de tocht, dan kwamen de leden bij het hoofd in de schuld,
daar deze aansprakelijk bleef voor de gemaakte schulden bij chinees
of arabier.
Deze toestand werd nog verergerd, doordat in de bosschen gedurende
den tocht zwaar gedobbeld werd, bij welke gelegenheid het bendehoofd
als geldschieter fungeerde. De menschen moesten dan bij dit hoofd
blijven en hem op een nieuwen tocht vergezellen. De sultans wilden
de hoofden te vriend houden en gaven hun dikwijls een stuk grond--wij
zouden in onze middeleeuwen zeggen, dat ze dit in leen kregen--waar ze
zich met hun volk konden neerzetten. Later kregen zij van de sultans
bij gelegenheid van huwelijks- of andere plechtige feesten titels en
traden geheel als dorpshoofden op.
Velen van hen kregen ook soengei's of rivieren en terreinen waar zij
met hun volk de getah en rotan mochten halen. Zoo ontstonden vele van
de poesaka-soengei's en apanage-terreinen, welke vrij waren van het
opbrengen van elke belasting. In Boeloengan waren de meesten dezer
apanages reeds door den sultan ingetrokken, maar Datoe Mansoer had
als zoodanig nog een rijk gebied aan de Salimbatoerivier, hetwelk hem
door den vader van den tegenwoordigen sultan was geschonken. Hierover
was reeds meerdere malen kwestie ontstaan en meestal werd dit recht
door de bestuursambtenaren ter plaatse niet erkend. Zoo maakte
een van hen--het is al een jaar of tien geleden--aan de bevolking
bekend, dat dit recht niet bestond en gaf haar toestemming vrijelijk
boschproducten daaruit te halen, waaraan ook onmiddellijk gevolg werd
gegeven, temeer daar het een rijk gebied was, waar in jaren niets
uit gehaald was. Het gevolg was, dat Datoe Mansoer een klacht bij
de Indische regeering indiende en eene schadevergoeding van 100000
gulden vroeg. Deze kwestie is jaren en jaren blijven hangen, totdat
hieraan na lang wikken en wegen een einde kwam en ik Datoe Mansoer
kon tevredenstellen met een som van 20000 gulden. En hiermede was
dan tevens het laatste der terreinen van dien aard verdwenen.
We zagen reeds hoe hopeloos de bewoners bij hun hoofden in de schuld
geraakten en het was bijna ondoenlijk deze ooit af te doen. Trouwens de
hoofden zouden dit ook niet gaarne gezien hebben; ze namen er genoegen
mee als de menschen van hen afhankelijk bleven, in hun kampongs
bleven wonen en daardoor niet weinig hun aanzien vermeerderden. Dit
vermomde pandelingschap zal dan ook wel blijven bestaan, zoolang
nog troepen boschproductenzoekers het bosch ingaan. Verbetering zal
eerst mogelijk zijn, wanneer de bevolking zich meer intensief op
den landbouw gaat toeleggen; eerst dan kan hij zelfstandig worden;
maar nog steeds is het grootste gedeelte van de maleische bevolking
er aan gewend een gedeelte van het jaar in de bosschen te vertoeven,
daar veel ontberingen te lijden, doch dan bij thuiskomst niets meer
uit te voeren en het verdiende te verteren. Is alles op en heeft
men zooveel schulden gemaakt, dat men het niet meer houden kan en
onaangenaam door crediteuren wordt lastig gevallen, dan trekt men het
bosch weer in. Het zorgen voor de ladangs geschiedt door de vrouwen en
kinderen, alleen bij het zware werk als boschkappen en branden helpen
de mannen. En toch zou dit voor den boeloenganees de eenige manier
zijn om zich vrij te maken; ook de sawah vereischt voor hem veel te
veel werk. Op enkele plaatsen, waar de velden wat intensiever worden
bewerkt, geschiedt dit door bandjareezen of andere vreemdelingen,
die zich eerst in later jaren zijn komen vestigen.
Zoo schreef controleur van Walchren jaren geleden en nog steeds is
dit van kracht.
We zagen reeds, dat de inlander onder het vroegere sultansregime
heel wat had op te brengen: we noemden reeds de invoerrechten op
ingevoerde artikelen en 10% van de uit te voeren boschproducten, dat
aan den sultan geofferd moest worden. Om de bosschen in te trekken,
moest men voorzien zijn van een pas, welke idem zooveel kostte; verder
hadden alle dajaksche en later ook de tidoengsche gezinnen, d.w.z. de
onderworpen volken dus, de z.g. boeïs op te brengen, eene heffing in
geld of natura ter waarde van 5 gulden, welke door de dajaksche hoofden
en vertegenwoordigers van den sultan werden geïnd en geheel ten bate
kwam van den sultan. Ten slotte had men dan nog de z.g. "poeloehan",
(d.i. 1/10 gedeelte), waarbij de boeloenganees een tiende gedeelte van
de geoogste rijst aan den sultan afstond. Het is te begrijpen, dat
de bevolking dit niet altijd met genoegen deed en dit waren dan nog
alleen maar de officieele; de heimelijke knoeierijen om den inlander
af te zetten had men buitendien nog. In haat tegen belastingen behoeft
de inlander dan ook niet voor den europeaan onder te doen.
Even bovenstrooms van Pangian treft men de kiham Raja aan, welke
vroeger zeer gevaarlijk was, maar thans beter te bevaren is, nadat
men in 1910 groote en gevaarlijke gedeelten met dynamiet heeft laten
springen. Deze kiham bestaat uit een geheele reeks stroomversnellingen,
welke bij de dajaks verschillende namen dragen. De rivier breekt hier
door het zandsteengebergte heen en is afwisselend zeer breed en zeer
versmald, terwijl de bedding met rotsblokken bezaaid is. Ook de oevers
bestaan uit groote, op elkaar gestapelde rotsblokken, hetgeen het naar
boven gaan zeer lastig maakt, daar de boothaken hier geen steunpunt
vinden en men de prauwen dus niet op de gewone wijze vooruit kan
trekken. Bij laag water zijn de moeilijkheden echter niet heel groot,
maar bij bandjir is het geheel onmogelijk deze stroomversnellingen
en watervallen te passeeren. Beneden de kiham Raja kan men zeggen,
dat de benedenloop der Kajan begint, terwijl als middenloop der rivier
te beschouwen is het gedeelte tusschen de Kiham Raja en de Bem Brem.
Voor de monding van de Kajan ligt het eiland Tarakan, waar olie wordt
gewonnen. Deze is zeer zwaar, bevat bijna geen lichtpetroleum en
is tot nog toe alleen als brandstof--residu, liquid fuel--gebruikt;
ook die uit de boven niveaux der Koeteiterreinen is arm aan kerosine,
die uit het benedenniveau is daaraan rijker en bevat ook vrij veel
parafine. De aangeboorde olie loopt bij voldoenden gasdruk vanzelf
uit het boorgat of wordt daaruit kunstmatig--volgens verschillende
boorsystemen--aan de oppervlakte gebracht. De uitvloeiende olie is
dikwijls met meer of minder--meest zout--water vermengd, terwijl ook
niet zelden slijk en andere verontreinigingen worden medegevoerd. Zie
afb. 70, waar we een plotseling uitgebroken spuiter zien afgebeeld. Is
dit het geval, dan wordt daarop, met groote moeite dikwijls een
z.g. "klok" aangebracht, een dikke, van boven gesloten buis, welke
bewerkstelligt, dat de opgespoten olie langs de wanden naar beneden
valt, waarna deze wordt verzameld in groote bakken met aarden wallen
en vervolgens wordt gevoerd naar tanks om daar eenigen tijd met rust
gelaten te worden ter bezinking van alle niet olieachtige stoffen;
daarna wordt zij naar de raffinaderijen gebracht, meestal met behulp
van sterke pompen door pijpleidingen. Door distillatie en verdere
bewerkingen worden in die fabrieken uit het ruwe product gewonnen:
benzine, kerosine (licht-olie), motor-olie (zware olie), machineoliën,
parafine, asfalt en residu.