zij zijn meestal sluwe, weinig scrupuleuse menschen, die door allerlei
drogredeneeringen de eenvoudige dajaks imponeeren en door tijdelijke
huwelijken zich in hun gemeenschap weten in te dringen. Na voldoende
boschproducten verzameld te hebben, hetzij door meestal voor de dajaks
nadeeligen koop, hetzij door zelf de bosschen in te trekken, gaan zij
wederom naar beneden om het verzamelde aan de slimme chineezen van
de hand te doen. Door de dajaks in dikwijls denkbeeldige schulden
te houden, weten de handelaren hen steeds tot levering van nieuwe
boschproducten te pressen. Bovendien weten ze hen door dobbel- en
kaartspel en het wedden bij hanengevechten, waarop ze verzot zijn,
nog dieper in de schulden te steken, slimmer als ze zijn dan deze
eenvoudige menschen. Komen de dajaks zelven naar beneden om de door
hen verzamelde boschproducten aan de handelaren, vooral chineezen,
te verkoopen, dan zijn ze er al niet veel beter aan toe. Toen ik
dan ook gedurende mijn bestuur den maatregel nam, dat ik zelf de
naar beneden gevoerde goederen in het openbaar aan de handelaren zou
verkoopen, waren ze ten zeerste verbaasd, zooveel voor hun producten
te ontvangen; een voorraad, welke voorheen enkele rijksdaalders--de
kleinste eenheid, waarmede een dajak weet te rekenen--opleverde, bracht
nu soms honderd of meer rijksdaalders op; het behoeft geen betoog,
dat onder de vroegere omstandigheden den dajak de lust benomen werd
zich voor dezen handel eenige moeite te getroosten.
De sultans van Boeloengan, die, zooals we reeds zagen, oorspronkelijk
voor de Tidoengers den wijk moesten nemen, wisten langzamerhand hun
gezag weer te herwinnen, en zelfs aan den beneden- en middenloop
wederom eenige macht te krijgen, o.a. door het verleenen van titels
als Datoe, Pangeran, Adji e.a. Zoo was het dajakhoofd, dat aan de
midden Sembakoengrivier een schijn van macht uitoefende, begiftigd
met den titel Pangeran en heette Pangeran Moeda. (Zie afb. 49). Het
kostte den sultans-trawanten meestal niet veel moeite deze verslapte
dajaks te imponeeren en hen vervolgens af te zetten. Zoo zijn deze
menschen langzamerhand verworden tot hetgeen ze thans zijn.
Een voorbeeld van een afzetter pur sang was de Boeloenganees Ating,
die--als ik me niet vergis--zelfs nog aan de sultansfamilie verwant
was. Hij had zich bij het engelsche bestuur zóó onmisbaar gemaakt,
dat hij tevens werd aangesteld als een soort districtshoofd;
daar hij tevens handelaar bleef--wat onder ons bestuur niet mag
voorkomen--bezocht hij dikwijls ons gebied en dreef daar op allerlei
unfaire wijzen handel, zoodat het veel op afpersing begon te gelijken
en ik gedurende mijn samenkomst met den engelschen controleur te
Semendapi op de grens van het engelsche en hollandsche gebied,
genoodzaakt was te verzoeken hieraan paal en perk te stellen, daar
hij anders op ons gebied komend, gevangen genomen zou worden. Dat
de dajaks over dien maatregel zeer tevreden waren, behoeft geen
betoog. Daarbij kwam nog, dat hij als vertegenwoordiger van het
engelsche bestuur dubbel gehaat was.
De dajak, van zijn geboorte af gewoon, niet te behoeven gehoorzamen,
maar in het algemeen vrijelijk te doen wat hem lust--hij is daardoor
ook rondborstig--haat het engelsche bestuur, dat zeer hard is
en vooral de politiesoldaten, die hem afzetten, zijn kippen en
varkens zonder betaling afnemen, als anderszins. Het nederlandsche
bestuur schijnt hem aangenamer te zijn, hetgeen we reeds zagen bij
de Sabanstammen, die er niets geen bezwaar tegen hadden zich onder
onzen vlag te scharen. Van Genderen Stort vertelt, hoe, toen bij de
nederlandsch-engelsche grensexpeditie bekend werd, waar ongeveer de
grens zou loopen, onmiddellijk een zestal kampongs naar ons gebied
wilden verhuizen, terwijl nog eenige andere, na het binnenhalen
van den oogst spoedig zouden volgen. Dit treft te meer, omdat een
dajak alleen noodgedwongen het stroomgebied zal verlaten, waar zijn
voorouders begraven liggen en waar deze vruchtboomen geplant hebben,
waarvan de eerste rijpe vruchten bestemd zijn voor die graven.
De dajaksche vrouw! Welke positie bekleedt zij, welke rol is haar
toebedeeld in de dajaksche maatschappij? We zagen hiervan reeds een
en ander in de vorige hoofdstukken; we merkten op hoe de vrouw werd
gewaardeerd als moeder van hare kinderen en ook, dat de vrouw wel
een woordje had mee te praten, al was in het algemeen hard werken en
sloven haar deel.
Hoe is het daarmede gesteld in de Tidoengsche landen? In het algemeen
kan men zeggen, dat de toestanden vrijwel dezelfde zijn, al is haar
toestand hier minder gunstig. Vóór haar huwelijk geniet de vrouw
eene groote mate van vrijheid in tegenstelling met hetgeen we wel
bij andere dajakstammen opmerkten. Het komt meermalen voor, dat zoon
of dochter reeds bij de geboorte door de ouders aan een kind van een
ander ouderpaar wordt uitgehuwelijkt.
Is de afspraak gemaakt en de zaak tusschen de wederzijdsche ouders
beklonken, dan wordt deze bekrachtigd door het wederzijdsch aanbieden
van een geschenk. De ouders van den zoon geven meestal een geschenk
in den vorm van een tempajan of martavaan, terwijl de ouders van het
meisje als tegengeschenk meestal een varken van ongeveer gelijke waarde
aanbieden. Heeft dit plaats gehad, dan gaat het meisje een kralen
halsketting dragen als bewijs, dat ze reeds uitgehuwelijkt is. Is zij
op huwbaren leeftijd gekomen, 12 à 14 jaar, dan kan het eigenlijke
huwelijk plaats vinden. De ouders van den bruidegom, geholpen door al
hun familieleden, verzamelen de benoodigde huwelijkssom in den vorm
van tempajans, keukengerei, katoentjes en andere in onze oogen vrij
waardelooze, kleine voorwerpen, welke meestal geen grootere waarde
vertegenwoordigen dan één of enkele honderden guldens, naar gelang
van den stand en de schoonheid der bruid. Is deze som eenmaal bijeen
gebracht, hetgeen dikwijls met groote moeilijkheden gepaard gaat, dan
wordt deze op den bepaalden dag naar de woning der bruid gebracht, waar
intusschen op uitnoodiging van de ouders van het meisje de genoodigden
aanwezig zijn, die etenswaren, gongs, en andere cadeautjes hebben
medegebracht. Het huwelijksfeest kan thans plaats hebben. Groote
tempajans met gistende drank worden opgesteld--het wordt dikwijls
een groote dronkemanspartij--terwijl stellages worden opgericht met
spijzen, bestaande uit stukken varkensvleesch, vermengd met verzuurd
meel en visch, alles toegedekt met een doek. Ieder nu, die daartoe
lust heeft, mag van den drank en spijzen iets gebruiken, maar is
verplicht een klein geschenk te deponeeren, welke het eigendom wordt
van de familieleden der bruid, die medegeholpen hebben het feestmaal
aan te richten. Thans wordt het huwelijk als gesloten beschouwd,
al duurt het feest ook wel voort tot den volgenden dag.
Vervolgens wordt de bruid naar de kampong van den bruidegom gebracht;
daartoe worden eerst alle geschenken in de prauw gebracht en stapt
de bruid er ook in. De bevolking houdt dan in schijn de prauw vast,
waarop de bruidegom in ruil voor de bruid, geschenken geeft. Bij de
kampong gekomen, mag de bruid het huis van den bruidegom niet betreden,
alvorens van hem eenige geschenken uit zijn kamer te hebben ontvangen,
waarna deze betrokken wordt.
Is na haar huwelijk de vrouw aan haar huwelijkstrouw gebonden, in het
algemeen is het gewoonte in de Tidoengsche landen, dat het sexueel
verkeer vrijelijk plaats vindt. Het bij nacht binnengaan der kamer,
waarin ook de ouders slapen, kan door deze niet geweigerd worden. Zou
dit toch geschieden, dan werd een boete door het kamponghoofd opgelegd,
zoodra een klacht hierover zou zijn ingediend.
Wordt een getrouwde vrouw op overspel betrapt, zoo verbeurt de
overspeler--op klachte der familieleden van den man--een zware boete,
aan den echtgenoot te betalen.
Zwangerschap buiten echtelijk verkeer--dikwijls weten de vrouwen dit
echter wel te verhinderen--wordt niet als iets bijzonders aangemerkt;
eene vrouw, aan wie zoo iets overkomt, heeft later echter een veel
geringere handelswaarde.
Bij het zwanger worden van het eerste kind, legt de vrouw alle
sieraden, behalve de armbanden, af en deze worden niet meer
gedragen. Ook de rotanband, die ze om haar middel droeg als bewijs,
dat ze nog geen kind had, wordt afgelegd. Van haar man krijgt ze
later nieuwe kleeren en sieraden.
Al stelt het krijgen van kinderen aan deze vrouwen door zwakke en
ziekelijke lichaamsgesteldheid de hoogste eischen, toch is kinderloos
te zijn voor de dajaksche vrouw het treurigst, dat zij zich denken
kan. En dan, kinderen, meisjes, zijn handelswaar! De vader heeft
voor zijn vrouw tempajans, kralen en andere voorwerpen met moeite
bij elkaar gezocht; en als hij later zijn dochters uithuwelijkt,
krijgt hij voor ieder een bruidsprijs. Ze zijn dus voor hem een
zeer voordeelige geldbelegging en tevens breidt hij door haar zijn
familierelaties ver buiten zijn woonplaats uit.
De eerste plaats, die het jonggeboren kind inneemt, is bij zijn moeder
op den houten vloer van het huis op een kleedje of matje. Verwend wordt
de dajaksche zuigeling dus niet en het kan ons niet verwonderen,
wanneer hij wel eens op jammerlijke wijze zijn stemgeluid doet
hooren. Koud heeft onze jonge wereldburger het echter niet, want
evenals zijn moeder zit hij bij een steeds brandend vuur. Moeder en
kind worden gedurende eenige dagen berookt! Eerst na 4 dagen mag de
moeder opstaan om zich te reinigen. Vlak na de geboorte van het kind
heeft de moeder een kip te verorberen. De veeren worden verzameld
en verbrand, zoodat de rook de borsten der jonge moeder bereikt,
opdat de moedermelk rijkelijk moge vloeien.
De kleine dajak mag reeds eerder een bad nemen en de familie is vol
zorg. Men waakt er voor de geesten, die het kind kwaad zouden kunnen
doen, op een afstand te houden of te vriend te houden of, als het
niet anders kan, te verdrijven of te verschalken.
Het geloof aan goede en booze geesten is allen dajaks eigen; zij denken
zich die wezens overal aanwezig. Vooral in de vlucht van vogels en
in het geluid van dieren zien zij eene voorspelling, speciaal ten
opzichte van ziekten, bij doodenfeesten, aanleggen van ladangs,
maken van een nieuw huis als vele andere zaken meer.
Bij ziektegevallen of uitbreken van besmettelijke ziekten wordt de
kampong voor vreemdelingen ontoegankelijk verklaard, hetgeen te
kennen gegeven wordt door bij den ingang een "goal" te plaatsen,
waaraan pisangschillen worden opgehangen. Hoewel de Tinggalandajak,
behalve enkele kruiden, geen of weinig geneesmiddelen kent, wil
hij toch alles in het werk stellen den zieke te genezen, door het
z.g. "limbai". In de salek--het middengedeelte van het huis--wordt een
z.g. "tampang limbai", bestaande uit een uit bamboereepen gevlochten
plat vlak, aan welks vier uiteinden een touw wordt bevestigd, aan
de zoldering opgehangen. Daarop plaatst men een leege flesch of
uitgeholde kalebas. Daarna begint het "limbai", hetwelk bestaat uit
met een stuk hout of ijzer slaan tegen een bord, waarbij luide wordt
gezongen. Alle inwoners van het huis loopen daarbij zingende om hem
heen. Steeds harder begint de man te zingen, totdat hij eindelijk in
extase geraakt. Het gezang der omstanders gaat thans over in een heftig
gekrijsch. Op dat oogenblik namelijk verlaat de ziekte het lichaam
van den patiënt en stijgt in den vorm van een boozen geest ten hemel,
waarna medicijn in de flesch neerdaalt, welke den zieke zal genezen.
Intusschen heeft men er voor gezorgd, dat een klein prauwtje aan
den oever gereed ligt voor het geval de booze geest daarmee zou
willen reizen. De dajak kan zich nu eenmaal niet voorstellen, dat men
gemakkelijker zou kunnen reizen dan in een prauwtje en bij voorkeur
zal de geest zich dus daarin nestelen. Dit wordt daarna los gemaakt
en prauwtje en booze geest drijven de rivier af.
Meerdere malen zag ik zoo'n ziektegeest de rivier afdrijven, 's avonds
zelfs had men de prauw van een lichtje voorzien.
Is er een besmettelijke ziekte uitgebroken, dan wordt een kuiken in een
klein hokje vastgebonden, hetwelk men de rivier laat afdrijven. Ook zal
men eieren op van boven gespleten stokken rondom de kampong plaatsen;
de booze geest zal wachten, totdat de ziel het ei verlaat en dus het
huis niet binnendringen. Men ziet, alles is er op ingericht de booze
geesten te misleiden of te verschalken.
Toch gebeurt het natuurlijk meermalen, dat de patiënt in weerwil
van alle mogelijke geneesmiddelen sterft, maar de dajak weet ook
daarvoor wel eene verklaring te geven; de patiënt heeft dan eenvoudig
in den slaap een hemelvrucht, die zoo nu en dan uit den hemel komt
neervallen, in den mond gekregen en ingeslikt. En hiermede is voor
hem alles verklaard!
Zoodra iemand gestorven is, heffen de vrouwen--nadat de familieleden
door gongslag verzameld zijn--een luid misbaar aan, zittend bij
het lijk, dat in de salek wordt geplaatst in de van een uitgeholden
boomstam vervaardigde doodkist, waarop een deksel geplaatst is, dat
met rotan wordt vastgemaakt. Om hun groot verdriet te toonen, vliegen
de familieleden elkaar in schijn aan en barsten telkens in een hevig
gehuil uit. Gewoonlijk blijft het lijk 2 à 3 dagen in huis staan,
gedurende welken tijd alle toebereidselen tot het begrafenismaal
worden gemaakt, waartoe alle familieleden bijdragen.
Na drie dagen ongeveer wordt de kist dichtgemaakt; degene, die dat
doet, wordt in schijn door de familieleden geslagen en met messen
gestoken. Bij het wegdragen van de kist verzet de familie zich wederom;
dit alles om te doen zien, welk een liefde en genegenheid men den
doode heeft toegedragen.
De eenvoudige kampongbewoner wordt onder den grond begraven; bij
kamponghoofden wordt de kist meestal op palen boven den grond geplaatst
of wordt het lijk ook wel in een grooten tempajan gelegd. Boven
een en ander wordt een afdak geplaatst--dikwijls zag ik deze met
zink gedekt--waaraan verschillende versieringen worden aangebracht,
bestaande uit lapjes katoen en andere kleinigheden.
Sieraden en kleeding volgen den doode; het door hem gebruikte
kookgereedschap hangt men onder het afdak op. Het is familieleden
geoorloofd een of meer voorwerpen van den doode als herinnering te
bewaren, maar men heeft iets anders daarvoor in de plaats te leggen.
Na deze eerste begrafenis gaat het naaste familielid terug naar de
sterfkamer, waarin een omheining is gemaakt, waarin hij of zij de
eerste drie dagen moet verblijven. Daarna doet men wit goed aan,
de rouwkleeren en een band van witte rotan om middel en pols. Deze
rouwkleeren worden eerst afgelegd, wanneer ze geheel en al versleten
en onbruikbaar zijn geworden. Vroeger kon de rouw afgelegd worden,
indien door snellen de schedelversiering met een verschen kop was
vermeerderd. Eene weduwe kan den rotanband ook afleggen, zoodra ze
hertrouwt. Dit geschiedt dikwijls enkele maanden na het overlijden van
haar man, daar ze dan door haar zwager, ook al is deze reeds gehuwd,
wordt "overgenomen". Zij mag dan den rotanband vervangen door een
spiraal van koperdraad om het middel en een wit metalen armband om
den pols.
De dajak uit deze gebieden is echter niet klaar met ééne
begrafenis. Ongeveer een jaar na de eerste volgt de tweede
begrafenis. Alle kampongbewoners, familieleden en vrienden worden
wederom verzameld. Het gebeente wordt onder een hevig gehuil in een
tempajan of martavaan gedaan met den schedel er boven op. De martavaan
wordt daarna op een soort tafel naast andere martavanen geplaatst. Het
geheel wordt weer evenals vroeger door een dak bedekt.
Na afloop van iedere begrafenis wordt feest gevierd in de salek, welke
voor deze gelegenheid feestelijk is versierd met lappen rood of geel
katoen. Een groote martavaan met sterken drank, getrokken uit gegiste
rijst, staat opgesteld, waaraan straks zich de gemeente te goed zal
doen. Ik woonde het eenmaal bij, dat de geheele kampong dronken was,
en toch was dit niet zoo'n walgelijke vertooning als wij, hollanders,
ons dat zouden voorstellen en bij ons bij een dergelijke gelegenheid
wel het geval zou zijn. Wanordelijkheden kwamen niet voor.
Door één persoon tegelijk wordt er gedronken en hij drinkt zóó lang,
totdat het maatstokje, dat in de martavaan hangt, geheel vrij is. Kost
hem dit veel moeite, dan wordt hij door de omstanders uitgelachen en
uitgekreten voor een lafaard. Ook vrouwen drinken mede.
Boven de martavaan is een zoldering aangebracht, waaraan verscheidene
suikerrietstokken hangen, benevens de geraamten der koppen van de
visschen, die bij het feest zullen worden opgedischt. Het suikerriet
dient als tegengeschenk voor de genoodigden, die het een en ander
medebrengen.
Op den bepaalden dag komen de feestvierenden te voet of in met
vlaggetjes versierde prauwen in de kampong bijeen, onderweg lustig
zingend en op de gong slaand, terwijl ieder groote hoeveelheden
etenswaren en drank medeneemt. Vroolijk gaat het er dan op toe en niet
lang duurt het of velen beginnen neiging te krijgen om langdradige
verhalen af te steken.
Door de ongehuwde meisjes, voor wie een hoekkamer van het huis
wordt ontruimd, om gedurende het feest tot slaapkamer te dienen en
de jongens, wordt 's avonds gedanst. Dit dansen bestaat uit een met
schuifelende pasjes in een kring rondloopen, waarbij op eentonige wijze
wordt gezongen. Nu en dan wordt er muziek gemaakt met een kledi, die we
reeds bij andere dajaks leerden kennen en een tweesnarige guitaar. In
de Sedalirstreek--in de boven Sembakoeng--heeft men ter wille van het
dansen een gedeelte van den vloer veerend gemaakt, zoodat de dansenden
bij het opspringen steeds hooger worden opgeworpen. De meisjes staan
alle gearmd naast elkaar met de armen over de borst geslagen en de
lange sarongs met een slip over een der schouders geslagen, op de
wijze als de Boegineezen dit doen. Gedurende den dans heeft men zich
getooid met de schoonste kleeren en sieraden. (Tinggalansch meisje
in feestcostuum zie afb. 50).
Uit het voorgaande blijkt hoe de nabestaanden zorg dragen voor de
gestorvenen en alles in het werk stellen om hun geest te vriend te
houden. Want--zoo redeneert de dajak--deze blijft nauwlettend gade
slaan, wat zijn nabestaanden met hem doen. Onmiddellijk na den dood
stijgt de ziel ten hemel en zet zich neer op den regenboog, vanwaar
hij alles op aarde rustig kan observeeren en wee dengene, die zijn lijk
niet goed verzorgt. Na de begrafenis stijgt de ziel naar den hoogsten
hemel. Daar bevindt zich een hemelboom, waaraan duizend verschillende
soorten van vruchten hangen, die het voedsel leveren voor al de zielen
in den hemel. Na een jaar--bij de tweede begrafenis--gaat de ziel
wederom naar den regenboog terug en ziet hij, dat zijn gebeente goed
verzorgd wordt, dan stijgt zijn ziel voor goed naar de hoogste hemelen.
Doch laten we eerst tot onzen kleinen dajak terugkeeren, die--zooals
we reeds gezien hebben--gelukkiger was dan zijne moeder en dadelijk
een bad mocht nemen of althans gewasschen worden. Al spoedig krijgt de
zuigeling een naam, welke niet--als bv. bij de Kenja's--telkens wordt
veranderd en zoo groeit onze knaap op temidden van zijn primitieve,
vuile omgeving.
Al heel spoedig gaat de jonge moeder weer aan den arbeid, al zijn
daarbij de meest vermoeiende en afmattende werkzaamheden uitgesloten.
Als het kind niet in de wieg--een eenvoudige, houten bak, aan de vier
hoeken met een touw aan een balk opgehangen--ligt te slapen, heeft
zijne moeder het in den eersten tijd altijd bij zich, ook wanneer zij
buitenshuis het een en ander te verrichten heeft. In het draagmandje
draagt zij het kind op den rug of ook wel in een doek, terwijl de
beentjes links en rechts van hare zijden afhangen. Waar de moeder ook
heengaat, haar zuigeling moet mee. Bij het rijststampen zelfs, waar
het lichaam der stampster hevig schommelende bewegingen moet maken,
heeft zij dikwijls het kind op den rug. Niets is haar voor haar
lieveling te veel; als de kleine later vast voedsel moet gebruiken
maar nog niet voldoende kauwen kan, kauwt zij het voor hem en geeft
het zoo fijngemaakte te eten. Zij speelt er mede, zingt het wiege-
en andere liedjes voor en leidt het langzamerhand op voor allerlei
kleine werkjes, die voor een kind geschikt zijn.
En zoo leeft het voort, totdat het het oog der moeder niet meer zoo
van noode heeft en op eigen wieken kan drijven en langzamerhand gaat
meedoen aan het werk der volwassenen. Zoo zal de jongen meegaan naar
het veld en de ouderen volgen bij jacht en vischvangst, zoo zal
het kleine meisje, zoodra zij een met water gevulden bamboekoker
kan dragen, eerst met één, later met meer van die kokers, water,
dat voor het huiselijk gebruik noodig is, gaan halen uit een bron
of uit de rivier, zooals de oudere meisjes of vrouwen, zwaarbeladen,
in het algemeen dat doen.
Het leven van jonge meisjes bestaat lang niet uit een aaneenschakeling
van genoegens. Eerst als de avond gevallen is, kan men zich aan
vreugde overgeven. Maar dan hebben de vrouwen dikwijls een langen
dag van soms zwaren arbeid achter den rug. Want van den vroegen
morgen af hebben zij in het huis harer ouders aan alle werkzaamheden
moeten deelnemen. Menigmaal moeten zij naar het veld om groenten te
zoeken of naar het bosch om brandhout te verzamelen, al is het ook,
dat daar menig herdersuurtje wordt gesleten en teere banden voor de
eeuwigheid worden gesloten.
De huizen der Tidoengers en Tinggalans verschillen nogal van vorm. Die
der eersten komen overeen met die van Boegineezen en Makassaren. Ze
staan nabij de oevers der groote rivieren, zijn op palen gebouwd en
bevatten een grootere of kleinere ruimte zonder kamers, waarboven een
dak van kadjangmatten. Veelal bevindt zich vóór het huis een platvorm,
dat dikwijls tot aan den rivieroever doorloopt, waarna men langs een
trap zich naar beneden kan begeven om te komen op een daarvoor liggend
vlot, waarop men zich kan baden en andere dagelijksche bezigheden
verricht. Het huis met omgeving bevindt zich dikwijls in een staat
van verwildering.
De vloer in het huis bestaat uit rotan of bamboelatten, die met
smalle tusschenruimten naast elkaar gelegd en onderling bevestigd
zijn. Daarop spreidt men hier en daar dichtgevlochten rotanmatten
uit. Stevig zijn deze vloeren niet en een europeaan, die niet aan
dergelijke veerende vloeren gewend is, moet op zijn hoede zijn om
niet onder het huis te verdwijnen, daar verouderde gedeelten niet
altijd onmiddellijk vernieuwd worden.
De stookplaats bevindt zich in het huis; op de plaats waar het vuur
brandt, ligt een dikke, harde laag klei op den vloer.
Stelt men verder zich voor, dat de wanden van de huizen uit ruwe
planken of eenvoudig uit boomschors bestaan, dat daaraan eenige
groezelige voorwerpen hangen van dagelijksch gebruik en her en der
verspreid eenige rommel, dan is het begrijpelijk, dat het geheel geen
aanlokkelijk schouwspel biedt.
Anders zijn de Tinggalanhuizen. Deze bestaan uit twee rijen kamers
aan de vóór- en achterzijde van het huis, waartusschen zich de gang
bevindt, die dus het huis van rechts naar links doorsnijdt, aan de
uiteinden waarvan zich een trap bevindt. In het midden van het huis
is voorts een open ruimte--de reeds meermalen genoemde salek--welke
dient als vergaderzaal en tot logies voor vreemdelingen. Daarin is
een stookplaats aangebracht, bestaande uit harde klei, waarboven de
jachttropheeën, als koppen van krokodillen, herten en varkens zijn
aangebracht.
De huizen staan op palen van 2 tot 3 M. hoogte, waarop een vloer van
heele of gehalveerde rondhouten rust, die zoodanig aan elkaar zijn
bevestigd en naast elkaar liggen, dat er smalle openingen vrij blijven,
waardoor afval en vuilnis naar beneden kunnen vallen, hetgeen dan
verder door de huisdieren kan worden bewerkt. Het logeeren in een
dergelijk huis is voor europeanen veelal eene beproeving.
Het kan dan ook geene verwondering baren, dat het met de
gezondheidstoestanden vrij droevig gesteld is en dat bij epidemieën
het weerstandsvermogen niet groot is. Zoo moet in 1905 ongeveer 25% van
de bevolking overleden zijn aan pokken; geheele stroomgebieden werden
ontvolkt. Toch is over het algemeen de toestand in de bovenstreken
beter dan in de benedengebieden.
Eenvoudig als alles, is ook de levenswijze van deze dajaks weinig
ingewikkeld. Weinig behoeften als deze menschen kennen--waarom zouden
ze zich inspannen?--zijn ook hun middelen van bestaan weinige en hebben
ze geen lust, de voortbrengselen, die het land zou kunnen opbrengen,
te verzamelen en te verhandelen, ja, zelfs doen ze bijna geen moeite
eenige zorg te besteden aan de voortbrengselen, die dienen moeten
tot hun eigen levensonderhoud. De meesten zijn zelfs te lui om de bij
velen geliefde rijst te planten en stellen zich tevreden met knollen,
die minder smakelijk en minder voedzaam zijn. Men merkt ook hier
wederom op, dat de bovenlanders energieker zijn dan de benedenlanders,
die--we zagen het reeds--hun rijst van de handelaren betrekken en
deze meestal alleen bij feestelijke gelegenheden eten.