na den dood worden de lijken in een kist geborgen en blijven daarin
zoo lang tot ze vergaan zijn; daarna worden ze er weer uitgehaald
en in een tempajan--een groote keulsche pot--gedaan, welke op een
hoog opgerichte, dikwijls met snijwerk versierde paal wordt gezet,
paalgraven of zoogenaamde liangs. (Zie afb. 48). Overigens gebruikt
men in Lepo Maoet salongs evenals de andere Kenja's, waarin de
kisten bijgezet worden, behalve bij de Ma Koelits, die het lijk
in een kist onder den grond begraven en daarop het doodenhuisje
plaatsen. In Poedjoengan gebruikt men ook kisten en plaatst die in de
bergholen, behalve Ma Badang en Ma Lasan Long Poedjoengan waar men
de Kenjagewoonte volgt en salongs gebruikt. De Sabans doen het weer
anders en plaatsen het lijk in een kist, welke willekeurig ergens
wordt neergezet, soms buiten vlak naast het huis; wanneer het vergaan
is, wordt het in een gesloten tempajan geplaatst en deze half in den
grond ingegraven. Dit overbrengen in de steenen potten gaat met groot
ceremonieel gepaard. Willekeurig worden deze neergezet, zoodat het
niet te verwonderen is, dat men daar rondtrekkend, struikelt over een
graf, dat in de tropische natuur onmiddellijk door den weelderigen
plantengroei aan het oog wordt onttrokken.
Wordt dus in het algemeen niet veel zorg besteed aan de verzorging
der dooden, menschen die aan "keloear darah" (bloedspuwing) zijn
overleden of vrouwen in het kraambed, worden gewoon, afgescheiden
van de anderen, ergens in den grond verborgen.
Zeer eigenaardige graven troffen we nog aan op den linkeroever der
Bahau, een eind zuidelijk van Lepo Maoet, afkomstig van stammen, die
vroeger hier woonden, maar verdreven werden en waarvan een restant
woont aan de Kajan, benedenstrooms Long Pangian, in de kampong Boesang
Badang. De graven bestaan uit zwaar bewerkte steenen; vier dienen als
pijlers, daarop rust een deksteen, die tevens drukt op het deksel
van een steenen tempajan en deze absoluut gesloten houdt. Het is
onbegrijpelijk hoe die lieden deze uit de harde steensoort hebben
kunnen bewerken. Niemand, noch in Lepo Maoet, noch later in de
benedengebieden, kon mij omtrent deze eigenaardige vormen inlichtingen
geven. Het is dus waarschijnlijk, dat deze reeds van vrij ouden datum
moeten zijn. Nergens anders in dajakland worden ze aangetroffen.
Op een afstand van twee uur ongeveer ligt, eveneens op een berg,
Lepo Kèh Indapa onder het hoofd Oesat Lawing. Blijkbaar was men
bevreesd voor ziekten; ettelijke bamboestaken, versierd met allerlei
houtrafelingen waren voor de kampong opgesteld om de booze geesten
te bezweren, terwijl men hier en daar door rhythmisch gezang onder
aanroep van de geesten, de ziekten trachtte te verdrijven.
We hadden eerst nog getracht den tocht naar de Sabans rechtstreeks
vanhier over land te doen; de weg was echter zóó slecht, dat we
van dit plan afzagen en eerst weer naar Lepo Maoet terugkeerden
om gebruik te maken van de rivier. Van Indapa uit duurt de tocht
naar Lepo Maoet vier uur. De vroegere kampong Lepo Kèh Ang Long is
verlaten; deze lieden zijn verhuisd naar de Bahau en wonen thans in de
kampong Gaboeang, waar we een der volgende dagen aankwamen. Daar een
hevige regen ons overviel en we juist bij een ladang waren aangekomen,
besloten we, om mijn roeiers het maken van een bivak te besparen, in
een der armoedige huisjes een onderdak voor den nacht te zoeken. Dit
had tevens het voordeel eens echt het leven van den dajak op zijn
slechtst mede te maken. En het viel dan werkelijk ook niet mee. In
het wankele gebouwtje was het me haast niet mogelijk mij te bewegen;
in een ruimte van slechts enkele vierkante meters zaten we allen
kris en kras door elkaar; de vloer, ongeveer drie meter boven den
grond, bestaande uit dunne bamboelatjes, was van dien aard, dat we
elk oogenblik vreesden er doorheen te vallen en terecht te komen
boven op de varkens, die lustig daaronder smakten en knorden. Hier
brengt de dajak uit den achterhoek maanden en maanden door, zonder
genoegens, zonder eenige eischen. Met weinig zorg en weinig kennis
van zaken bebouwen ze hun gronden en hebben daardoor meestal weinig
voedsel. Zoo ook hier; door ziekte van enkele lieden had men den
aanplant gestaakt, de jonge planten werden verstikt door het vuil,
men denkt er niet over na of dit ook hongersnood beteekent; dat zal
wel blijken. Hun lichamen zijn verzwakt door ondervoeding, ziekte en
vuilheid. Het was droevig deze mannen en vrouwen te zien; somber,
spichtig en flets. Een innig medelijden met deze menschen bekroop
mij, deze menschen, die een leven leven, erger dan de dood en die
niet vatbaar zijn voor redeneering. Enkele zieken en anderen weer met
afzichtelijke wonden riepen mijn hulp in, maar de medicijnkast van een
bestuursambtenaar--kininepillen en castorolie--reikt niet ver. Zoo
is de toestand van alle veraf wonende dajaks, Poenans, Sabans en
anderen. En daaraan niets te kunnen doen! Het ware te wenschen, dat
al deze menschen meer stroomafwaarts verhuisden; maar vrees en altijd
weer vrees weerhoudt hen, vrees voor Ma Alims, vrees voor maleiers. Er
was een tijd, dat ze nog wel eens kwamen afzakken, maar sinds een
moord op eenige maleiers, die zich aan hun vrouwen hadden vergrepen,
durfden zij uit angst voor weerwraak niet meer naar beneden te gaan.
Hoewel het flink bandjirde--dit was volgens de dajaks mijn eigen
schuld, doordat ik de steenen graven aan den Bahauoever van vuil
had laten ontdoen om die te kunnen fotografeeren--gingen we verder en
voeren spoedig de Soengei Berao op, een rivier met een zeer steenachtig
bed, zoodat het opvaren ons groote moeite kostte, om daarna het op
den rechteroever gelegen Seriok of Longtok te bereiken, welke kampong
van uit Lepo Maoet bij goed water in acht uur is te bereiken.
Mijn komst in de kampong verwekte--zooals te begrijpen is--nogal
opschudding; vooral de vrouwen schoolden samen om den witmensch te
zien, eene afwisseling in haar eentonig bestaan, voor de kinderen
was het een pretje en zelfs de dajakhonden zaten mij verwonderd aan
te kijken. Allen verzamelden zich dan ook in het voorhuis van den
hoofdman en een gezellig gekeuvel volgde. Gezellig, hoewel het nog
al eenige moeite kostte om me verstaanbaar te maken, waarbij ik mij
van twee tolken moest bedienen. Alles wat ik deed, had hun groote
belangstelling: het uitspreiden van mijn veldbed, het uittrekken
mijner schoenen en slobkousen, het eten met lepel en vork, kortom
alles vonden ze grappig of diep ernstig. Het eenige bezwaar, wat ik
tegen de menschen had, was, dat ze zoo intens vuil waren. Een manneke
van middelbaren leeftijd, blijkbaar nog al hoog in rang, omdat hij
zoo dicht bij me kwam zitten en alles van nabij bekeek, was zoo vuil
als een echt boschduveltje, dat ik hem bij wijze van grapje vroeg,
of eigenlijk liet vragen, in hoe langen tijd hij zich niet gewasschen
had. Hij beweerde, dat hij dat nooit deed, hetgeen aan te nemen was,
maar dat hij het nu wel eens wou doen, waartegen ik geene bezwaren had
en werkelijk kwam hij kort daarna hernieuwd terug tot groot plezier
van de aanwezige menigte.
Voor fotografeeren schenen ze geen angst te hebben en dadelijk maakte
ik van de gelegenheid gebruik eenige dames te kieken, maar toen ze
's avonds bij het ontwikkelen der platen zagen, wat er allemaal
gebeurde en dat ze spookachtig op het negatief zichtbaar waren,
was het uit met de pret en toen ik den volgenden dag met mijn
toestel in de kampong rondliep, kreeg ik geen enkele vrouw meer
voor de lens; geen enkele vrouw, geen enkel kind meer was te zien;
gelukkig waren de mannen verstandiger. Ze waren bang, dat ik hun de
ziel zou ontstelen, evenals de Papoea's. Een dergelijk grappig iets
troffen we indertijd in Apo Kajan aan, toen van een der dajaksche
dwangarbeiders een gipsafgietsel van het gelaat werd genomen; hij
vond dat eerst verre van aangenaam en vroeg of hij er dood van zou
gaan, maar toen we uitlegden, dat dit absoluut het geval niet was,
dacht hij, dat het dan toch wel tot vermindering van straf zou dienen
en hij de gevangenis na de operatie zou kunnen verlaten. De oolijkerd!
In haardracht slechts verschillen de Sabans van de overige Kenja's. Ze
scheren zich dikwijls het hoofdhaar af of dragen het kort, maar
aan het achterhoofd dikwijls zeer lang, hetwelk tot een wrong
wordt samengebonden en daarna met haarpennen achter aan het hoofd
vastgestoken, een gewoonte, die ze van de Serawak-dajaks hebben
overgenomen. Ook wordt het haar door jongelui van voren soms lang
gedragen; het valt dan op het voorhoofd en wordt recht afgesneden.
Ze plegen zich weinig te tatoueeren, hoewel het bij de vrouwen nog
wel voorkomt (afb. 75).
De huizenbouw verschilt niet veel van die der Kenja's; alleen met dit
verschil, dat de lamins één samenhangend geheel vormen; ze gebruiken
bovendien geene deuren, maar in plaats daarvan voeren een of meer
gangetjes naar de achterverblijven.
Eene speciale eigenaardigheid van de Sabans is nog een bepaald soort
huisjes of pondoks, waarin zij hun besmettelijke zieken afzonderen. Het
is dezen niet veroorloofd die verblijfplaatsen te verlaten, een
verstandige maatregel, welke ik bij geen enkelen anderen dajakstam
aantrof. Voedsel wordt hun door familieleden door de deuropening
aangereikt; overigens bemoeit zich niemand met hen.
In Seriok trof ik ook sapi's en karbouwen aan, afkomstig uit de Oeloe
Krajan in de Tidoengsche landen en Telang Oesan, waaruit blijkt,
dat deze lieden aanrakingen hebben met het engelsche gebied; van hier
uit is dit dan ook slechts zes dagen verwijderd, zoodat het ons niet
behoeft te verwonderen, dat deze lieden door de vele aanrakingen met
onze naburen ook meenden onder engelsch bestuur te staan.
Uit de karbouwenhorens weten de Sabans schoone mandauheften te
maken, terwijl we hier een typisch muziekinstrument aantroffen, de
z.g. lòtòng, bestaande uit een dikke bamboe, aan één kant gesloten door
een geledingsbodem, aan den anderen kant open. Bij wijze van snaren
zijn gedeelten van het vezelig oppervlak opgelicht en daaronder als
bij een viool kleine kammetjes geplaatst. Al tokkelend weet de Saban
hier een sympathieke melodie aan te ontlokken. Zie afb. 25.
Volgens hun eigen beweringen hebben ze altijd hier gewoond en zouden
dan beschouwd dienen te worden als de autochthonen van het boven
Bahaugebied. Onmogelijk is dit niet; een stam, die hier vroeger ook
nog gewoond zou hebben, was die der Ngorek, welke waarschijnlijk is
uitgestorven of uitgeweken naar het engelsche gebied.
De Sabans vormen een stam, staande tusschen Kenja en Poenan in. In
lichaamsbouw doen ze onder voor den Kenja en Kajan; ze zijn in het
algemeen minder zwaar en forsch en vooral missen ze de fierheid
in houding, die men juist bij andere dajakstammen zoo dikwijls
bewonderen moet.
Al meerdere malen werd er in dit werkje de aandacht op gevestigd, hoe
de dajaks--hoewel de vrouwen minder--veel overeenkomst vertoonen met
chineezen. Volgens sommige lieden van deze stammen zou een gedeelte
van hen van chineezen afstammen, afkomstig uit de westelijk gelegen
gebieden. Vooral bij de primitieve dajaks, Sabans en Poenans, valt een
sterk sprekende overeenkomst niet te loochenen. Van chineezen zouden
ze ook hun naga- of draakmotieven overgenomen hebben, dat zoo sterk
in kenjasche figuren op den voorgrond treedt. Veel meer toch zou het
voor de hand liggen, wanneer ze deze ontleenden aan dieren uit hun
eigen omgeving als herten, zwijnen en krokodillen; ze gebruiken deze
weliswaar een enkele maal voor hun motieven, maar meer geliefd zijn
de chineesche draken. Nog wijzen op intensieve aanrakingen hun mooi
bewerkte tempajans, die ook van chineeschen oorsprong moeten zijn. Ook
hun namen als b.v. Go Long Sat en anderen--vooral Poenannamen--zouden
eruit kunnen voortspruiten, terwijl zelfs bij enkele stammen of
families het nog gewoonte is om in plaats van de gewone rouwkleederen
der Kenja's, de witte der chineezen te dragen. Is het verband werkelijk
bestaand, dan verloochenen ze hun geslacht niet ten opzichte van
eene zekere handelssluwheid, welke ook velen Kenja's niet vreemd is
en welke hun aangeeft waar ze het meeste voordeel moeten vinden.
Daar alle hoofden tot eene groote vergadering te Lepo Maoet waren
opgeroepen en een tocht naar de Sabankampongs nog meerdere dagen
in beslag zou nemen, besloot ik terug te gaan om hen aldaar op te
wachten. Reeds spoedig kwam Oesat Biloeng met groot gevolg aan; hij
maakte een gunstigen indruk, is een flinke figuur en weet zich te doen
gehoorzamen. Naast het hoofd van Lepoe Maoet is hij wel de flinkste,
al is in deze gebieden geen sprake van een algemeen hoofd.
Nadat allen aanwezig waren en er "bruderschaft" gedronken was,
waarbij meerderen uit één beker dronken, kon de vergadering beginnen,
nadat nog enkelen eene kleine verzoening hadden gehouden, hetgeen nu
geschiedde met een uitgerafelden rietstengel, gedrenkt in varkensbloed.
De onderwerpen, welke besproken werden, waren dezelfde als die
welke we reeds in Poedjoengan behandelden. Vooral de grondkwesties
hadden hier de groote belangstelling, begeerig als men was, dat de
Kompenie deze aangelegenheid zou regelen, zoodat de invloed van Lian
Toeran tot niets werd teruggebracht, hetgeen ik hun gerust durfde
toezeggen. Aan het eind van de vergadering stond het oude hoofd
op en bracht met verheffing van stem zijnen onderhoorigen nog eens
duidelijk aan het verstand, wat ze te doen en te laten hadden. Hij
wees hun erop, dat ze mijn bevelen hadden op te volgen, want dat die
werkelijk--hij als oud man begreep dat--in hun belang waren. Nadat
dit door nog eenige hoofden herhaald was in bloemrijke taal, verrees
de eenoogige Ma Djaloeng Lenggang; hij sprak met vuur en zeide,
dat hij met belangstelling mijn woorden had aangehoord en begrepen,
maar hij hoopte, dat ik het niet alleen bij woorden zou laten en Lian
Toeran dit alles nog eens goed zou inpeperen, zoodat de praktijk in
overeenstemming zou komen met mijne woorden.
Onder de Sabans bleek nogal oneenigheid te bestaan, hetgeen dan ook
de reden was van het verspreid wonen dezer menschen. Het beste was
geweest als de menschen in 2 of 3 groote kampongs meer stroomafwaarts
zich vereenigden, maar er waren zooveel bezwaren, dat van dit voorstel
niet veel terecht kwam. De voornaamste Saban, de eenige die dan ook het
woord voerde, is Taman Baja Njipa; hij maakt een schranderen indruk,
maar hij is blijkbaar toch niet krachtig genoeg om de enkele honderden
Sabans bij elkaar te houden. Hij volgde de geheele vergadering in
weerwil van het feit, dat zijn duim, die half afgezworen was, hem
geweldige pijn moest veroorzaken. Tot mijn groote spijt kon ik er niets
aan doen en hij bepaalde er zich slechts toe het stompje rechtop te
houden. Het is ongeloofelijk, hoe veel pijn deze menschen soms kunnen
verdragen, maar voor onze instrumenten hebben ze een heilige vrees;
liever grijpen ze zelf in. Ik zag eens een man, die zich met een van
bamboe gemaakt en scherp aangepunt hamertje den arm opende om zich van
een ernstig abces te verlossen. Om de punt niet verder dan noodzakelijk
in het lichaam te doen dringen, was deze op een bepaalde hoogte met een
stuk lap omwonden, welke tevens diende om de hamer stevig te verbinden.
De Sabans waren eigenlijk een weinig verwonderd, dat ze nederlandsche
onderdanen waren. Hun aanrakingen zijn zoo uitsluitend met het
engelsche gebied, dat ze zich ook rekenen als bij dat gebied te
behooren. Toch was hun wel door engelsche ambtenaren medegedeeld dat
alle lieden aan de Bahau aan het hollandsche gezag onderworpen zijn. De
dajak beschouwt de engelschen en hollanders als verschillende menschen;
de eersten noemt hij keloenan inggris, òns keloenan blada (blanda);
wij zijn de witmenschen bij uitstek. Meerdere malen--vertelde mij
Taman Baja Njipa--hadden ze de hulp der engelschen ingeroepen,
omdat er nooit hollandsche ambtenaren kwamen, terwijl Maroedi in
het engelsche gebied slechts zes dagen van hen verwijderd ligt. Toch
hadden ze niets geen bezwaar er tegen zich onder onze vlag te scharen.
Nadat alles besproken was en de oude radja mij nog een schild had
gegeven--daar hij dit niet meer noodig had, omdat na het gesprokene
ik "syn scilt ende betrouwen" was,--was het oogenblik van teruggaan
gekomen; bij het stroomafwaarts gaan van de Bahau in de versnelling
Loeët Boeët (moeilijke oversteek) ging door het omslaan van mijn
prauw het grootste gedeelte mijner goederen verloren. Na enkele dagen
bereikten we weer Long Poedjoengan, voeren langs de Soengei Laso, een
warmwaterriviertje en nadat bij de kiham Baloei de goederen over de
rotsen waren gedragen, daar het afvaren niet mogelijk was, bereikten
we een paar dagen daarna Tandjong Seilor en na eene afwezigheid van
vijf volle maanden keerden we weer in den familiekring terug. Hoe
meer we naderen, hoe angstiger het hart klopt, na lange afwezigheid
van berichten, maar hoe grooter de vreugde, wanneer we de onzen in
goede gezondheid weerzien.
IN DE TIDOENGSCHE LANDEN.
Zoo er één van de gebieden van dajakland nog tot de onbekende behoort,
dan zijn dit zekerlijk wel de Tidoengsche landen.
Ver van alle verkeer ligt het daar eenzaam en verlaten, in den
uitersten noordoosthoek, onmiddellijk grenzend aan onze engelsche
naburen. Verbinding met de buitenwereld bestaat om zoo te zeggen niet;
weinige zijn de europeanen, die deze gebieden hebben betreden en
geen geschrift handelt daarover, behalve dan de enkele rapporten van
ambtenaren, die ergens als nietswaardige vodden onder een dikke laag
stof in de archieven verborgen liggen. Het is één dier grensgebieden
van ons gezag, waar de hollandsche invloed zeer flauw waarneembaar is.
En toch leven daar in de bovengebieden, vrijwel nog in hun alouden
oerstaat, een vijftienduizend dajaks, hun eenzaam, maar in hun eigen
oogen, gelukkig bestaan. Men zou dit niet verwachten, wanneer men
langs de kusten van dit gebied door de groote zeearmen vaart; geen
levend wezen is te ontdekken, alles water, modder en bosch; uren,
dagen lang kan men hier varen zonder iets of iemand te zien, geen
mensch, geen menschelijke vestiging. Eerst uren en uren stroomopwaarts
ontdekt men leven in deze uitgestrekte oorden. Het is de groote
vraag of het den menschen wel naar den zin was toen in Maart 1917 de
patrouille Posthumus, later vervangen door Sitsen, aan wal stapte
en de eerste stappen werden gedaan om in den chaotischen toestand
in de diepe binnenlanden verbetering te brengen en de menschen,
die her- en derwaarts verspreid woonden, op hooge bergtoppen soms,
tengevolge van de in zwang zijnde sneltochten, te bewegen zich in meer
bewoonbare oorden te vestigen. Lange, lange tijden waren ze aan hun
lot overgelaten geweest, vrijelijk doende wat hun lustte en zich in
het geheel niet bekommerend om het europeesche gezag of het bestuur
van den sultan van Boeloengan, wiens onderdanen zij allen zijn. Het
intensievere bestuur is wel van zeer recenten datum, maar toch is
het bewonderenswaardig, wat beide bovengenoemde mannen in dien korten
tijd hebben tot stand gebracht onder zeer primitieve omstandigheden.
Nog zij vermeld de grensexpeditie in 1912 onder kapitein P. van
Genderen Stort, welke ten doel had de uitzetting in het terrein van
de grens tusschen nederlandsch gebied en het gouvernement Britsch
Noord-Borneo, over welken tocht een uitvoerig rapport is verschenen.
De dajaks uit deze gebieden behooren tot een geheel anderen stam dan
de reeds in de vorige hoofdstukken behandelde. We onderscheiden hier
twee groote groepen, wonend in de stroomgebieden van de twee groote
rivieren de Sesajap en de Sembakoeng en wel in de eerste de Poetoeks en
in de tweede de Tinggalans. Hoewel deze beide stammen met de vroeger
genoemde punten van overeenstemming hebben, verschillen ze van deze
in andere opzichten weer zooveel, dat een afzonderlijke beschrijving
van hun zeden en gewoonten gemotiveerd schijnt.
Hun talen verschillen onderling zeer, terwijl deze ieder op
zichzelf wederom vele dialecten tellen, ieder in zijn eigen
stroomgebied. Tusschen de eigenlijke dajaks van de binnenlanden en de
maleische kustbewoners in--Boegineezen, Makassaren e.a.--is een soort
mengvolk ontstaan, de Tidoengers, welke naam ontleend zou zijn aan
de toppen der heuvelen (tidoeng), waarop zij woonden om beschermd te
zijn tegen de snelwoede, die in vroeger dagen zoo sterk heerschte. De
handelaren, die de binnenlanden indrongen langs de hoofdrivieren,
wisten de Tinggalans, die zij daar aantroffen, te overreden, zich
meer aan den benedenloop der rivieren te gaan vestigen; hun dochters
trouwden met de handelaren en zijzelf gingen van lieverlede tot het
mohammedaansch geloof over. En zoo vestigden ze zich niet alleen
in de lager gelegen landen, maar zelfs op de eilanden voor de kust
en waren een tijdlang berucht wegens hun zeerooverijen--zelfs de
sultan van Boeloengan vreesde hen en moest zijn zetel verplaatsen
en zich vestigen te Tandjong Palas, waar hij thans nog zijn paleis
heeft--totdat hieraan paal en perk werd gesteld door de Solokkers,
bewoners van den ten noorden van Borneo gelegen Soeloe-archipel, met
wie een langdurige en hevige strijd ontstond. Velen werden als slaaf
medegevoerd en thans nog leven velen van hen onder de Tidoengers en
zijn geheel en al in deze bevolking opgegaan.
De naam tidoeng is overgedragen op het geheele gebied ten noorden
van het stroomgebied der Kajanrivier.
De Tinggalandajaks behooren tot een grooten stam van dien naam, welke
ook de binnenlanden van Britsch Noord-Borneo bewonen en daar meer
bekend zijn onder den naam "Murut". Gedurende een bespreking met een
engelsch bestuursambtenaar uit die gebieden mocht ik meerdere van die
menschen ontmoeten, die wat lichaamsbouw en gewoonten aangaat, geheel
met de onze overeenstemmen. Volgens de Tinggalans zelve hebben zij
steeds deze gebieden bewoond en zijn ze niet heen en weer getrokken,
opgejaagd door andere stammen, zooals we dat bij de Kenja's in zoo
sterke mate aantroffen.
De tegenwoordige bevolking van de Tidoengsche landen is zeer weinig
krachtig en energiek; er is wellicht in onzen archipel geen volk aan te
wijzen, dat zoo slap en gemakzuchtig is als juist deze menschen. Het
is trouwens een opmerkelijk verschijnsel in dajakland, dat daar, waar
de bevolking nog strijdlustig is en de snelwoede nog niet beteugeld,
deze ook het krachtigst is; daar zijn ze nog flinker gebouwd, daar
zijn ze nog volijverig in het bebouwen hunner ladangs. Elders zijn ze
daarvoor te lui en voeden ze zich met minderwaardige producten. Zeer
sterk treedt dit verschijnsel op in de benedenlanden van deze gebieden
(afb. 52).