De koninklijke maatschappij tot exploitatie van aardoliebronnen in

Nederlandsch-Indië, kortweg de "Koninklijke" genoemd, werd in 1890

opgericht met een kapitaal van f1.300.000, terwijl de Dortsche

Petroleummaatschappij, begonnen in 1887, in 1889 haar eerste

olie leverde. Men kan zich thans niet voorstellen, dat de thans

zoo machtige wereldlichamen, in den beginne zoovele moeilijkheden

hebben ondervonden, maar dat door het werk van enkele groote mannen

de maatschappijen geworden zijn tot wat ze thans zijn. De groote man

voor Borneo was J. H. Menten, die in 1889 met den sultan van Koetei

eene overeenkomst sloot, waarin hem concessie werd verleend voor de

winning van petroleum op een terrein aan de Sanga-Sangarivier in de

buurt van Samarinda, de concessie "Louise", welke in 1891 door de

regeering werd goedgekeurd en in 1899 overging op de nederlandsche

industrie- en handelmaatschappij te Amsterdam. Naast deze concessie

had men nog de Koetei- en de Tarakan-exploitatiemaatschappijen, deze

laatste oorspronkelijk van den Schot Cameron, welke echter later een

royalty-contract sloten met de hoofdmaatschappijen. Ten slotte had

de heer Menten nog eene concessie rondom de Balikpapanbaai.

Dat de opbrengst aan aardolie op Borneo van belang is, moge blijken

uit het cijfer voor 1913, dat 756000 ton bedroeg of bijna de helft

van alle aardolie uit den archipel, welke behalve op Borneo, nog

gewonnen wordt op Java, Sumatra en--hoewel in geringe mate--op Ceram.

Ten noorden van de Kajan heeft men de prachtige, breede Sesajaprivier,

welke ontstaat uit de samenvloeiing van drie op het centraalgebergte

van Borneo ontspringende bergstroomen, nl. de Mentarang, Toeboe en

Melinau. Benedenstrooms draagt ze den naam van Sesajap, tot welk

punt deze rivier voor groote schepen bevaarbaar is, al kost dit

soms bij bandjir groote moeite. De rivier is over het algemeen zeer

breed en diep en gemakkelijk te bevaren. Aan de monding is ze meer

dan een zeemijl breed, welke geleidelijk afneemt, terwijl de diepte

afwisselt van 3 tot 9 vadem. De Sesajapdelta bestaat uit een aantal

groote en kleine eilanden, waartusschen de rivier in 3 mondingen

uitmondt, welke alle voor zeeschepen bevaarbaar zijn. Het is jammer,

dat in deze afgelegen gebieden niet meer handel en vertier zijn; de

scheepvaart zou hier geene moeilijkheden ondervinden en hout o.a. zou

er in groote hoeveelheden te vinden zijn.

Ook de Sembakoengrivier is voor zeeschepen te bevaren en voldoende

breed en diep om over een lengte van 45 zeemijlen tot aan de Soengei

Tagoel bevaren te worden. Plaatselijke bekendheid is hier echter

een vereischte.

De Sembakoengrivier ontspringt op engelsch gebied; de hoofdrivier

ontstaat uit de samensmelting van de Soengei Sedalir en

Pensiangan. Deze laatste voer ik eens op om met den engelschen

bestuursambtenaar op de grens van ons gebied, te Semendapi,

besprekingen te houden. De tocht daarheen duurde eenige weken,

doordat de rivier vele stroomversnellingen telt, waaronder enkele zeer

gevaarlijke. Op de grens van het nederlandsche en het engelsche gebied

ligt nog de Simenggaris, eene rivier, welke van weinig belang is. Deze

grens loopt verder dwars over het eiland Sebatik, dat aldus in een

hollandsch en engelsch gedeelte wordt gescheiden. Op het engelsche

gedeelte bevindt zich het bekende kolenstation.

We zagen reeds, hoe het grootste gedeelte van Oost-Borneo wordt

ingenomen door zelfbesturende gebieden, onder welke dat van Koetei

wel het voornaamste is. Daar er groote verschillen bestaan tusschen

rechtstreeks bestuurde of gouvernementsgebieden en zelfbesturen,

is het hier wellicht de plaats in het kort daarover iets in

het midden te brengen. In de eerste worden de overheidsfuncties

uitsluitend uitgeoefend door of namens het gouvernement, terwijl de

bestuursambtenaren ieder in hun ressort verantwoordelijk zijn voor

den loop van zaken; in het zelfbestuursgebied daarentegen worden

de overheidsfuncties slechts gedeeltelijk door het gouvernement

uitgeoefend, hoofdzakelijk echter door inlandsche vorsten met hun

rijksgrooten, zooals op Borneo het geval is. Voor den bestuursambtenaar

maakt dat een groot verschil. Is deze in gouvernementsgebieden degene,

die alles regelt namens het gouvernement, in zelfbestuursgebieden is

hij als het ware de adviseur van den inlandschen vorst. De sultan

is eigenlijk degene, die besluiten uitvaardigt, regelingen treft,

al is dit dan ook met medeweten en goedvinden van de europeesche

bestuursambtenaren. Dit is volgens de officieele bepalingen,

maar in de practijk zien we dikwijls anders; meermalen toch is de

bestuursambtenaar degene, die ook hier regelend optreedt, den sultan

besluiten ter teekening voorlegt, hetgeen deze meestal goedvindt, wat

zijn grond vindt in den natuurlijken afkeer van inlandsche vorsten

hun landschapsaangelegenheden zelven te regelen, maar tevens ook

in het feit, dat toen het gouvernement zich met de landschapszaken

ging bemoeien, er in korten tijd zooveel moest gedaan worden, waar

de zelfbesturen niet het flauwste begrip van hadden, dat men er

wel toe moest komen de eerste regelingen zelf te ontwerpen om aldus

een begin te maken met de reiniging van den Augiasstal, primitieve

wantoestanden en verouderde begrippen. Toch schijnt het wel degelijk in

de bedoeling van de Regeering te liggen de zelfbesturen te handhaven,

hetgeen reeds in het "Beginselprogramma" van den Gouverneur-Generaal

van Heutsz werd vastgelegd en later meermalen werd bevestigd.

De verhouding tusschen Nederland en de zelfbesturende rijken heeft

in eene lange historische ontwikkeling allerlei vormen aangenomen. De

Oost-Indische Compagnie had oorspronkelijk slechts den handel ten doel

en sloot overeenkomsten met inlandsche vorsten om zich het monopolie

te verzekeren; zij stonden tegenover elkaar als gelijkgerechtigde

internationale machten. Later zijn verhoudingen gevolgd van engere

verbondenheid, doordat de Compagnie dikwijls gedwongen was gewapend

op te treden om haar verkregen rechten te handhaven. In deze periode

bleven dus de inlandsche rijken nog als vrij bestaan. Sinds het begin

der twintigste eeuw kwam ook hier wederom verandering in, toen in

verband met de expansiepolitiek dier jaren de laatste inlandsche rijken

hun internationaal bestaan verloren. In alle thans geldende contracten

en verklaringen is door de zelfbesturen uitdrukkelijk verklaard dat hun

landschap behoort tot het grondgebied van Nederlandsch-Indië en dat zij

mitsdien Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, vertegenwoordigd

door den G.-G. als wettige gebiedster erkennen. Thans zijn dus beide

niet meer "gelijkwaardige" partijen; het gebied der inlandsche

vorsten werd indirect ons gebied, hun onderdanen werden indirect

onze onderdanen, waaruit wel blijkt, dat de zelfbesturen een hoogst

eigenaardige positie innemen, wat in de practijk dan ook dikwijls

aanleiding tot moeilijkheden geeft. Zoo was er meermalen verschil

van opvatting tusschen de gouvernementsambtenaren en den sultan van

Boeloengan, en het valt niet te ontkennen, dat er in de buitengewesten

herhaaldelijk met ruwe hand in de inheemsche zelfbestuursorganisatie

is ingegrepen en de "bureauheeren" regelingen uitdachten om eene

inrichting te verkrijgen, die bij onze opvattingen paste.

Ook de persoon van den zelfbestuurder was niet vrij. Toen de sultan van

Boeloengan eenige jaren geleden den wensch te kennen gaf een reis naar

Holland te willen maken, werd dit niet goed gevonden. Mij is het nooit

duidelijk geworden, waarom dit niet kon worden toegestaan, temeer daar

in de tijdelijke vervanging zeer goed voorzien had kunnen worden. Zoo

zijn er in de practijk vele moeilijkheden voor den bestuursambtenaar,

welke vermoedelijk hun grond vinden in het feit, dat er neiging bestaat

teveel de uniformiteit te betrachten, hetgeen wel gemakkelijk is,

maar waarmede de practische belangen niet altijd gebaat zijn.

Onze verhouding met de zelfbesturen berust op contracten en

verklaringen met dien verstande, dat zij met de beginselen, in

gouvernementsregelingen vervat, rekening hebben te houden. Hierdoor

wordt voorkomen, dat de zelfbesturen een staat in den staat zouden

vormen.

In de contracten werden verschillende bepalingen vastgesteld,

welke de zelfbestuurders beloofden stipt en getrouwelijk te zullen

nakomen; zoo hadden zij het welzijn des volks te bevorderen, den

landbouw, de nijverheid, den handel en de scheepvaart te beschermen;

bepalingen betreffende concessies van landbouw of mijnontginning,

in- en uitvoerrechten, belasting, politiezorg en rechtspraak waren

opgenomen; menschenroof en slavenhandel mochten niet geduld worden,

zeeroof moest worden tegengegaan, terwijl het volksonderwijs

krachtdadig ondersteund moest worden.

Het is niet te verwonderen, dat vele zelfbestuurders in primitieve

gebieden--sommige bepalingen stonden reeds jaren geleden in de oude

contracten--niet in staat bleken, dit alles op te volgen en er in de

practijk van hun regelingen dikwijls niet veel terecht kwam.

Nog een belangrijke bepaling was die betreffende de geldmiddelen. Den

zelfbestuurders moest de idee worden bijgebracht, dat het landschap

er niet was voor hun persoonlijk welzijn, maar dat de gemeenschap

recht had op de opbrengst van belastingen, natuurlijke hulpbronnen

enz. Alle landschapsinkomsten werden nu vereenigd in een landschapskas,

waaruit alle landsuitgaven worden gedaan volgens eene begrooting en

waarin ook de inkomsten van den bestuurder worden vastgesteld.

Ruim opgevat kan onze zelfbestuurpolitiek gunstig werken,

maar het tempo moet men niet te vlug willen nemen; zoolang de

zelfbestuurders--zooals in Borneo grootendeels--nog menschen zijn,

die niet lezen of schrijven kunnen, noch ooit eenige bestuursopleiding,

hoe gering ook, genoten hebben, moet men niet te veel in eens van hen

verwachten, maar langzamerhand de toestanden trachten te verbeteren

en vooral hen niet met te veel regelingen lastig vallen, daar ze toch

al zoo veel te lijden hebben van aldoor wisselende bestuursambtenaren

met aldoor wisselende inzichten. Eenige duidelijke bepalingen dienen

te worden gegeven, waarover geen enkele bestuursambtenaar in het

duister kan verkeeren, zoodat men niet de zelfbestuurders noodeloos

voor het hoofd behoeft te stooten, wat in de practijk nog wel eens

schijnt voor te komen.

Onze aanrakingen met Borneo's Oostkust zijn van vrij recenten

datum. Wel bezocht reeds in 1635 eene nederlandsche vloot onder

kapitein Pool Koetei en werden ook later, vooral door tusschenkomst

van Bandjermasin, van tijd tot tijd van onzen kant betrekkingen

met dat rijk onderhouden; maar toch werd eerst in 1825 een ernstige

poging aangewend om deze duurzaam te maken, toen Georg Müller naar

de Oostkust van Borneo werd gezonden en o.a. ook met Koetei een

overeenkomst sloot, waarbij eene nederlandsche vestiging aldaar werd

toegestaan. Müller echter werd op reis naar de Westkust vermoord,

zoodat zijn komst te Koetei zonder gevolg bleef. Een mislukte poging

van een Engelschman, Murray, om zich in 1843 te Koetei te vestigen,

leidde eerst tot eene nederlandsche expeditie naar Koetei en daarna

tot het sluiten van eene overeenkomst met den sultan--in 1844--waarbij

de souvereiniteit van Nederland werd erkend. In 1846 werd de eerste

assistent-resident te Koetei aangesteld, Van Dewall, die groote reizen

in deze gebieden ondernam, welke van beteekenis waren voor onze kennis

van Oost-Borneo. Nieuwe overeenkomsten werden later nog gesloten en

de sultans van Koetei bleven later tot onze trouwe vazallen behooren.

De tweede helft der 19de eeuw kenmerkte zich door weinig leven en

onderzoek. Wel deed in 1880 Carl Bock groote reizen, maar het zou tot

omstreeks 1900 duren, voordat deze gebieden werden opengelegd. Dit

tijdperk werd ingeluid door de groote reizen van prof. Nieuwenhuis

in het Mahakam en Apo Kajangebied, later voortgezet door mannen als

Van Walchren, Palm, Spaan, Tehupeiory e.a.

In de noordelijker gebieden zijn de regelingen van nog recenter

datum. In 1881 en 1882 had men hier slechts rondreizende controleurs,

wier ressort zich uitstrekte over het tegenwoordige Beraoe en

Boeloengan en het gedeelte van Britsch Noord-Borneo tot aan de Batoe

Tinagat en de Tawaorivier, dat toen nog tot ons gebied behoorde. De

standplaats van dien bestuursambtenaar was toen Tawao, waar thans

een engelsch resident zetelt. Eenige jaren geleden bezocht ik daar

de graven van hollanders, die daar waren gestorven. In 1889 werd

bepaald dat Tandjong Seilor de standplaats van den controleur zou

zijn, terwijl in Tawao een inlandsch posthouder werd geplaatst,

totdat de grensregeling van 1891 bij de overeenkomst van Londen de

toestand wederom veranderde en een gedeelte van ons gebied aan de

engelschen kwam, eene regeling, waarbij de sultan zich heden ten

dage nog moeilijk kan neerleggen. In 1912 werd de grens door eene

commissie onder Van Genderen Stort nader bepaald.

In 1898 werden Beraoe en Boeloengan gescheiden en werden ze ieder

zelfstandige onderafdeelingen, zooals ook thans nog het geval is. [4]

We zagen reeds, hoe weinig bekend deze noordelijke gebieden nog zijn en

dat eigenlijk eerst de laatste jaren eenig licht hierover is verspreid

door mannen als Van Genderen Stort, Posthumus en Sitsen.

De beteekenis voor de wereldeconomie van Borneo in het algemeen

en Oost-Borneo in het bijzonder is, vergeleken bij die van Java

of Sumatra, nog niet groot. Het ontstaan van de petroleumindustrie

heeft daarin echter groote verandering gebracht. De grootste stijging

in handel en scheepvaart dateert echter van de laatste decenniën en

Borneo schijnt een goede toekomst tegemoet te gaan. Deze uitgestrekte

gebieden hebben echter behoefte aan kapitaal ter ontwikkeling van het

verkeerswezen, mijnbouw, boschexploitatie en cultures. Stroomt dit in

overvloed binnen en stelt het gouvernement zich op een ruim en open

standpunt, dan zeker gaat Borneo eene periode van welvaart tegemoet. En

de Barito in het zuiden, de Kapoeas in het westen en de Mahakam,

Kajan en Sesajap in het oosten zullen de levenwekkende elementen zijn.

NOTES

[1] Bij de nieuwe gewestelijke indeeling wordt Boeloengan eene

zelfstandige afdeeling.

[2] Hoewel alleen Boeloengan aan mijne zorgen als bestuursambtenaar

was toevertrouwd, was ik toch door gelukkige omstandigheden in de

gelegenheid het geheele Mahakamgebied en Apo Kajan te bereizen.

[3] Men leze Augusta de Wit: Natuur en Menschen in Indië.

[4] Zie noot blz. 85.

End of Project Gutenberg's Ons Mooi Indië: Uit Dajakland, by J. Jongejans

Ons Mooi Indië: Uit Dajakland Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving · 第 13 / 13 段