vast; ieder hoofd kreeg een of meer rivieren om de inkomsten daarvan
te genieten. Het behoeft geen betoog, dat de Ma Alims met het grootste
gedeelte van den buit gingen strijken. Toch werden en worden de rechten
der anderen wel erkend, al heeft een en ander wel eens aanleiding
gegeven tot moeilijkheden. De tegenwoordige hoofden maken er nog
aanspraak op, zoo het tegenwoordige hoofd Djaloeng Ipoei alias Taman
Kahang--door het gouvernement aangesteld--op de Soengei Aran, waar
schitterende rotanbosschen voorkomen. Eigenlijk is hier geen sprake
van aloude rechten, daar de meesten als indringers van buiten moeten
beschouwd worden. Toch is het moeilijk dit dajakschen hoofden aan
het verstand te brengen en houden ze vast aan hun vermeende rechten.
We bevinden ons nog in het boschbivak op weg naar Ma Long Ong Takoeng;
daar we door de ondervinding van den vorigen dag wel vermoedden,
dat het volgende weggedeelte niet schitterend zou zijn, togen we al
vroeg op weg en werkelijk hadden we dan ook met vele moeilijkheden
te kampen, waarbij we over allerlei boomstammen moesten balanceeren
om daarna weer tot de knieën in het moeras te zinken. Halverwege
ongeveer kwam Sinjal, een Menadonees, de posthouder van Poedjoengan
en Lepo Maoet mij tegemoet. Van zijn bekendheid met het terrein
maakte ik gaarne gebruik en nadat we daarna de hevig bandjirrende
Poedjoenganrivier in de gereed gehouden prauwen waren overgestoken,
bereikten we eindelijk na nog een flinke klauterpartij de kampong. De
landtocht van Tagaharoek Soeën naar hier duurde juist 25 uur.
Daar tusschen mijn geleiders en de bewoners van Ma Long Ong Takoeng
nog oude snelveeten bestonden, durfden de eersten de kampong niet
binnengaan, alvorens ze toestemming van mij hadden om aldaar te
verzoenen, petotong of meliwa totong. Vooral Sawang Pajang was zeer
beangst, dat ze bij niet voldoen hieraan bloed zouden braken--een
herinnering aan de vroegere moorden tusschen hun vaderen--en dat de
zielen van de gestorven familieleden, die door de Ma Longers waren
gesneld, hen zouden verontrusten, verstoord als ze waren, dat ze voor
vroegere wandaden geen wraak namen.
In het huis van den radja aangekomen, nam een mijner geleiders een
piepkuiken en hield dit een brandend stuk hout boven het hoofd,
onder het aanroepen der geesten. Met verheffing van stem sprak hij:
Ieder, die deze verzoening verbreekt, zal het vergaan als dit kuiken,
zal spoedig sterven. Voortaan dus zal het pais en vrêe zijn tusschen
de mannen van Lepoe Tepoe, Ma Lisan en Ma Long.
Daarna werd het diertje den hals afgedraaid en het uitstroomende bloed
opgevangen op een bekkentje met rijst, dat op het haardvuur stond. Nu
kwamen de mannen van Ma Long naderbij, hun hand werd besmeerd met het
nog bloedende kuiken; ze namen eenige korrels van de met een weinig
bloed overgoten rijst en aten die op. Na de mannen kwamen de vrouwen en
kinderen naderbij en werden eveneens besmeerd. Dit alles geschiedde
door een man van Lepoe Tepoe. Thans nam een man van de Ma Longs
het bekken over en was het de beurt der Lepoe Tepoeërs om besmeurd
te worden, waarna de plechtigheid was afgeloopen. Om de verzoening
echter geheel volledig te doen zijn, zouden de Ma Longers naar Lepoe
Tepoe moeten gaan om daar hetzelfde te verrichten. Voorloopig moest
dit echter voldoende zijn.
Naast deze meer onschuldige wijze van vriendschap sluiten, kende men
vroeger de echte bloedvriendschap. Door een der oudere kampongbewoners
wordt uit een ongeveer 5 cM. dikke, jonge, nog groene bamboe een
tweetal bekertjes gesneden, die gedeeltelijk met water werden
gevuld. Met een tweetal scherpe bamboemesjes werd dan den beiden
personen in den rechter-bovenarm een schram toegebracht, tot men er
een weinig bloed kon uitpersen, dat zich aan het mesje hechtte. Het
mesje, waarmee A bewerkt was, werd daarop in den koker, die B in
handen gegeven werd, geplaatst en het water daarmee omgeroerd. Daarop
gingen beide personen naar buiten wijl men bij het drinken op den
grond moet staan en onder het luide aanroepen der geesten hield A
zijn bekertje op het hoofd van B, daarbij uitdrukkelijk verklarende,
hoe hij voor eeuwig voor zich en zijn nakomelingen door de banden
des bloeds verbonden was met C en diens kinderen en kindskinderen;
dat het koppensnellen tusschen hun afstammelingen gelijk zou staan aan
het dooden van elkaar, dus broedermoord; hoe de wederzijdsche families
elkaar zouden hebben bij te staan en in vrede en vriendschap als waren
zij broeders met elkaar zouden hebben te leven. De hoogere machten
waren getuigen van hun geloften en aan haar werd de bestraffing door
algeheele vernietiging van een eventueel meineedige opgedragen. Na
deze woorden gesproken te hebben, neemt A het bekertje van het
hoofd van B en drinkt ervan. Omgekeerd doet B hetzelfde bij A. De
twee bekers worden daarna aan den ouden ceremoniemeester, die ook
de mesjes vasthoudt, teruggegeven. Hij giet de vloeistoffen bij
elkaar en daarna over den grond. De bekers en mesjes worden daarop
tusschen de dakpannen en sparren van het huis opgeborgen. Voor elke
"twee broeders" worden nieuwe bekers en nieuwe mesjes gebruikt. Zoo
heeft controleur van Walchren in 1906 het bloed gedronken van het
Lepo Maoethoofd Taman Baja.
De ontvangst in de kampong was overigens niet heel vriendelijk,
hetgeen waarschijnlijk moet worden toegeschreven aan de ziekte van
het kind van den radja. Uit angst, dat het zou sterven, maakte men
gedurenden den geheelen nacht een helsch lawaai om te verhinderen
dat de ziel het lichaam zou verlaten.
Na eene aangename wandeling, bereikten we den volgenden dag de kampong
Ma Long Saän, waar eveneens eene verzoening plaats greep. De weg is
niet zwaar, voert langs vlak terrein, dat overal mooie kijkjes aanbiedt
en niet dicht begroeid is. Hier en daar zagen we de hevig bandjirrende
Poedjoenganrivier zich door het terrein slingeren. Voor sawahbouw zou
dit zich uitstekend leenen, daar van de omringende bergen een overvloed
van water wordt aangevoerd. Hier en daar ontwaarden we prachtige,
van groote hoogte neerstortende watervallen, een schilderachtigen
aanblik. Eénmaal voerde de weg ons onder een dergelijke storting
door; de weg was smal, één boomstam slechts, glad geworden door het
vallende water; kletsnat geworden liepen we zoo rustig mogelijk langs
dit gevaarlijke pad verder en diep onder ons zagen we het water in
den afgrond verdwijnen.
De kampongs zelve in Poedjoengan zien er vuil uit; alleen de
watervoorziening is bij andere gebieden vergeleken schitterend. Langs
lange bamboeleidingen wordt dit de kampong ingevoerd; meestal vindt
men twee of drie dergelijke pantjoerans in deze kampongs, waar de
vrouwen in bamboebuizen het water komen halen en waar tevens gebaad
wordt. Zelf ook kon ik na langen tijd weer eens daarvan gebruik maken;
de begeerte was te groot, dan dat ik mij liet afschrikken door de
dajaksche gemeente, die mij op korten afstand stond aan te gapen.
Overigens verschillen deze kampongs weinig van die in Apo Kajan; alleen
treft men hier aan den ingang der kampongs een soort overdekking
aan, waar men even kan verpoozen alvorens de kampong binnen te
gaan. Ook bevindt zich daarbij soms een badplaats, waar een bad wordt
genomen. Een dajak toch zal altijd zoo mogelijk zijn toilet in orde
maken voor hij binnen gaat. Ook in zijn eigen kampong doet hij dit
en daarbij is hij zeer op een bad gesteld. Het eigenaardige hier is,
dat in dit huisje steeds een doodkist gereed staat, welke bij een
plotseling sterfgeval dadelijk in gebruik kan worden genomen.
Mannen kleeden zich hier als in Apo Kajan; de vrouwen echter dragen een
ander soort sarong. Deze wordt zeer kort gedragen en reikt hoogstens
tot het midden van het bovenbeen. Daar het uit boomschors is gemaakt,
valt het niet erg elegant, al weet de dajaksche vrouw dit poovere en
eenige kleedingstuk met gratie te dragen.
Thans wachtte ons de tocht door het echte Poedjoenganland, het gebied
der Ma Alims, waar Lian Toeran eertijds heerschte. Dit is het land,
waar onder zijn aanvoering de Ma Alims slag leverden tegen de Ma
Longs, waarin de laatsten het onderspit dolven. Op de hooge, dit
terrein omringende, steile bergen, stonden de vrouwen den strijd aan
te zien, door teekens en geroep hun mannen aanvurend. Hierboven was
men veilig en zelfs de ladangs werden en worden thans nog daarboven
aangelegd. Zoo noodig ging men langs rotanladders naar beneden, in
tijden van overval werden deze gekapt en was alle verbinding verbroken.
In deze steile bergen, in den wand aangebracht, bevinden zich ook
de begraafplaatsen der vaderen, de "lobang batoe" der Ma Alims. Nog
thans geschiedt dit en vooral de orthodoxe adatmenschen hechten hieraan
groote waarde en al verhuizen ze ook ver van de aloude begraafplaatsen
hunner vaderen, zoo eenigszins mogelijk worden ze toch daar heen
gebracht na hun dood. We zagen reeds, dat Lian Toeran uit schaamte
tegenover zijn vaderen bij gebrek aan gesnelde koppen niet den moed
had, daar begraven te worden, al moet hem dit een vreeselijke straf
zijn geweest.
Daar Lian Toeran's huis bouwvallig was en vrijwel verlaten, nam
ik mijn intrek bij Djaloeng Ipoei, die--hoewel hij ernstig ziek
was--mij goed liet verzorgen. Het was mijne bedoeling ook in zijn
huis een vergadering te houden met alle Poedjoenganhoofden om hun
mede te deelen, hoe thans de zaken stonden en om den posthouder
te installeeren, een nieuw ambtenaar, tegen wiens aanstelling ze
eenige jaren geleden bezwaar maakten. Dit verzet ging voornamelijk
uit van Lian Toeran en diens zwager Amban Ingan, hoofd van Ma Lasan
Long Poedjoengan.
Hoewel alle hoofden opgeroepen waren, vermoedde ik wel, dat het eenige
dagen zou duren, voordat ze verzameld waren. Daar Djaloeng Ipoei het
voor zijn gasten gezellig wilde maken, en tevens de nieuwe vriendschap
wilde bezegelen, verzocht hij mijn toestemming met de Lepoe Tepoeërs
een djakanfeest te mogen houden. Zagen we hier vóór dat de Bahau van
de Mahakam geen gistende dranken dronk, dat de Kenja van Apo Kajan een
matig drinker is, die uit Poedjoengan is verzot op drank. Zelfs trof
ik in enkele kampongs een vrij groot huis aan, dat speciaal dient voor
het maken van djakan en het houden van drinkpartijen. Dronkenschap
komt dan ook bij deze lieden, evenals in de Tidoengsche landen,
meermalen voor. De menschen uit Apo Kajan houden er dan ook niet
van hen dronken te zien, daar ze dan dikwijls baldadig worden en
aanleiding geven tot allerlei moeilijkheden.
Den dag voor de vergadering liet Lian Toeran, die aan de Soengei Njelet
vertoefde, weten, dat hij wegens ziekte verhinderd was te komen;
daar ik tevens vernam, dat hij dit slechts deed om mij om den tuin
te leiden, liet ik hem weten, dat indien hij niet kwam, hij gehaald
zou worden. Deze bedreiging hielp en op den bepaalden dag waren alle
hoofden aanwezig, behalve de radja van Ma Lasan Long Poedjoengan,
die verhinderd was door de hevig bandjirrende Poedjoenganrivier; hij
toch was de eenige, die om Ma Alim te bereiken, deze stroomopwaarts
moest varen.
Nadat allen gezeten waren in een grooten kring rondom mij en Lian
Toeran en Djaloeng Ipoei naast mij hadden plaats genomen, deelde ik
hun mede, dat Poedjoengan voortaan meer direct zou worden bestuurd,
dat ze den nieuw aangestelden posthouder als plaatsvervanger van den
controleur van Boeloengan in deze gebieden hadden te beschouwen, hem
met raad en daad hadden bij te staan, terwijl ze, als ze moeilijkheden
hadden, deze bij hem moesten voorbrengen; dat rust en orde niet
verstoord mochten worden, zoodat ieder vrij kon uitgaan zonder door
iemand lastig gevallen te worden, dat snellen ten strengste verboden
werd; dat het Bestuur den dajak zou helpen tegen afpersingen van
maleiers en andere vreemdelingen, maar ook tegen die van hun eigen
hoofden, dat alleen adatinkomsten--poepoe bestaande uit 4 kati rijst
per jaar per pintoe of huisgezin--werden erkend, kortom dat een
toestand zou geschapen worden als in Apo Kajan.
Nadat ik hun dit alles breedsprakig, bloemrijk en verlucht met
voorbeelden uit het dagelijksch leven had voorgedragen en het
geheel nog breedsprakiger door mijn tolk was overgebracht, zweeg
de gemeente. Ook Lian Toeran, de starre adat-man, zweeg en toen
ik hem liet vragen, wat hij van dit alles dacht, beweerde hij mij
niet begrepen te hebben. De andere hoofden wisten wel beter, hun was
alles duidelijk, daar ze wel begrepen, dat deze regelingen voor hen
beteekenden vrijheid van druk van den ouden brandschatter en van alle
kanten beijverden ze zich hem inlichtingen te verstrekken, zoodat
hij ten slotte wel moest bekennen, dat het ook hem duidelijk was,
al was het hem aan te zien, dat het niet van harte ging.
Was de houding der hoofden in den beginne schuchter, bijna bang,
na deze uitvoerige uitleggingen kwamen ze meer los, zoodat
nu de besprekingen vlotter van stapel liepen. Een belangrijk
aandeel had hierin Djaloeng Ipoei. Tegenover den starren jonker
vertegenwoordigt hij den modernen dajak, die gaarne het bestuur
ter wille is, alle mogelijke hulp verleent en zijn zoon Boelan de
gouvernements inlandsche school te Tandjong Seilor doet bezoeken. Hij
was indertijd de rechterhand van assistent-resident Spaan en stond
bij dien ambtenaar in hoog aanzien. Hij was dan ook de eenige man,
die als algemeen hoofd in aanmerking kwam en is na den dood van Lian
Toeran als zoodanig aangesteld.
Het kan wellicht verwondering baren, dat niet de oudste zoon van
Lian Toeran werd verkozen; met de opvolging van vader op zoon wordt
het in deze gebieden echter niet zoo nauw genomen; vanouds werd hij
uit de vorstelijke familie radja, die het brutaalst was en zich het
krachtigst kon doen gelden. Lian Toeran volgde zijn oom op, deze zijn
broer Asang Ipoei; zelfs kan men dus zeggen, dat het geen gewoonte is.
Van Ma Alim uit is de Soengei Poedjoengan langs een goed pad
gemakkelijk te bereiken, waar men juist boven de kiham Pajang,
(afb. 24) een zware, moeilijk over te trekken versnelling met groot
verval aantreft. Langs een rotanhangbrug van veertig meter ongeveer
begeeft men zich naar de overzijde van de rivier en vervolgens langs
den oever tot aan het benedeneinde van de versnelling. Terwijl we
daar rustig stonden te wachten, zagen we plotseling eenige blikken op
het water naar beneden drijven, hetgeen niet veel goeds voorspelde
en dan ook later het gevolg bleek van het omslaan van een mijner
prauwen. Gelukkig wisten de handige dajaks nog wat drijvende blikken
te achterhalen, maar de prauw was geheel stukgeslagen en reddeloos
verloren.
Na nog een kort bezoek aan Poea gebracht te hebben, zakten we af naar
Ma Lasan Long Poedjoengan, waar men aan de overzijde van de Bahau
ladangs had aangelegd, die schitterend gedijden. Blijkbaar had men
succes gehad met den planttijdaanwijzer, een met eenig ceremonieel
ingeplant stuk bamboe, dat een schaduw van bepaalde afmetingen en
richting heeft aan te wijzen. Is dit oogenblik gekomen, dan begint
men de rijst uit te planten.
Bij aankomst in de kampong verkeerde de vorstenfamilie in rouw vanwege
het sterven van een der kleinkinderen van het hoofd, zoodat ook de
ontvangst zonder ceremonieel plaats vond. De geheele familie had
zich in een nieuw boomschors kleed gestoken, zoowel de mannen als de
vrouwen; een kleed bestaande uit lenden- en hoofdbedekking, terwijl
de vorst nog een laagafhangenden band om den hals droeg; alles van
ruwe stof gemaakt. Deze kleederen moeten zoo lang gedragen worden,
totdat ze den dragers als het ware van het lijf vallen; daarmede
eindigt dan tevens de rouwtijd (afb. 43).
We bevonden ons thans--stroomafwaarts--niet verder dan ruim
drie dagen verwijderd van onze standplaats, van ons gezin. Het is
wellicht begrijpelijk, dat na een tocht van vier maanden ons de lust
bekroop naar huis terug te keeren, maar aan den anderen kant was het
aanlokkelijk nog een bezoek te brengen aan een vrijwel onbekend gebied,
als de Lepo Maoet en zoo vingen we dan met nieuwe roeiers weer een
moeizamen tocht aan, de Bahau opwaarts.
Onmiddellijk na het vertrek uit de kampong Ma Lasan, bereikt men
de Bahau, die hier ongeveer even breed is als de Poedjoengan en
aanvankelijk geen moeilijkheden in het varen oplevert. Dadelijk echter
na de soengei Lorah begint de eerste reeks stroomversnellingen,
die we echter zonder moeilijkheden passeerden. Na de tweede, de
Lesoeng, bereikten we de plaats, waar dr. Tehupeiory indertijd
een prauw verloor, doordat de rotan brak. Ook de tweede kihamserie
passeerden we met succes, hetgeen bij dezen gunstigen waterstand
begrijpelijk was. De rivier vertoont bijna overal dezelfde teekening,
eenige afwisseling brachten slechts de schoon gekleurde ijsvogels
(temenggang asa). Oude, dikke boomstronken staken over de rivier,
als evenzoovele hydrae lernae, die voor de opvaart beter er niet
waren geweest; bovendien waren de oevers bezaaid met op het punt van
vallen staande doode boomen--een gevolg van het droge jaar 1914--die
een niet gering gevaar opleverden voor onze prauwen. Gelukkig werd
slechts één onzer prauwen aan de achterzijde daardoor verbrijzeld,
zoodat we nog van geluk konden spreken.
De kampong Lepo Maoet ligt op een hoogen, steilen oever aan de
linkerzijde van de Bahau. Het geheel ziet er vuil uit, alleen het
huis van den gastvrijen Toebang Djaloeng of Taman Soelau ziet er
behoorlijk uit en is nieuw gebouwd. De awa is geheel versierd met
kenjasche motieven met een prachtig bewerkte deur; ook de wanden van
de lamin zijn geheel versierd, iets wat ik nergens anders aantrof. De
vorst ontving me met zijn zoon Oesat Djaloeng, een man van middelbaren
leeftijd; de oude heer had er slag van europeanen te ontvangen, hetgeen
me later begrijpelijk werd, toen ik vernam, dat hij indertijd drie jaar
dwangarbeid had ondergaan wegens eene snelpartij; zelfs was hij als
zoodanig op Java en Nieuw-Guinee geweest en was dus een bereisd man.
We noemden Taman Soelau oud; den juisten leeftijd echter weet een
dajak nooit op te geven, om de eenvoudige reden, dat hij daarmede
geen rekening houdt. Toch kan dit met mannen van zijn leeftijd vrij
nauwkeurig bepaald worden, omdat men dan slechts heeft te vragen,
hoe oud hij ongeveer was bij de uitbarsting der Krakatau, die alle
oudere menschen in Oost-Borneo zich nog herinneren. Daar Taman Soelau
aangaf, dat hij toen ongeveer 20 jaar was--hij wees op iemand van
dien leeftijd--kon ik daaruit opmaken, dat hij nu ongeveer 60 jaar
moest tellen.
Ook hier moest nog eene verzoening plaats vinden, aangezien onder
mijn roeiers zich eenige Ma Alims bevonden. Nog steeds bleek de
vrees voor deze lieden zeer groot te zijn en zij waagden het niet
meer benedenstrooms zich te vestigen, omdat Lian Toeran het verbood,
aangezien dit zijn velden en jachtterreinen waren. Aan vrees voor
Hebans leed men hier niet, omdat ze nooit zoo aan vexaties hebben
blootgestaan als de menschen in het boven Mahakamgebied, daar de
stammen in Noord Serawak zachtzinniger van aard schijnen te zijn.
Een specialiteit van het Lepo Maoetgebied is de toedan of rondedans met
zang voor jonge meisjes; dit geschiedt alleen bij maanlicht. Daartoe
vormen op een open plek een 10 of 12, of hoeveel meisjes mee willen
doen, een kring, en loopen in cadans, elkaar bij de hand houdend en de
armen rhythmisch op de maat van den zang opheffend en neerzwaaiend,
in het rond. Een hunner bezingt daarbij in korte strofen den een
of anderen nationalen held, terwijl de anderen daarbij het refrein
meezingen. Behalve echter de dooden, worden ook de levenden bezongen
en hun deugden opgesomd, zooals de hoofden of den een of ander, die op
snel- of handelstocht zich zeer verdienstelijk heeft gemaakt. Tijdens
het dansen der meisjes zitten de jongelui in de voorgalerij of buiten
om haar heen te luisteren, de zangeres aanmoedigend met hun uitroepen
of door het meezingen van het refrein.
Het slot is, dat na afloop van de toedan de jongelui zich ieder uit
deze meisjes degene kiest, die hem het meest bekoort en haar met zich
voert naar een der z.g. vrijhuisjes: loemboeng of oema kalò geheeten,
kleine vierkante huisjes op ongeveer vier meter hooge palen, alwaar
de minnende paartjes den nacht doorbrengen, een z.g. "Probe-ehe",
waarna bijna steeds een huwelijk volgt. Wordt het meisje echter
zwanger, zonder dat de jonge man haar huwt, dan wordt ze aan schande
prijsgegeven. In de kampong mag ze niet baren, maar geheel aan zichzelf
overgelaten, doet ze dit in het bosch. Komt ze later terug, dan is
haar verblijf voorloopig bij de zwijnen onder het huis, terwijl ieder
in de kampong haar mag bespuwen als afschrikwekkend voorbeeld.
Over het algemeen vindt men in Poedjoengan en Lepo Maoet zwakkere
menschen dan in Apo Kajan. Komen hier sterke, forsche figuren voor,
ginds zijn ze zeldzamer. Vooral de vrouwen en kinderen maken een
pooveren indruk; de vrouwen bloedarmoedig, flets en met sombere
trekken, de kinderen mager, spichtig en ondervoed. De malaria, die
hier en daar vrij veelvuldig schijnt voort te komen, zal hieraan wel
schuld hebben. Ook de vuilheid treedt hier meer op den voorgrond,
zoodat het niet te verwonderen valt, dat de dajak in dit milieu geen
gunstigen indruk maakt.
Eene eigenaardige verschijning hier was een vrouw-man; man zijnde, was
hij geheel gekleed in vrouwenkleeren. Met vrouwen laat hij zich niet
in, maar tracht alleen zich bij mannen in te dringen; zijn stem was
als van een vrouw en hij vroeg ook om naalden en niet om voorwerpen,
die mannen gewoonlijk plegen te vragen. Het is het eenige wezen van
dien aard, dat ik onder de dajaks zag, hoewel er meerderen schijnen
voor te komen, ook elders in den archipel.
Gesnelde koppen komen in Poedjoengan en Lepo Maoet niet in grooten
getale meer voor. Toen in 1910 onder leiding van Lian Toeran
16 maleiers vermoord waren, zijn bij wijze van straf alle koppen
weggenomen; er zijn er toen vele vernietigd, enkele slechts zijn er
overgebleven; Taman Soelau heeft er in zijn voorgalerij slechts drie
over, aan één daarvan was een kuikentje op een houten pen gehecht,
hetwelk diende tot voedsel van den gesnelden schedel; bosjes bladeren
dienen tot gezelschap daarvan.
Aan tatoeëeringen doet men in deze gebieden weinig; wel is het soms
gewoonte, dat jongelui de modellen der Ma Koelits overnemen: dat
staat chique!
Daar het in de bedoeling lag ook te Lepo Maoet een vergadering met de
hoofden te houden evenals in Poedjoengan, was het wel gewenscht eerst
kennis te maken met hun omstandigheden ter plaatse, zoodat een bezoek
aan de Lepo Kèhs en Liboens, vervolgens aan de primitieve Sabans op
het programma stond.
De Liboens--ook wel Njiboengs genoemd--zijn wel de krachtigste stam
daar. Oesat Biloeng is de zoon van Biloeng Erang, die het indertijd
waagde Lian Toeran te dwarsboomen en den fieren nek niet voor hem boog,
al moest hij de wijk nemen. Ongeveer 50 jaar geleden woonden ze nog
aan de Soengei Lorah, vlak bij Poedjoengan, werden verdreven naar hun
tegenwoordig gebied en zijn van daar uit zelfs nog naar de boven Toeboe
in de Tidoengsche landen moeten uitwijken; na korten tijd keerden ze
echter weer terug en thans zelfs nebben ze wel neiging naar de Bahau te
verhuizen, nu de straffe hand van Lian Toeran niet meer te voelen is.
De beide Liboenkampongs Long Sibau en Long Lemoeten met het hoofd Apoei
Biloeng, die slechts op een uur afstand van elkaar verwijderd liggen,
zien er vuil en slordig uit; vooral de eerste, vlak bij een moeras
gelegen, maakt een ongunstigen indruk, terwijl het met Long Lemoeten
in zooverre gunstiger gesteld is, dat het boven op een berg ligt, van
waar uit men een schitterend overzicht verkrijgt over het omliggend
terrein. De Liboens hebben veel aanraking met het engelsche gebied,
voornamelijk Telang Oesan; vandaar zijn ook afkomstig de geiten en
karbouwen, die we in de kampong aantroffen, en die men elders--behalve
bij de Sabans--niet aantreft; in acht dagen kan men over land Telang
Oesan bereiken en het is dus niet te verwonderen, dat ze daar heen
gaan en niet naar de beneden Kajan, vooral vroeger, toen ze onderweg
nog verontrust werden, terwijl ze bovendien geheel onbedreven zijn in
het bevaren van versnellingen. Bij mijn verblijf trof ik verschillende
lieden uit Telang Oesan aan, die kwamen om handel te drijven.
De stambenaming der dajaks wordt dikwijls ontleend aan de rivier,
waaraan ze wonen of aan typische planten of houtsoorten, die in
de buurt worden aangetroffen. Zoo beteekent liboen een veelpittige
djamboesoort, maälim een soort gras, malaran, een stam aan de beneden
Boeloenganrivier, een soort hout, kèh een gekeept stuk hout zooals
door de voorvaderen--thans trouwens nog--werd gemaakt, indapa ook
een soort hout en dergelijke meer.