Is het, dat ze bij bepaalde gelegenheden, hetzij voor bruiloft,

begrafenis of om andere redenen, geld noodig hebben of voorwerpen om

cadeau te geven, dan trekken ze het bosch in om rotan te verzamelen om

deze van de hand te doen. In groote bundels, welke men de rivier laat

afzakken, wordt ze bijeengebracht en meestal kost het hem niet veel

moeite in deze oerwouden eene voldoende hoeveelheid te verzamelen. Is

de nood voorbij, is het geld om feest te vieren of zich nieuwe kleeren

aan te schaffen, bijeen, dan gaat hij weer heerlijk luieren, totdat na

langeren of korteren tijd hij weer enkele behoeften heeft. We zien het,

de drang, dien wij, westerlingen, bij voortduring zoo sterk gevoelen,

is dezen menschen onbekend. Maar zouden ook wij niet dikwijls heel

wat minder doen, als wij niet steeds weer door het heilige moeten

werden opgezweept?

Naast rotan verzamelt hij nog getah (rubber) en damar (hars); de

prachtige houtsoorten als ijzer- en kamferhout in zijn reuzenwouden

laat hij echter rustig voor het nageslacht staan.

Naast het plantaardig voedsel--zoo juist genoemd--eet de dajak

nog gaarne wat vleesch en visch bij zijn maaltijden. Hij maakt op

alles jacht en versmaadt zelfs geen muizen, ratten, vleermuizen en

slangen. Herten en wilde varkens zijn hem een vorstenmaal. Apen en

vogels schiet hij met de vergiftige pijltjes uit zijn blaasroer,

terwijl hij visschen met werpnet of hengel vangt. Heeft men voor een

feest veel visch noodig, dan wordt met vischgif--toeba--gewerkt. Dit is

een melkachtige vloeistof, verkregen uit de wortels van de toebaplant,

welke men in de nabijheid van alle kampongs aantreft. Deze vloeistof,

in het water geworpen, verdooft alle visschen, die zich daarin

bevinden. Een groot nadeel van deze wijze van vischvangst is, dat

ook de kleinste vischjes gedood worden, zoodat het dan ook in de

benedenstreken door het Bestuur wel verboden wordt.

Meermalen komt het voor, dat men een goed vruchtenjaar heeft, doerian,

manggistan, ramboetan e.a. Tegen den tijd, dat de vruchten rijp zijn,

zwemmen er dikwijls groote troepen wilde varkens de rivier over, om

zich aan de afgevallen vruchten te vergasten. Dit oogenblik wacht

de dajak af--altijd steken de dieren 's middags de rivier over,

eenige uren voor het vallen der duisternis--en zoodra een varken in

het gezicht is, roeit men er zoo snel mogelijk naar toe om het dier

met de lans af te maken. Men is daardoor getuige van dikwijls zeer

levendige tafereeltjes en meermalen kwam ik op mijn tochten met een

zeer rijken buit thuis.

We zagen reeds, dat in de bovenstreken meer rijst verbouwd wordt dan

elders, al is het in lange na niet voldoende voor zijn behoefte en

dient hij dit met andere voedingsmiddelen aan te vullen.

Aan den rijstbouw zijn vele oude gebruiken verbonden.

Zoo is het goed om te beginnen met het schoonkappen van een

ladang--natte rijstvelden zijn bij deze dajaks onbekend--wanneer de

"lingat" (een soort liaan) bloeit en zal men ook met het planten

wachten, totdat bepaalde vruchten rijp zijn of bepaalde boomen nieuwe

bladeren krijgen.

Alvorens een rijstveld aan te leggen, wordt er eerst weer

feestgevierd. Men verzamelt de mannen, die eten, drinken en

feestvieren, waarna men zich gezamenlijk naar het stuk bosch begeeft,

dat als toekomstig rijstveld is uitgekozen. Zijn er geen slechte

voorteekens, dan gaat men hier en daar een stuk bosch uitkappen om

vervolgens naar huis terug te keeren. Den volgenden dag gaan allen

weer naar de ladang terug. Fluit er een vogel rechts, dan is dat een

goed voorteeken; begint echter de vogel bij het uitkappen weer te

fluiten, dan houdt men dadelijk op om een andere, gunstiger plek uit

te kiezen. Zijn er echter goede voorteekens, dan wordt al het kleine

hout van de ladang in één dag uitgekapt, waarna wederom feestgevierd,

gegeten en gedronken wordt. Daarna maakt een ieder zijn eigen stuk

grond in orde, zoo noodig, geholpen door de anderen, terwijl de

groote boomen worden omgehakt. Bij slechte voorteekens moet men echter

eenige dagen wachten, daarna drie groote boomen omkappen en naar huis

terugkeeren. Den volgenden dag gaat men door met het in orde maken

van de ladang en wordt er niet meer naar de vogels geluisterd.

Is het veld geheel en al schoon, dan wordt een wilde, zure vrucht

fijngestampt en in een paar gaten in den grond gestopt. Daarna worden

de plantgaten gemaakt, welke door de vrouwen met de korrels worden

gevuld. Bij slechte voorteekens gaat men eenige dagen naar huis om

daarna niet meer te letten op goede of slechte voorteekens.

Heeft de rijst de helft van de normale hoogte bereikt, dan wordt

het veld gewied. Is de rijst rijp, dan gaan alle mannen en vrouwen

naar het veld om den oogst tegen vogels te beschermen. Daarvoor

zijn op hooge palen staande huisjes ingericht, vanwaar uit men de

vraatzuchtige vogeltjes tracht te verjagen met lange lijnen, waaraan

allerlei kleine fladderende voorwerpen zijn opgehangen of ook wel

door vogelverschrikkers, zooals ook wij die kennen.

De vrouwen snijden de rijst eerst langs den rand van het veld weg;

deze wordt gestampt en gepoft, gedeeltelijk aan de graven gebracht en

voor de rest al feestvierende opgegeten. Daarna mag eerst de andere

rijst gesneden worden.

De slechte voorteekens bij den rijstbouw zijn de volgende: bij

het begin van het kappen is het geluid van de "boeroeng pemoenak"

het teeken, dat men drie dagen moet wachten. Als een kidjang, een

soort hert, schreeuwt, gaat men vijf dagen terug en twee dagen als

de "boeroeng sagap" fluit. Het gezicht van een zwarte duizendpoot

of bepaalde soorten van slangen beteekent één dag van rust, van een

pelandoek (een soort hert) vier dagen.

Goede voorteekens bestaan hierin, dat bepaalde vogelsoorten, boeroeng

sasat o.a., van rechts gezien worden, behalve als ze vliegende den te

volgen weg snijden, wanneer men ook gedurende één dag niet mag werken.

Ook in zijne kleeding is deze dajak eenvoudig. De mannen dragen een

lendendoek van katoen en verder alleen versierselen als snoeren kralen

om hals en polsen, ringen aan de vingers, banden boven elleboog en

kuit. Zij dragen lang haar als de andere dajaks, maar het is hier

gewoonte dit in een wrong op te steken middels een haarpen (timak)

van hout, hoorn of been, soms ook van geplet en daarna gepolijst

metaal. Sommige van deze haarpennen hebben pluimen van geitenhaar,

terwijl aan de achterzijde de talisman bestaande uit een stukje

houtskool, aan de haarpen bevestigd wordt. De dajak, die gelooft,

dat houtskool niet kan vergaan, meent daarmede zijn leven te verlengen.

De vrouwen dragen, behalve een korte sarong, een soort rokje, reikende

tot even over de knie, boven de heupen vastgemaakt en aan de voorzijde

zoover afzakkende, dat de buik vrij komt en verder versierselen om

hals en polsen en in de oorschelp, wat ook de mannen hebben, maar

ringen van kleiner model.

Om den bovenrand van de sarong en om het hoofd ter hoogte van

het voorhoofd dragen zij een breeden band van kraalsnoeren. In de

bovenstreken worden bovendien spiralen koperdraad gedragen, dikwijls

reikende van pols tot elleboog, een vorm welke ons aan dien der

Serawaks doet denken.

Bij den dans dragen de vrouwen een lange sarong, welke van de oksels

tot aan de enkels reikt.

Eigenaardig bij deze dajaks is nog de eedsaflegging. De zwaarste

eed der Tinggalans is die op den hond. De te beëedigen persoon

heeft hierbij onder het opzeggen van de formulieren het oor van een

hondje met een slok water in te slikken. Afb. 56 vertoont ons een

dergelijke plechtigheid, welke ik uit den aard mijner functie had

bij te wonen. Akal, een berucht Tinggalansch koppensneller uit de

bovenstreken (afb. 55), van wien zelfs verteld werd, dat hij den

toenmaligen patrouillecommandant Posthumus had willen vermoorden,

kreeg, na een langdurige gevangenschap, vrijheid weer naar zijn land

terug te keeren. De sultan van Boeloengan achtte het noodig, dat hij

openlijk beterschap zou bekennen en dat zijn woorden door een eed

bevestigd zouden worden. De foto laat ons het moment zien, dat hij

juist het hondenoortje heeft verorberd, wat hem blijkbaar niet erg

goed heeft gesmaakt. Dat een dergelijke eed niet veel waarde heeft

gehad, bewijst wel het feit, dat hij, in zijn land terugkeerend,

onmiddellijk weer zijn praktijken in toepassing bracht door enkele

koppen te snellen, maar het nadien toch maar raadzamer vond de wijk

naar het engelsche gebied te nemen.

Hiernaast bestaan andere methoden. Men houdt iemand een stuk hout

boven het hoofd onder het uitspreken der formulieren, terwijl dit

ook kan geschieden onder het hakken van dood hout met een mandau,

terwijl de beëedigde zweert, dat zoo zeker als dit hout valt onder

de slagen van het wapen, hij zal sterven indien hij liegt.

De Poetoeks kennen nog deze manier, dat n.l. een dikke bamboe, gevuld

met water, waarin een stuk hout wordt gestoken boven het hoofd van

den beëedigde persoon wordt gehouden.

De Tidoengers--ik vertelde dit reeds--zijn een volk, ontstaan door het

zich vermengen van de oorspronkelijke dajakbevolking met menschen, die

van buiten uit zich in deze gebieden kwamen vestigen. Men onderscheidt

in dezen stam duidelijk twee dialecten: het Boeloenganeesch, dat

hoofdzakelijk wordt gesproken in het Nederlandsche gedeelte en

het eigenlijke Tidoengsch, dat op de groote eilanden Noenoekan,

Tarakan, e.a., en ook wel in het Sembakoengsche wordt gesproken,

maar voornamelijk toch in Britsch Noord-Borneo.

De Tidoengers zijn een onbekend volk, door niemand beschreven. Toch

maakt Ling Roth reeds melding van deze menschen, maar deze verhalen

zijn zóó fantastisch, dat ze alle geloofwaardigheid missen. Hij

vertelt, dat ze zeer onbeschaafd zijn en dat ze tot de menscheneters

zouden hebben behoord.--Ling Roth schreef zijn boek in 1896--hetgeen

ik niet kan aannemen, omdat daarvan de sporen nog wel zouden te vinden

zijn, al is het reeds 25 jaar geleden. Roth stelt de Solokkers uit

den Soeloe-archipel vèr boven de Tidoengers, hetgeen door Beech weer

wordt ontkend; deze stelt de laatsten verre boven de eersten.

Nog een eigenaardig verhaal, waarvan ik de waarheid niet aan de

praktijk heb kunnen toetsen, is, dat in Salimbatoe aan de Kajanrivier

vroeger staartmenschen zouden hebben gewoond. Verschillende verhalen

zijn hierover in omloop, vooral ook in Britsch Noord-Borneo, waar

deze menschen zouden leven of geleefd hebben in de bergstreken van het

eiland Laboean; zij zouden staarten hebben van vier tot zeven inches

lang, welke ze in daarvoor bestemde blokken hout met gaten staken,

wanneer ze gingen zitten!

De Tidoengers zijn meerendeels mahomedanen geworden, al is bij hen

natuurlijk nog veel van het oud animistisch geloof overgebleven. Hoe

kan dit anders? Verzot als de dajak is op sterken drank, het eten van

varkensvleesch en waar sexueele gemeenschap tusschen ongehuwden bij

hen vrij is, daar voelt hij er weinig voor, daarvan afstand te doen

ter wille van een nieuw geloof. Fanatisme is bij hen dan ook onbekend.

Nog tegenwoordig gaan deze menschen wel tot den Islam over, overgehaald

door de hoofden, die in ruil voor het nieuwe geloof wel eene belooning

in klinkende munt zullen ontvangen.

VAN BORNEO'S LAGE LANDEN AAN DE ZEE

We bevinden ons aan boord van den Koninklijken Paketvaartstoomer op weg

naar Borneo: van Soerabaja naar Bandjermasin, een afstand van ruim een

etmaal stoomens. De drukke handelsstad in Java's Oosthoek hebben we den

rug toegedraaid--de indrukken zijn ons nog levendig bijgebleven--en we

richten den steven naar onbekende oorden, het land van water en modder.

Nog nauwelijks voelen we ons thuis op onzen stoomer, waar we goed

verzorgd worden--trouwens, wat was Indië zonder onze K.P.M.--of

Borneo's lage modderkust komt reeds in het gezicht. Reeds langen tijd

hadden we langs den horizon een donkere streep opgemerkt, niet wetend

of dit eigenlijk het land zou zijn. Eerst langzamerhand dringt het

tot ons door, dat dit bosch is of in elk geval levende gewassen,

welke den schijn wekken alsof ze zoo maar in het zeewater staan

geplant. Trouwens veel verschilt het niet en bij hoog water staan

vele van deze boomen vrij diep onder water.

Neen, opwekkend is de eerste aanblik van Borneo niet en men kan zich

niet voorstellen, dat achter dit sombere gordijn zich nog leven en

opgewekt leven zou bevinden. Welk een verschil met andere eilanden:

de westkust van Sumatra, de westkust van Celebes, onze Molukken! Daar

geen modder en onooglijk lage landen, maar rotsen, die zich majestueus

uit zee oprichten. Welk een schitterende aanblik hier langs te varen,

wanneer de rotsen, door de felle tropenzon beschenen, hun schoonsten

tooi doen zien! Welk een opwekkend gevoel langs deze eilanden en

tusschen de tallooze eilandjes door te varen. Maar tevens, welk eene

waakzaamheid wordt er vereischt van onze ronde zeelui, ook nog te dezen

tijde, nu er toch al van vele gedeelten goede zeekaarten bestaan. Ik

herinner me nog duidelijk, dat, toen ik korten tijd geleden, de groote

Molukkenreis maakte, de gedachte bij mij opkwam, hoe onze voorvaderen,

de stoute zeevaarders, met hun zooveel primitiever vaartuigen, het

aandurfden den steven naar hier te richten, onbekend met het land,

onbekend met de zeeën! Wat een kerels! Neen, zulke mannen kennen wij,

hollanders, niet meer, maar toch vind ik daarvan nog veel terug in

onze tegenwoordige scheepskapiteins. Menigmaal stond ik verbaasd

over hun durf, wanneer we--soms midden in den nacht--snel de rivier

afvoeren, deze telkens overstekend om het diepe vaarwater te houden,

soms vlak langs den oever, zoodat de boomen hun bladerkronen langs

het dek lieten slierten.

We naderen de monding van den grooten stroom, die uit het hart van

Borneo naar de zuidelijke kust stroomt: de Barito. Aan een zijrivier

van dezen machtigen stroom, niet ver van de monding verwijderd,

ligt Bandjermasin aan de Martapoerarivier (afb. 58 en 59).

Het binnenvaren--vooral bij nacht--vereischt veel zeemanschap wegens

ondiepten en banken van slib. Veel moeite wordt er aan ten koste gelegd

om de vaargeul op diepte te houden, tot nu toe--naar het schijnt--met

weinig succes. Er was zelfs korten tijd geleden sprake van, dat

Bandjermasin slechts voor kleine schepen meer bereikbaar zou zijn.

De Barito heeft bij zijn monding de breedte van een zeearm; we behoeven

niet lang te stoomen om de Martapoera te bereiken en Bandjermasin,

de waterstad, ligt voor ons.

Evenals bijna overal in Borneo, leeft de bevolking op de rivier. Een

vroolijke drukte is het daar, vol leven en bedrijvigheid. Rijtuigen

zijn er niet en ieder, die een grooteren afstand heeft af te leggen,

duikt onder het afdakje van de prauw--tembangan--om tegen de zon

beschut te zijn, waarna de roeier vóór op het vaartuig met één riem

ons vaartuig vooruit laat gaan, nu eens links, dan weer rechts van

het vaartuig zijn pagaai in het water trekkend. Snel gaat het niet,

vooral stroomopwaarts, maar we zitten heerlijk en genieten van het

schoone riviergezicht.

Prachtig is de groote, oud-Hollandsche ophaalbrug! We denken ons

plotseling verplaatst in het oude Holland, als niet de ontzaglijke

rijen sierlijke prauwen--lang, zwart en smal als Venetiaansche gondels

met hoog opstaanden en versierden boeg--ons weer tot de werkelijkheid

terugriepen.

Vol leven is de rivier; vol prauwen van allerlei soort, waartusschen

allerlei stoomertjes, groot en klein, zwoegen, maar ook geweldige

houtvlotten drijven stroomafwaarts om ter zijde van den grooten stoomer

gebracht te worden, die ze veilig in zijn kolossaal lichaam verbergt

om ze daarna her- en derwaarts over de aarde uit te strooien. De

stammen zijn aan elkaar vastgesjord tot een stevigen vloer, meters

en meters in het vierkant. Zelfs huizen staan erop, waarin geheele

gezinnen een onderdak vinden. Het vormt een klein dorpje op zichzelf.

Terwijl mannen het groote gevaarte in de juiste richting houden,

loopen de kinders daarop vroolijk te spelen--een leventje om van te

watertanden--terwijl de moeder, aan den kant van het vlot gehurkt,

zit te wasschen.

De stammen worden uit de diepe binnenlanden uit de bosschen gehaald

en dagen lang wonen de menschen op deze drijvende huizen. En dit niet

alleen, veel, nog veel meer wordt uit de binnenlanden met vaartuigen

aangebracht, te veel om op te noemen, hetgeen alles in Bandjermasin

wordt verzameld, waar nijvere handen--van inlanders en europeanen--er

wel voor zorgen, dat het verder zijn weg vindt.

Zoo gaarne had ik een tocht gemaakt de Barito op [3], maar de

omstandigheden lieten dit niet toe, zoodat we ons maar liever weer

aan boord begeven van den Paketstoomer om ons te laten voeren naar

Borneo's Oosterstranden.

Voor het laatst werpen we nog een blik op het Borneaansch Venetië en

zuidwaarts stevenend, genieten we nog van de mooie kleurschakeeringen,

welke de ondergaande zon over dit idyllisch plekje werpt. De

spiegelgladde zee strekt zich nu weer voor ons uit en nadat we

ver genoeg in zee zijn en de modderbanken hebben ontweken, wenden

we den koers Noordoost. Op de groote drukte van de laatste dagen,

welke het aandoen van een haven altijd met zich brengt, is gevolgd

de stemmingsvolle kalmte van een rustigen tocht over het gladde,

onmetelijke watervlak.

Spoedig bereiken we Straat Laoet tusschen den vasten wal en Poelau

Laoet, aan welks noordpunt ligt het lieflijke Kota Baroe, met uitvoer

van peper en rotan, standplaats van een assistent-resident en in welks

nabijheid, bij Stagen, zich de door het gouvernement geëxploiteerde

kolenmijnen bevinden (afb. 60).

Stagen heeft een kolenstation aan zee, welk station door een 6

K.M. lang spoorlijntje met de eigenlijke mijnen is verbonden.

De ontwikkeling van den steenkool-mijnbouw op Borneo is langen tijd

eene lijdensgeschiedenis geweest. Het groote bezwaar vormden steeds

de hooge transportkosten, een gevolg van de gebrekkige verkeerswegen,

waardoor concurrentie met buitenlandsche kolen niet mogelijk was. In

1903 begon de maatschappij Poelau Laoet den mijnbouw bij Stagen, dat

groote voorraden schijnt te bezitten en zeer gunstig gelegen is ten

opzichte van het zeeverkeer. In 1913 ging de geheele onderneming aan

den Staat over. De jaarlijksche opbrengst bedraagt ongeveer 160.000

ton, hetgeen behoorlijk genoemd kan worden in vergelijking met die

der Ombilinmijnen, welke jaarlijks 400.000 ton leveren.

Toch schijnen de Laoetkolen--dit was althans steeds de klacht van

verschillende technici in Indië--niet te voldoen en zijn ze, evenals

alle Borneokolen van te jonge formatie.

De vaart door Straat Laoet is een en al verrukking, maar spoedig

bevinden we ons weer op het onmetelijk watervlak en na een blik

geworpen te hebben op Pasir, waar het voor enkele jaren nog woelig

was, maar waar thans de rust is weergekeerd, richten we den steven

recht noord naar Balikpapan.

Balikpapan! Te midden van de gewone indische plaatsen, waaraan we

reeds gewend zijn, stuiten we hier plotseling op een europeesche

modelstad. We staan verbaasd en niemand zou dit verwachten temidden van

deze ontzaglijke eenzame oorden. Het is gelegen in een schitterende,

natuurlijke baai, waar de grootste schepen kunnen invaren--de

minste diepte in het vaarwater is zeven meter--wat menige indische

havenstad haar zou kunnen benijden, waar men dikwijls ver uit de

reede genoodzaakt is het anker te laten vallen, terwijl men in den

slechten moesson dikwijls niet eens verbinding met den wal kan krijgen:

Semarang en Benkoelen zijn hiervan voorbeelden.

Vaart men 's avonds de baai binnen, dan is de geheele vestiging over

een afstand van meerdere kilometers schitterend verlicht, de oliestad

baadt in een zee van licht.

Balikpapan met ongeveer 6000 zielen, is de hoofdzetel der Bataafsche

Petroleummaatschappij op Borneo's Oostkust, tevens de grootste

oliefabriekstad ter wereld. Olie wordt er niet of weinig gewonnen,

maar van heinde en verre wordt dit aangebracht om hier in de groote,

modern ingerichte fabrieken verwerkt te worden. Alles kan men ter

plaatse maken: men heeft een eigen raffinaderij, eigen blikfabrieken

maken de olieblikken--in Indië zoo wel bekend en voor alle doeleinden

te gebruiken--; in eigen werkplaatsen maakt men de ijzeren vaten

voor de oliën, maakt men zwavelzuur, kaarsen, parafine, smeerolie,

ja, wat niet al!

Aan wal stappend, bevindt men zich reeds dadelijk in het drukke

fabrieksleven en langs een prachtigen weg begeeft men zich met een

eigen electrische tram naar Klandasan, de buurten, waar de europeanen

wonen, prachtig aan zee gelegen, met keurig ingerichte huizen en

een nog schitterender societeit. Men kan zich niet voorstellen,

dat men zich in ons Indië--laat staan in Borneo--bevindt en ik zou

geen plaats in onzen geheelen archipel kunnen aanwijzen, welke een

zoodanig sterk getuigenis aflegt van onze hollandsche energie. De

Paketvaartmaatschappij en de Bataafsche zijn lichamen, waarop ieder

nederlander met recht trotsch mag zijn en wat zou Borneo op het

oogenblik zijn zonder deze maatschappijen en haar wakkere mannen?

Aan de overzijde van de baai ligt Pantjoer met eveneens vestigingen

van de Bataafsche.

Een luttel aantal jaren geleden was hier niets dan wildernis en

thans nog is alles wildernis buiten de onmiddellijke omgeving van

deze vestiging, een plekje moderne beschaving en moderne wilskracht

temidden van de eenzaamheid.

Onder Balikpapan ressorteeren verschillende terreinen als de in het

noorden gelegen eilanden Tarakan, Mandoel en de nieuwe terreinen

aan de Sembakoengrivier en verder Sambodja en Sanga-Sanga aan de

Mahakam. Deze alle staan onder het oppertoezicht van den administrateur

te Balikpapan, de terreinchefs zijn rechtstreeks aan hem ondergeschikt.

Tot voor korten tijd werkten bij de Maatschappij op Borneo's Oostkust

ongeveer 6000 javanen, 2500 chineezen en ongeveer 400 europeesche

employé's. Deze cijfers spreken boekdeelen en ieder zal inzien welk

een arbeid hier verricht kan worden.

Naast de Bataafsche werkt in deze gebieden de Nederlandsche Koloniale

Petroleummaatschappij, welke in verbinding staat met de Standard Oil

Company en haar terreinen heeft in de omgeving van Samarinda en te

Sadjau in Boeloengan. Genoemde maatschappij heeft weinig succes en

een jaar of twee geleden werd besloten alle terreinen stop te zetten,

behalve te Sadjau, waar nog een laatste poging gewaagd zou worden. Of

dit met succes bekroond is geworden, zou ik niet kunnen zeggen,

vermoedelijk niet.

Werden--zooals we reeds zagen--in Balikpapan de oliën slechts verwerkt,

op de overige terreinen wordt uitsluitend olie gewonnen in lichteren

of zwaarderen vorm. Vooral Tarakan is een belangrijk terrein waar bij

mijn komst met moeite 8 à 900 ton (van 1000 liter) werd gewonnen, maar

waarvan het totaal 1 à 2 jaar geleden ongeveer 2500 ton daags bedroeg.

Vele zijn de schepen van alle nationaliteiten ter wereld, die hier

de olie komen halen, welke uit de groote tanks, die op hooge heuvels

dicht bij den steiger staan, langs buisleidingen in de schepen wordt

geleid. (Zie afb. 61).

Tarakan is letterlijk bezaaid met boortorens, waarvan de putten meer

of minder groote hoeveelheden olie leveren; sommige werken langen tijd,

andere korter, terwijl andere weer plotseling verzanden. Heeft een der

boormeesters een nieuwen put aangeboord, dan is er 's avonds groot

feest. En zoo ziet men, dat men hier een leven als een prins heeft,

terwijl men zou denken in een der uithoeken van de aarde "opgeborgen"

en "begraven" te zijn.

Het aanboren van een put heeft dikwijls zijn eigenaardige moeilijkheden

en soms heeft men in het geheel geen succes en is al het werken voor

niets geweest. De putten zijn meestal eenige honderden meters diep,

drie- à zeshonderd meter, soms dieper. Ik zag te Tarakan een put,

welke 1200 meter diep zou worden en hoewel men reeds ver gevorderd

was, was er nog geen olie te bekennen. Dit is wel ontmoedigend,

want groote kosten en veel tijd worden daaraan ten koste gelegd.

De werkzaamheden op Mandoel dateeren eerst van den laatsten tijd,

terwijl langs de Sembakoengrivier nog slechts verkenningen worden

gedaan, hoewel ook hier--naar de berichten luiden--in den laatsten

tijd olie wordt gewonnen.

Ons Mooi Indië: Uit Dajakland Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving · 第 11 / 13 段