De Liboens hebben eene eigenaardige wijze van begraven. Onmiddellijk

na den dood worden de lijken in een kist geborgen en blijven daarin

zoo lang tot ze vergaan zijn; daarna worden ze er weer uitgehaald

en in een tempajan--een groote keulsche pot--gedaan, welke op een

hoog opgerichte, dikwijls met snijwerk versierde paal wordt gezet,

paalgraven of zoogenaamde liangs. (Zie afb. 48). Overigens gebruikt

men in Lepo Maoet salongs evenals de andere Kenja's, waarin de

kisten bijgezet worden, behalve bij de Ma Koelits, die het lijk

in een kist onder den grond begraven en daarop het doodenhuisje

plaatsen. In Poedjoengan gebruikt men ook kisten en plaatst die in de

bergholen, behalve Ma Badang en Ma Lasan Long Poedjoengan waar men

de Kenjagewoonte volgt en salongs gebruikt. De Sabans doen het weer

anders en plaatsen het lijk in een kist, welke willekeurig ergens

wordt neergezet, soms buiten vlak naast het huis; wanneer het vergaan

is, wordt het in een gesloten tempajan geplaatst en deze half in den

grond ingegraven. Dit overbrengen in de steenen potten gaat met groot

ceremonieel gepaard. Willekeurig worden deze neergezet, zoodat het

niet te verwonderen is, dat men daar rondtrekkend, struikelt over een

graf, dat in de tropische natuur onmiddellijk door den weelderigen

plantengroei aan het oog wordt onttrokken.

Wordt dus in het algemeen niet veel zorg besteed aan de verzorging

der dooden, menschen die aan "keloear darah" (bloedspuwing) zijn

overleden of vrouwen in het kraambed, worden gewoon, afgescheiden

van de anderen, ergens in den grond verborgen.

Zeer eigenaardige graven troffen we nog aan op den linkeroever der

Bahau, een eind zuidelijk van Lepo Maoet, afkomstig van stammen, die

vroeger hier woonden, maar verdreven werden en waarvan een restant

woont aan de Kajan, benedenstrooms Long Pangian, in de kampong Boesang

Badang. De graven bestaan uit zwaar bewerkte steenen; vier dienen als

pijlers, daarop rust een deksteen, die tevens drukt op het deksel

van een steenen tempajan en deze absoluut gesloten houdt. Het is

onbegrijpelijk hoe die lieden deze uit de harde steensoort hebben

kunnen bewerken. Niemand, noch in Lepo Maoet, noch later in de

benedengebieden, kon mij omtrent deze eigenaardige vormen inlichtingen

geven. Het is dus waarschijnlijk, dat deze reeds van vrij ouden datum

moeten zijn. Nergens anders in dajakland worden ze aangetroffen.

Op een afstand van twee uur ongeveer ligt, eveneens op een berg,

Lepo Kèh Indapa onder het hoofd Oesat Lawing. Blijkbaar was men

bevreesd voor ziekten; ettelijke bamboestaken, versierd met allerlei

houtrafelingen waren voor de kampong opgesteld om de booze geesten

te bezweren, terwijl men hier en daar door rhythmisch gezang onder

aanroep van de geesten, de ziekten trachtte te verdrijven.

We hadden eerst nog getracht den tocht naar de Sabans rechtstreeks

vanhier over land te doen; de weg was echter zóó slecht, dat we

van dit plan afzagen en eerst weer naar Lepo Maoet terugkeerden

om gebruik te maken van de rivier. Van Indapa uit duurt de tocht

naar Lepo Maoet vier uur. De vroegere kampong Lepo Kèh Ang Long is

verlaten; deze lieden zijn verhuisd naar de Bahau en wonen thans in de

kampong Gaboeang, waar we een der volgende dagen aankwamen. Daar een

hevige regen ons overviel en we juist bij een ladang waren aangekomen,

besloten we, om mijn roeiers het maken van een bivak te besparen, in

een der armoedige huisjes een onderdak voor den nacht te zoeken. Dit

had tevens het voordeel eens echt het leven van den dajak op zijn

slechtst mede te maken. En het viel dan werkelijk ook niet mee. In

het wankele gebouwtje was het me haast niet mogelijk mij te bewegen;

in een ruimte van slechts enkele vierkante meters zaten we allen

kris en kras door elkaar; de vloer, ongeveer drie meter boven den

grond, bestaande uit dunne bamboelatjes, was van dien aard, dat we

elk oogenblik vreesden er doorheen te vallen en terecht te komen

boven op de varkens, die lustig daaronder smakten en knorden. Hier

brengt de dajak uit den achterhoek maanden en maanden door, zonder

genoegens, zonder eenige eischen. Met weinig zorg en weinig kennis

van zaken bebouwen ze hun gronden en hebben daardoor meestal weinig

voedsel. Zoo ook hier; door ziekte van enkele lieden had men den

aanplant gestaakt, de jonge planten werden verstikt door het vuil,

men denkt er niet over na of dit ook hongersnood beteekent; dat zal

wel blijken. Hun lichamen zijn verzwakt door ondervoeding, ziekte en

vuilheid. Het was droevig deze mannen en vrouwen te zien; somber,

spichtig en flets. Een innig medelijden met deze menschen bekroop

mij, deze menschen, die een leven leven, erger dan de dood en die

niet vatbaar zijn voor redeneering. Enkele zieken en anderen weer met

afzichtelijke wonden riepen mijn hulp in, maar de medicijnkast van een

bestuursambtenaar--kininepillen en castorolie--reikt niet ver. Zoo

is de toestand van alle veraf wonende dajaks, Poenans, Sabans en

anderen. En daaraan niets te kunnen doen! Het ware te wenschen, dat

al deze menschen meer stroomafwaarts verhuisden; maar vrees en altijd

weer vrees weerhoudt hen, vrees voor Ma Alims, vrees voor maleiers. Er

was een tijd, dat ze nog wel eens kwamen afzakken, maar sinds een

moord op eenige maleiers, die zich aan hun vrouwen hadden vergrepen,

durfden zij uit angst voor weerwraak niet meer naar beneden te gaan.

Hoewel het flink bandjirde--dit was volgens de dajaks mijn eigen

schuld, doordat ik de steenen graven aan den Bahauoever van vuil

had laten ontdoen om die te kunnen fotografeeren--gingen we verder en

voeren spoedig de Soengei Berao op, een rivier met een zeer steenachtig

bed, zoodat het opvaren ons groote moeite kostte, om daarna het op

den rechteroever gelegen Seriok of Longtok te bereiken, welke kampong

van uit Lepo Maoet bij goed water in acht uur is te bereiken.

Mijn komst in de kampong verwekte--zooals te begrijpen is--nogal

opschudding; vooral de vrouwen schoolden samen om den witmensch te

zien, eene afwisseling in haar eentonig bestaan, voor de kinderen

was het een pretje en zelfs de dajakhonden zaten mij verwonderd aan

te kijken. Allen verzamelden zich dan ook in het voorhuis van den

hoofdman en een gezellig gekeuvel volgde. Gezellig, hoewel het nog

al eenige moeite kostte om me verstaanbaar te maken, waarbij ik mij

van twee tolken moest bedienen. Alles wat ik deed, had hun groote

belangstelling: het uitspreiden van mijn veldbed, het uittrekken

mijner schoenen en slobkousen, het eten met lepel en vork, kortom

alles vonden ze grappig of diep ernstig. Het eenige bezwaar, wat ik

tegen de menschen had, was, dat ze zoo intens vuil waren. Een manneke

van middelbaren leeftijd, blijkbaar nog al hoog in rang, omdat hij

zoo dicht bij me kwam zitten en alles van nabij bekeek, was zoo vuil

als een echt boschduveltje, dat ik hem bij wijze van grapje vroeg,

of eigenlijk liet vragen, in hoe langen tijd hij zich niet gewasschen

had. Hij beweerde, dat hij dat nooit deed, hetgeen aan te nemen was,

maar dat hij het nu wel eens wou doen, waartegen ik geene bezwaren had

en werkelijk kwam hij kort daarna hernieuwd terug tot groot plezier

van de aanwezige menigte.

Voor fotografeeren schenen ze geen angst te hebben en dadelijk maakte

ik van de gelegenheid gebruik eenige dames te kieken, maar toen ze

's avonds bij het ontwikkelen der platen zagen, wat er allemaal

gebeurde en dat ze spookachtig op het negatief zichtbaar waren,

was het uit met de pret en toen ik den volgenden dag met mijn

toestel in de kampong rondliep, kreeg ik geen enkele vrouw meer

voor de lens; geen enkele vrouw, geen enkel kind meer was te zien;

gelukkig waren de mannen verstandiger. Ze waren bang, dat ik hun de

ziel zou ontstelen, evenals de Papoea's. Een dergelijk grappig iets

troffen we indertijd in Apo Kajan aan, toen van een der dajaksche

dwangarbeiders een gipsafgietsel van het gelaat werd genomen; hij

vond dat eerst verre van aangenaam en vroeg of hij er dood van zou

gaan, maar toen we uitlegden, dat dit absoluut het geval niet was,

dacht hij, dat het dan toch wel tot vermindering van straf zou dienen

en hij de gevangenis na de operatie zou kunnen verlaten. De oolijkerd!

In haardracht slechts verschillen de Sabans van de overige Kenja's. Ze

scheren zich dikwijls het hoofdhaar af of dragen het kort, maar

aan het achterhoofd dikwijls zeer lang, hetwelk tot een wrong

wordt samengebonden en daarna met haarpennen achter aan het hoofd

vastgestoken, een gewoonte, die ze van de Serawak-dajaks hebben

overgenomen. Ook wordt het haar door jongelui van voren soms lang

gedragen; het valt dan op het voorhoofd en wordt recht afgesneden.

Ze plegen zich weinig te tatoueeren, hoewel het bij de vrouwen nog

wel voorkomt (afb. 75).

De huizenbouw verschilt niet veel van die der Kenja's; alleen met dit

verschil, dat de lamins één samenhangend geheel vormen; ze gebruiken

bovendien geene deuren, maar in plaats daarvan voeren een of meer

gangetjes naar de achterverblijven.

Eene speciale eigenaardigheid van de Sabans is nog een bepaald soort

huisjes of pondoks, waarin zij hun besmettelijke zieken afzonderen. Het

is dezen niet veroorloofd die verblijfplaatsen te verlaten, een

verstandige maatregel, welke ik bij geen enkelen anderen dajakstam

aantrof. Voedsel wordt hun door familieleden door de deuropening

aangereikt; overigens bemoeit zich niemand met hen.

In Seriok trof ik ook sapi's en karbouwen aan, afkomstig uit de Oeloe

Krajan in de Tidoengsche landen en Telang Oesan, waaruit blijkt,

dat deze lieden aanrakingen hebben met het engelsche gebied; van hier

uit is dit dan ook slechts zes dagen verwijderd, zoodat het ons niet

behoeft te verwonderen, dat deze lieden door de vele aanrakingen met

onze naburen ook meenden onder engelsch bestuur te staan.

Uit de karbouwenhorens weten de Sabans schoone mandauheften te

maken, terwijl we hier een typisch muziekinstrument aantroffen, de

z.g. lòtòng, bestaande uit een dikke bamboe, aan één kant gesloten door

een geledingsbodem, aan den anderen kant open. Bij wijze van snaren

zijn gedeelten van het vezelig oppervlak opgelicht en daaronder als

bij een viool kleine kammetjes geplaatst. Al tokkelend weet de Saban

hier een sympathieke melodie aan te ontlokken. Zie afb. 25.

Volgens hun eigen beweringen hebben ze altijd hier gewoond en zouden

dan beschouwd dienen te worden als de autochthonen van het boven

Bahaugebied. Onmogelijk is dit niet; een stam, die hier vroeger ook

nog gewoond zou hebben, was die der Ngorek, welke waarschijnlijk is

uitgestorven of uitgeweken naar het engelsche gebied.

De Sabans vormen een stam, staande tusschen Kenja en Poenan in. In

lichaamsbouw doen ze onder voor den Kenja en Kajan; ze zijn in het

algemeen minder zwaar en forsch en vooral missen ze de fierheid

in houding, die men juist bij andere dajakstammen zoo dikwijls

bewonderen moet.

Al meerdere malen werd er in dit werkje de aandacht op gevestigd, hoe

de dajaks--hoewel de vrouwen minder--veel overeenkomst vertoonen met

chineezen. Volgens sommige lieden van deze stammen zou een gedeelte

van hen van chineezen afstammen, afkomstig uit de westelijk gelegen

gebieden. Vooral bij de primitieve dajaks, Sabans en Poenans, valt een

sterk sprekende overeenkomst niet te loochenen. Van chineezen zouden

ze ook hun naga- of draakmotieven overgenomen hebben, dat zoo sterk

in kenjasche figuren op den voorgrond treedt. Veel meer toch zou het

voor de hand liggen, wanneer ze deze ontleenden aan dieren uit hun

eigen omgeving als herten, zwijnen en krokodillen; ze gebruiken deze

weliswaar een enkele maal voor hun motieven, maar meer geliefd zijn

de chineesche draken. Nog wijzen op intensieve aanrakingen hun mooi

bewerkte tempajans, die ook van chineeschen oorsprong moeten zijn. Ook

hun namen als b.v. Go Long Sat en anderen--vooral Poenannamen--zouden

eruit kunnen voortspruiten, terwijl zelfs bij enkele stammen of

families het nog gewoonte is om in plaats van de gewone rouwkleederen

der Kenja's, de witte der chineezen te dragen. Is het verband werkelijk

bestaand, dan verloochenen ze hun geslacht niet ten opzichte van

eene zekere handelssluwheid, welke ook velen Kenja's niet vreemd is

en welke hun aangeeft waar ze het meeste voordeel moeten vinden.

Daar alle hoofden tot eene groote vergadering te Lepo Maoet waren

opgeroepen en een tocht naar de Sabankampongs nog meerdere dagen

in beslag zou nemen, besloot ik terug te gaan om hen aldaar op te

wachten. Reeds spoedig kwam Oesat Biloeng met groot gevolg aan; hij

maakte een gunstigen indruk, is een flinke figuur en weet zich te doen

gehoorzamen. Naast het hoofd van Lepoe Maoet is hij wel de flinkste,

al is in deze gebieden geen sprake van een algemeen hoofd.

Nadat allen aanwezig waren en er "bruderschaft" gedronken was,

waarbij meerderen uit één beker dronken, kon de vergadering beginnen,

nadat nog enkelen eene kleine verzoening hadden gehouden, hetgeen nu

geschiedde met een uitgerafelden rietstengel, gedrenkt in varkensbloed.

De onderwerpen, welke besproken werden, waren dezelfde als die

welke we reeds in Poedjoengan behandelden. Vooral de grondkwesties

hadden hier de groote belangstelling, begeerig als men was, dat de

Kompenie deze aangelegenheid zou regelen, zoodat de invloed van Lian

Toeran tot niets werd teruggebracht, hetgeen ik hun gerust durfde

toezeggen. Aan het eind van de vergadering stond het oude hoofd

op en bracht met verheffing van stem zijnen onderhoorigen nog eens

duidelijk aan het verstand, wat ze te doen en te laten hadden. Hij

wees hun erop, dat ze mijn bevelen hadden op te volgen, want dat die

werkelijk--hij als oud man begreep dat--in hun belang waren. Nadat

dit door nog eenige hoofden herhaald was in bloemrijke taal, verrees

de eenoogige Ma Djaloeng Lenggang; hij sprak met vuur en zeide,

dat hij met belangstelling mijn woorden had aangehoord en begrepen,

maar hij hoopte, dat ik het niet alleen bij woorden zou laten en Lian

Toeran dit alles nog eens goed zou inpeperen, zoodat de praktijk in

overeenstemming zou komen met mijne woorden.

Onder de Sabans bleek nogal oneenigheid te bestaan, hetgeen dan ook

de reden was van het verspreid wonen dezer menschen. Het beste was

geweest als de menschen in 2 of 3 groote kampongs meer stroomafwaarts

zich vereenigden, maar er waren zooveel bezwaren, dat van dit voorstel

niet veel terecht kwam. De voornaamste Saban, de eenige die dan ook het

woord voerde, is Taman Baja Njipa; hij maakt een schranderen indruk,

maar hij is blijkbaar toch niet krachtig genoeg om de enkele honderden

Sabans bij elkaar te houden. Hij volgde de geheele vergadering in

weerwil van het feit, dat zijn duim, die half afgezworen was, hem

geweldige pijn moest veroorzaken. Tot mijn groote spijt kon ik er niets

aan doen en hij bepaalde er zich slechts toe het stompje rechtop te

houden. Het is ongeloofelijk, hoe veel pijn deze menschen soms kunnen

verdragen, maar voor onze instrumenten hebben ze een heilige vrees;

liever grijpen ze zelf in. Ik zag eens een man, die zich met een van

bamboe gemaakt en scherp aangepunt hamertje den arm opende om zich van

een ernstig abces te verlossen. Om de punt niet verder dan noodzakelijk

in het lichaam te doen dringen, was deze op een bepaalde hoogte met een

stuk lap omwonden, welke tevens diende om de hamer stevig te verbinden.

De Sabans waren eigenlijk een weinig verwonderd, dat ze nederlandsche

onderdanen waren. Hun aanrakingen zijn zoo uitsluitend met het

engelsche gebied, dat ze zich ook rekenen als bij dat gebied te

behooren. Toch was hun wel door engelsche ambtenaren medegedeeld dat

alle lieden aan de Bahau aan het hollandsche gezag onderworpen zijn. De

dajak beschouwt de engelschen en hollanders als verschillende menschen;

de eersten noemt hij keloenan inggris, òns keloenan blada (blanda);

wij zijn de witmenschen bij uitstek. Meerdere malen--vertelde mij

Taman Baja Njipa--hadden ze de hulp der engelschen ingeroepen,

omdat er nooit hollandsche ambtenaren kwamen, terwijl Maroedi in

het engelsche gebied slechts zes dagen van hen verwijderd ligt. Toch

hadden ze niets geen bezwaar er tegen zich onder onze vlag te scharen.

Nadat alles besproken was en de oude radja mij nog een schild had

gegeven--daar hij dit niet meer noodig had, omdat na het gesprokene

ik "syn scilt ende betrouwen" was,--was het oogenblik van teruggaan

gekomen; bij het stroomafwaarts gaan van de Bahau in de versnelling

Loeët Boeët (moeilijke oversteek) ging door het omslaan van mijn

prauw het grootste gedeelte mijner goederen verloren. Na enkele dagen

bereikten we weer Long Poedjoengan, voeren langs de Soengei Laso, een

warmwaterriviertje en nadat bij de kiham Baloei de goederen over de

rotsen waren gedragen, daar het afvaren niet mogelijk was, bereikten

we een paar dagen daarna Tandjong Seilor en na eene afwezigheid van

vijf volle maanden keerden we weer in den familiekring terug. Hoe

meer we naderen, hoe angstiger het hart klopt, na lange afwezigheid

van berichten, maar hoe grooter de vreugde, wanneer we de onzen in

goede gezondheid weerzien.

IN DE TIDOENGSCHE LANDEN.

Zoo er één van de gebieden van dajakland nog tot de onbekende behoort,

dan zijn dit zekerlijk wel de Tidoengsche landen.

Ver van alle verkeer ligt het daar eenzaam en verlaten, in den

uitersten noordoosthoek, onmiddellijk grenzend aan onze engelsche

naburen. Verbinding met de buitenwereld bestaat om zoo te zeggen niet;

weinige zijn de europeanen, die deze gebieden hebben betreden en

geen geschrift handelt daarover, behalve dan de enkele rapporten van

ambtenaren, die ergens als nietswaardige vodden onder een dikke laag

stof in de archieven verborgen liggen. Het is één dier grensgebieden

van ons gezag, waar de hollandsche invloed zeer flauw waarneembaar is.

En toch leven daar in de bovengebieden, vrijwel nog in hun alouden

oerstaat, een vijftienduizend dajaks, hun eenzaam, maar in hun eigen

oogen, gelukkig bestaan. Men zou dit niet verwachten, wanneer men

langs de kusten van dit gebied door de groote zeearmen vaart; geen

levend wezen is te ontdekken, alles water, modder en bosch; uren,

dagen lang kan men hier varen zonder iets of iemand te zien, geen

mensch, geen menschelijke vestiging. Eerst uren en uren stroomopwaarts

ontdekt men leven in deze uitgestrekte oorden. Het is de groote

vraag of het den menschen wel naar den zin was toen in Maart 1917 de

patrouille Posthumus, later vervangen door Sitsen, aan wal stapte

en de eerste stappen werden gedaan om in den chaotischen toestand

in de diepe binnenlanden verbetering te brengen en de menschen,

die her- en derwaarts verspreid woonden, op hooge bergtoppen soms,

tengevolge van de in zwang zijnde sneltochten, te bewegen zich in meer

bewoonbare oorden te vestigen. Lange, lange tijden waren ze aan hun

lot overgelaten geweest, vrijelijk doende wat hun lustte en zich in

het geheel niet bekommerend om het europeesche gezag of het bestuur

van den sultan van Boeloengan, wiens onderdanen zij allen zijn. Het

intensievere bestuur is wel van zeer recenten datum, maar toch is

het bewonderenswaardig, wat beide bovengenoemde mannen in dien korten

tijd hebben tot stand gebracht onder zeer primitieve omstandigheden.

Nog zij vermeld de grensexpeditie in 1912 onder kapitein P. van

Genderen Stort, welke ten doel had de uitzetting in het terrein van

de grens tusschen nederlandsch gebied en het gouvernement Britsch

Noord-Borneo, over welken tocht een uitvoerig rapport is verschenen.

De dajaks uit deze gebieden behooren tot een geheel anderen stam dan

de reeds in de vorige hoofdstukken behandelde. We onderscheiden hier

twee groote groepen, wonend in de stroomgebieden van de twee groote

rivieren de Sesajap en de Sembakoeng en wel in de eerste de Poetoeks en

in de tweede de Tinggalans. Hoewel deze beide stammen met de vroeger

genoemde punten van overeenstemming hebben, verschillen ze van deze

in andere opzichten weer zooveel, dat een afzonderlijke beschrijving

van hun zeden en gewoonten gemotiveerd schijnt.

Hun talen verschillen onderling zeer, terwijl deze ieder op

zichzelf wederom vele dialecten tellen, ieder in zijn eigen

stroomgebied. Tusschen de eigenlijke dajaks van de binnenlanden en de

maleische kustbewoners in--Boegineezen, Makassaren e.a.--is een soort

mengvolk ontstaan, de Tidoengers, welke naam ontleend zou zijn aan

de toppen der heuvelen (tidoeng), waarop zij woonden om beschermd te

zijn tegen de snelwoede, die in vroeger dagen zoo sterk heerschte. De

handelaren, die de binnenlanden indrongen langs de hoofdrivieren,

wisten de Tinggalans, die zij daar aantroffen, te overreden, zich

meer aan den benedenloop der rivieren te gaan vestigen; hun dochters

trouwden met de handelaren en zijzelf gingen van lieverlede tot het

mohammedaansch geloof over. En zoo vestigden ze zich niet alleen

in de lager gelegen landen, maar zelfs op de eilanden voor de kust

en waren een tijdlang berucht wegens hun zeerooverijen--zelfs de

sultan van Boeloengan vreesde hen en moest zijn zetel verplaatsen

en zich vestigen te Tandjong Palas, waar hij thans nog zijn paleis

heeft--totdat hieraan paal en perk werd gesteld door de Solokkers,

bewoners van den ten noorden van Borneo gelegen Soeloe-archipel, met

wie een langdurige en hevige strijd ontstond. Velen werden als slaaf

medegevoerd en thans nog leven velen van hen onder de Tidoengers en

zijn geheel en al in deze bevolking opgegaan.

De naam tidoeng is overgedragen op het geheele gebied ten noorden

van het stroomgebied der Kajanrivier.

De Tinggalandajaks behooren tot een grooten stam van dien naam, welke

ook de binnenlanden van Britsch Noord-Borneo bewonen en daar meer

bekend zijn onder den naam "Murut". Gedurende een bespreking met een

engelsch bestuursambtenaar uit die gebieden mocht ik meerdere van die

menschen ontmoeten, die wat lichaamsbouw en gewoonten aangaat, geheel

met de onze overeenstemmen. Volgens de Tinggalans zelve hebben zij

steeds deze gebieden bewoond en zijn ze niet heen en weer getrokken,

opgejaagd door andere stammen, zooals we dat bij de Kenja's in zoo

sterke mate aantroffen.

De tegenwoordige bevolking van de Tidoengsche landen is zeer weinig

krachtig en energiek; er is wellicht in onzen archipel geen volk aan te

wijzen, dat zoo slap en gemakzuchtig is als juist deze menschen. Het

is trouwens een opmerkelijk verschijnsel in dajakland, dat daar, waar

de bevolking nog strijdlustig is en de snelwoede nog niet beteugeld,

deze ook het krachtigst is; daar zijn ze nog flinker gebouwd, daar

zijn ze nog volijverig in het bebouwen hunner ladangs. Elders zijn ze

daarvoor te lui en voeden ze zich met minderwaardige producten. Zeer

sterk treedt dit verschijnsel op in de benedenlanden van deze gebieden

(afb. 52).

Ons Mooi Indië: Uit Dajakland Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving · 第 9 / 13 段