veel moeite bereikten we dan ook na een paar uur Ma Lisan, een vuil
uitziende kampong. Daar het water echter te veel gevaar opleverde,
besloten we toch maar hier te blijven. Den volgenden dag was het
water wel vrij wat gezakt, maar toch bandjirde het nog flink. We
zouden dus dezen dag slechts varen tot de Soengei Pasah, aan den
voet van de versnellingen, als eerste de kiham Nawang. Hoewel het
dien nacht niet regende, bleek de rivier den volgenden morgen toch
gestegen te zijn. We hadden er echter niet veel zin in om op die
eenzame plaats te blijven liggen, zoodat het hoofd mij aanried de
goederen alvast boven de versnellingen te brengen en dan te trachten
met de ledige prauwen naar boven te gaan. Dit voorstel werd natuurlijk
met beide handen aangenomen. Dien dag konden we echter niet meer
klaar komen met het overbrengen der goederen, zoodat ik eerst den
volgenden dag met de rest daarvan zou komen, welke wandeling twee
uur duurde. Hadden we met den tocht voorloopig niet veel succes en
vorderden we niet vlug, eenige afwisseling gaf de jacht. Het was
een vroolijk gezicht al deze met speren gewapende dajaks te zien
met de daartusschen lustig heen en weer springende honden, van welke
enkele in het terrein zich bevonden. Plotseling werd door de dieren
een of ander stuk wild, varken of hert, gesignaleerd. Onmiddellijk
werden de goederen neergeworpen en verdwenen mijn dragers als een
pijl uit den boog in de aangegeven richting het bosch in, mij alleen
achterlatend. Daar het strijdperk echter niet ver verwijderd scheen,
liep ik ook door in de aangegeven richting en was ik zoodoende getuige
van een schitterend jachttafreel. Een schoon hert, opgejaagd eerst,
werd later tot stilstaan gebracht door de wilde honden, die geheel
buiten zich zelve waren, een lansstoot echter miste, van welke
gelegenheid het edele dier gebruik maakte om te ontvluchten en zijn
leven te redden, een klein riviertje overzwemmend.
Hadden we dus niet veel succes, onze achterhoede was later op den
dag voorspoediger en bemachtigde een hert en een zwijn, zoodat 's
avonds allen vergenoegd bivakkeerden, vroolijk tot in den nacht de
gebeurtenissen van de laatste dagen bezingend. Toen ik onder dit gewoel
door vroolijk een liedje begon te fluiten, verzocht een der ouderen
mij vriendelijk, maar ernstig, dit na te laten, wijl ik daarmede de
geesten, bali, opriep. Men was hoogelijk bevreesd daarvoor, zoodat
ik er dan ook dadelijk mee ophield, daar ik de goede stemming niet
wilde bederven.
Een aangename afwisseling bracht verder nog het bezoek van 4 Poenan
dajaks, die op weg waren naar Lepoe Tepoe om tabak te halen. Deze
Poenans zijn echte zwervers; geen maand om zoo te zeggen wonen ze
op dezelfde plaats. Zij werden voor mij gebracht, zeer beangst en
verlegen; ze durfden mij eerst niet aanzien, gingen gehurkt met
den rug naar mij toe zitten en lieten al gauw vragen of ze weer
weg mochten gaan. Ik stelde er echter prijs op nader met hen kennis
te maken, daar zij tot den stam der Poenan Boesang behoorden, over
wie mij het hoofd van Lepoe Tepoe had gesproken en wier kampong wij
zouden trachten te bezoeken. Om hen gerust te stellen, gaf ik hun
dus wat rijst en zout en deelde tevens mede, dat ik hun kampong zou
bezoeken. De Poenans spreken een eigen taaltje, al verstaan ze ook een
weinig Kenjasch. Sterk dragen ze de kenteekenen van hun woudleven, een
fletse kleur en een intensieve vervuiling: ze hadden veel ringworm,
welke stukgekrabd, verzweringen veroorzaakte; mijn roeiers maakten
bij hen vergeleken een zeer geciviliseerden indruk. Wel droegen de
Poenans schoone tatoueeringen, vooral op de dijen.
Ten gevolge van aanhoudenden regen gedurende den nacht, bleek het water
den volgenden morgen heel wat gestegen te zijn. Ook den volgenden dag
bleef dit zoo, zoodat we er reeds over dachten--de rivier had volgens
mededeelingen reeds eenige weken aldoor gebandjird--over land verder
te gaan, daar het eindpunt van onzen prauwentocht--de Tagaharoek
Soeën--naar schatting niet meer dan 10 à 15 K.M. verwijderd was
en wij er niet veel voor gevoelden hier meerdere dagen opgesloten
te zitten, al ontveinsden we ons niet, dat de landtocht zeer vele
moeilijkheden zou veroorzaken. Gelukkig was dit echter niet noodig,
want den volgenden morgen was het water flink zakkende en al was
het verre van mooi, we konden het toch wel wagen. We voeren tot 's
middags 3 uur door, toen een geweldige regenbui ons overviel, juist
op een behoorlijke bivakplaats, Tepoeroeng Ledjau. De rivier blijft
hier voortdurend vrij breed en hoewel de radja van Lepoe Tepoe--hij
vergezelde ons op onzen tocht--had medegedeeld, dat we vóór Soeën zes
kihams hadden te passeeren, waren we er 's middags al drie voorbij,
voordat we het wisten. Ongewoon als hij was met europeanen om te
gaan, was hij overdreven bang, dat mij iets zou overkomen, Daar
komt bij, dat de Iwanmenschen geen echte kihamvaarders zijn. Er
wordt wel eens gedacht, dat alle dajaks geschikt zijn als roeiers;
niets is minder waar dan dat; men heeft wel degelijk uit bepaalde
stammen te kiezen. Deze menschen durfde ik dan ook niet verder mede
te nemen dan Poedjoengan; voor de Bahau op weg naar Lepo Maoet waren
ze beslist ongeschikt.
Onder een kouden, dikken mist verlieten we den volgenden morgen
vroeg ons bivak; men zou een oogenblik gezworen hebben in Holland te
vertoeven; dit is steeds echter van korten duur en een dergelijke
koude is meestal de voorbode van een snikheeten dag. We kregen al
spoedig een paar naha's (grintbanken) te passeeren, welke echter geen
moeilijkheden veroorzaakten. De Iwan is eigenlijk vrij van kihams;
hierna werd de waterspiegel zóó effen en gelijkmatig, dat men zich
aan de monding van de Kajan gewaand zou hebben, tot welk begrip ook
bijdroegen de dichtbegroeide, modderige oevers, waar overheen dikke
boomstammen met hun kruinen wuifden. Rustig lieten we ons dan ook
wederom voortwiegelen, beschermd door het bladerendak. Eén oogenblik
schrokken wij op, toen vlak bij onze prauw een bijawak, door niemand
gezien, zich, op het hooren van onze roeiriemen plotseling opgeschrikt,
van af een hoogen boom met een forschen plons in het water wierp.
's Avonds hadden we geen aangenaam bivak, vochtig, dichtbegroeid,
moeilijk te bereiken, terwijl we door millioenen aga's werden geplaagd,
Toch was de doodsche stilte van het bosch, fantastisch door de maan
beschenen, indrukwekkend. Alleen krekels met hun snerpend geluid,
die steeds het uur van den naderenden avond aankondigen, brachten
afwisseling hierin. Rustig gingen we slapen, in de hoop morgen de
Tagaharoek Soeën te bereiken, hetgeen inderdaad den volgenden dag ook
gelukte. De Soeën is een klein, onbevaarbaar riviertje, dat zich bij
het punt van ons bivak stort in de Iwan, die met een rechten hoek zich
verder links ombuigt. Het lag in mijn bedoeling reeds den volgenden
morgen dragers vooruit te zenden met een gedeelte mijner goederen,
die tevens een rintisan (boschpad) zouden maken, daar de weg zelden
begaan werd en zich dus vele hindernissen zouden voordoen. Terwijl
zij daarmede bezig waren, had ik een schoone gelegenheid een bezoek
te brengen aan de Poenans, die een weinig den Iwan stroomopwaarts,
in het bosch woonden. Toen ik dan ook 's morgens mijn goederen had
verdeeld, begaf ik mij per prauw met den radja van Lepoe Tepoe,
vier roeiers en een tolk op weg naar de lepau der Poenan Boesang.
Hoewel deze onder bedoelden vorst ressorteeren, wist hij niet, waar
ze zich toen ophielden. Het was reeds maanden geleden, dat hij ze
voor het laatst bezocht. Reeds na enkele minuten verlieten we de Iwan
om de zijrivier Kian op te varen. Een uur ongeveer moesten we in de
prauwen zitten, toen we ons aan wal begaven. Het pad was verre van
mooi en meerdere malen moesten we door het water waden. Na korten tijd
bereikten we de plaats, waar de radja dacht, dat zijn onderhoorigen
zaten; maar alles was verlaten. Meest verhuizen ze eens in de maand;
bij sterfgeval of ernstige ziekte in de kampong is verhuizen zelfs
verplichtend en ze bleken later zeer verwonderd te zijn, dat hollanders
en maleiers dat niet doen.
Ook een tweede plaats vonden we geheel leeg, maar eindelijk werd
onze moeite beloond en vonden we na 1 1/2 uur--steeds hun spoor
volgend--de lepau Poenan. Zeer moeilijk was deze te benaderen; niet
alleen was de omtrek van het dorp over een afstand van 50 M. ongeveer
versperd met omgevallen boomen, maar bovendien met een dichte heg,
slechts hier en daar voorzien van enkele lage en smalle poortjes,
waardoor ik mij op handen en voeten slechts met de grootste moeite
kon heenwerken. De Poenans--vooral in afgelegen streken--zijn zeer
bang en deze versperringen dienen om de menschen 's nachts tegen
overvallen te waarschuwen; een gedeelte van hen brengt den nacht
altijd wakende door om onmiddellijk gereed te zijn. Bij het minste
geritsel gaan ze op onderzoek uit of wapenen ze zich. Het moet
trouwens heel lastig zijn ongemerkt binnen te komen, daar de dorre
bladeren veel geraas veroorzaken. Heeft men zich met moeite door een
dezer poortjes heengewerkt, dan bevindt men zich voor een gewirwar
van hutjes, zonder eenig systeem gebouwd, zoodat het de grootste
moeite kost van de eene hut in de andere te komen. Zoo'n huisje
bestaat uit twee stijlen--nauwelijks manshoogte--met een dak, dat
aan de andere zijde op den grond rust. De bedekking bestaat slechts
uit droge bladeren. In deze kleine ruimte--de wanden zijn ongeveer
twee meter breed--woont de geheele familie kris en kras door elkaar;
hier slaapt men, hier kookt men, hier baart de vrouw haar kinderen.
Mijn komst verwekte--zooals te begrijpen--heel wat opschudding. De
4 Poenans, die ik vroeger ontmoette, waren nog niet thuis, zoodat ze
van mijn komst niets hadden afgeweten. Dadelijk werd ik naar het huis
van den vorst, Lidjong, geleid, die niet thuis was, maar mij later
in mijn bivak een bezoek kwam brengen. Zijn huis onderscheidde zich
in niets van dat der anderen en zonder aanwijzing zou dit niet te
vinden zijn geweest.
Evenals velen zijner stamgenooten, maakt Lidjong een gunstigen
indruk. Vele jonge vrouwen hebben, ook volgens onze begrippen,
mooigevormde gelaatstrekken. Eigenaardig is, dat vele Poenans een
beslist chineesch type vertoonen, hetgeen ze met andere dajakstammen,
vooral Kenja's, gemeen hebben; mijns inziens treedt dit echter het
meest op den voorgrond bij de primitieve stammen, zooals Poenans
en Sabans.
Naar hetgeen we van hun huizen gezien hebben, behoeft het wel
geen betoog, dat deze lieden ook overigens eenvoudig leven;
als lichaamsbedekking gebruiken ze een boomschors lendenschort,
terwijl ze zich slechts voeden met wat sago en wat verder de jacht
en vischvangst opleveren.
Ze maken een eenigszins schuwen en verlegen indruk en het bosch- en
nomadenleven is hun sterk aan te zien. Ze zien er over het algemeen
vuil en bleek uit, deels tengevolge van hun leven in de bosschen,
deels misschien tengevolge van bloedarmoede. Dajaks in het algemeen
en Poenans in het bijzonder hebben een vrij blanke kleur, hetgeen
vooral bij zeer jonge kinderen het geval is.
Over het algemeen vertoonen ze sombere trekken, getuigend van armoede
en ontbering; op mijn vraag of ze niet liever in een kampong woonden
als de andere dajaks, antwoordden ze ontkennend; ze waren dit nu
eenmaal gewend; toch is het een droevig bestaan, al was ik gelukkig,
dat ik door eenige kleine geschenken een glimlach op hun gelaat kon
tooveren en eenige oogenblikken van blijdschap kon bereiden.
Een eigenaardige verschijning in de kampong was een jong meisje met
rood haar, terwijl haar ouders, die ik ook ontmoette, beiden zwart
van haar waren. Nergens anders trof ik dit aan.
De tatoueeringen van de Poenans zijn schoon en sierlijk; vooral die
op het dijbeen aangebracht, vertoonen fraaie krullen, die werkelijk
kunstig zijn. Ook kleinere versieringen zijn aangebracht op bovenarm,
borst en hals; bij de vrouwen voornamelijk op den arm, een breede
band om den pols en smallere banden tot den elleboog reikend.
De Poenans leven slechts in kleine troepen bijeen en men zegt, dat
zij aan het uitsterven zijn. Zij maken zich verdienstelijk, behalve
door het leveren van bosch- en jachtproducten door het maken van
matten en het dresseeren van honden. Wegens hun bekendheid met de
bosschen zijn zij echter bovenal bruikbaar als gidsen en geen troep
dajaks gaat op sneltocht of bij hen bevinden zich eenige Poenans. Zij
kunnen ook het beste met de blaaspijp omgaan, een kunst, die bij de
landbouwende stammen bijna geheel is verloren gegaan.
Nadat het onderhoofd mij uitgenoodigd had den nacht in zijn kampong
door te brengen, waarvoor ik echter moest bedanken en nadat hij
zijn verontschuldigingen had aangeboden, dat hij mij niets anders
kon aanbieden dan wat sago en eenige vogelveeren, welke ik gaarne
aannam, vingen we den terugtocht weder aan, daar we den volgenden
dag de voetreis zouden aanvangen om dan na eenige dagen Poedjoengan
te bereiken.
Het eerste punt, waar we bivak maakten, heet Sawah. Dit weggedeelte
vordert 4 uur loopens en is niet zwaar. Eén gedeelte is vrij lastig,
n.l. daar, waar men zich boven een afgrond op de helling van een
berg korten tijd langs een smal paadje heeft te bewegen, waar de voet
nauwelijks kan staan. Mijn reisjongen verloor hier bijna het leven,
doordat het pad gedeeltelijk in den afgrond verdween; gelukkig wist
hij zich aan de wortels van een boom te redden: hij had anders een
wissen dood in den onder ons bruisenden waterval gevonden. De Soeën
passeert men ettelijke malen, waarbij we bij den toenmaligen waterstand
meermalen tot aan de knieën door het water gingen. Ten slotte komt
men aan de Soengei Oebi, in welks bedding men nog ongeveer een uur
voortwandelt om daarna Sawah te bereiken. Erg gerust voelden de dajaks
zich in deze eenzame gebieden niet en meermalen wezen ze punten aan,
waar dajaks waren gesneld door de moordlustige Hebans.
Het volgende traject bracht ons bij de monding van de
Bakoengrivier. Dit gedeelte was veel zwaarder met veel grooter
terreinverheffingen en vorderde bijna 6 uur; gelukkig echter konden
we grootendeels dalen; van Poedjoengan uit echter moet deze tocht
vrij zwaar zijn. We kwamen langs enkele verlaten Poenanvestigingen en
vindplaatsen van zout. In deze verafgelegen gebieden zoekt de mensch
zelf zijn zout; in ronde stangen aangemaakt, vies en vuil, ter lengte
van een halven meter ongeveer, wordt het voor gebruik gereed gemaakt.
Zoo naderden we reeds Poedjoengan, het gebied van den beruchten
moordenaar Lian Toeran. Erg gerust voelden de Lepoe Tepoeërs zich
niet; hun vrees voor de Ma Alims kwam opnieuw boven, te meer daar
ze eigenlijk nooit officieel met dezen stam zich hadden verzoend. Ze
vroegen mij daarom, alvorens verder te gaan, eene adats-plechtigheid te
mogen verrichten; vooral de ouderen onder hen drongen er op aan, daar
hun zonder deze plechtigheid zeker rampen zouden overkomen. Gaarne
stemde ik er dus in toe. Ieder der aanwezigen plantte in den
grond een stok, aan welks uiteinde allerlei krulversieringen waren
aangebracht. Onder het aanroepen van de geesten werden eenige formules
uitgesproken, waarbij de hoop werd geuit, dat hun geen moeilijkheden
in den weg zouden staan en dat de toean Long Kajan hun behulpzaam zou
zijn bij het tot stand brengen van een vriendschappelijke verhouding
tusschen hen en de Ma Alims. Heel plechtig ging het overigens niet toe,
en toen mijn jongen, blijkbaar uit dankbaarheid voor zijne redding,
na afloop ook een stammetje inplantte en eenige onverstaanbare woorden
mompelde, verwekte dit groote hilariteit.
Nadat we nog één dag te Long Bakoeng verbleven hadden, voor het
inwachten der resteerende goederen en tevens om de verschillende
natte kleederen en andere voorwerpen te drogen, terwijl bovendien
de radja van Lepoe Tepoe ziek was en velen voetenverzorging noodig
hadden door verwondingen en patjetbeeten (bloedzuigers), trokken we
den volgenden dag verder, staken een zijtak der Poedjoenganrivier
over, hetgeen zonder prauwen kon geschieden, en gingen ongeveer 2
uur voorbij deze rivier in bivak.
's Nachts kregen we een regenbui, die den geheelen nacht
aanhield. Een plotselinge geweldige donderbui bracht het
geheele kamp in beroering. Als één man vlogen allen op van
hun slaapplaatsen, gewapend met schild en mandau, een geweldig
strijdgehuil aanheffend. Door het bivakvuur verlicht, gaf dit een
fantastisch schouwspel. Vermoedelijk waren ze in de veronderstelling,
dat een troep Hebans ons had overvallen of dat de Ma Alims wederom
hun moordlust wilden botvieren. Toen ze echter zagen, dat er niets
bijzonders gebeurd was, kwamen ze spoedig tot rust.
Zoo eindigde de 31ste December 1917! Het was wel een bijzondere
oudejaarsavond.....
IN POEDJOENGAN EN LEPO MAOET.
Neen, ik geloof niet dat het in Oost-Borneo ergens typischer is dan
hier in Poedjoengan. Zagen we reeds, dat Apo Kajan verschilde van
het boven Mahakamgebied, veel onderscheid was er ten slotte niet,
doordat beide gebieden veel gemeen en iets eentonigs hebben door de
gelijkmatigheid. Ook met Poedjoengan en in nog sterker mate het Lepo
Maoetgebied--de naam Vuilland zegt reeds genoeg--zou dit het geval
zijn, als niet alles hier ècht was, wild, ruw, schots en scheef
dooreengeworpen. Hier gevoelt men zich te bevinden in gebieden,
waar de snellers zich thuis moeten gevoelen; hier hooge, steile
bergen met prachtige schuilplaatsen om vandaar uit op sluwe wijze de
giftige pijltjes te kunnen richten, door niemand gezien, door niemand
gestraft. Hier kon men dagen en dagen rondzwerven, zonder dat iemand
het wist; hier moest de bakermat liggen van iemand, die door ruw
optreden alom angst en vreeze moest verwekken en het geheele gebied
zou beheerschen tot in de uiterste schuilhoeken. Angstig trok de dajak
zich terug in zijn ongenaakbare schuilplaatsen, allen verspreid, zonder
verband en door angst alleen reeds machteloos. Hier zou Lian Toeran nog
jaren lang hebben kunnen heerschen, ware niet de Kompenie tusschenbeide
gekomen, Lian Toeran, dien men zelfs nog in Apo Kajan vreesde tot
voor korten tijd en dien men in Lepo Maoet thans nog vreest.
Waren niet vele Kenja's, uit vrees voor hem naar Apo Kajan
uitgeweken? Waren niet verschillende Lepo Maoethoofden gevlucht naar
het boven Mentarang gebied in de Tidoengsche landen, zoodat ten slotte
een dunne bevolking overbleef?
Was hij het niet, die alles te vuur en te zwaard vernietigde bij den
minsten tegenstand? Brandde hij niet de kampong van het tegenwoordige
Lepo Maoethoofd Oesat Biloeng, Njiboeng, tot driemalen af? En roofde
hij niet de schoonste vrouwen om die tot slavinnen te maken en de
sterkste mannen tot slaven, omdat het Njiboenghoofd den fieren nek
niet voor hem wilde buigen? Doolde hij ook in andere streken niet rond
als een moderne Maarten van Rossum, zoo iemand het waagde zich tegen
hem te verzetten en niet toegaf aan zijn afpersingen? Zoo ergens,
dan is het hier bewaarheid, dat de brutale onder de dajaks heel
dajakland regeert. De edelman, die werkelijk een persoonlijkheid is,
kan zeker zijn van macht en grooten aanhang, ook al is hij niet altijd
de oudste zoon van den vorigen vorst. Die kunst verstond Lian Toeran
en heeft die te zijnen nutte aangewend.
Thans echter is dit alles voorbij. Kort nadat ik hem den laatsten keer
ontmoette, is hij gestorven, nadat hij zich reeds gedurende korten tijd
op zijn velden had teruggetrokken en zich niet veel meer met de zaken
bemoeide. Mokkend tegen het gouvernement--inmenging in zijn zaken was
hem een gruwel--is hij in stilte heengegaan, als zijn laatsten wil
te kennen gevend, dat hij niet in de aloude graven zijner vaderen,
de holen in de hooge bergen bij Ma Alim, begraven wilde worden. Oude,
bijgeloovige dajak als hij ten slotte was, durfde hij uit schaamte
niet bij zijn voorvaderen te komen, daar hij voorzag, dat het na zijn
dood de grootste moeite zou kosten eenige schedels voor hem machtig
te worden, die hem tot helpers in het Apo Kesio moesten dienen. Hij is
heengegaan en begraven in een eenvoudig graf niet ver van zijn velden
verwijderd, maar zeker met de opdracht aan zijn kinderen, hem naar de
aloude "lobang batoe", de holengraven dicht bij den hemel te brengen,
zoodra hij zonder schaamte zich bij zijn vaderen kon voegen.
Algemeen was dan ook de verwachting, dat er thans door zijn zonen
een groote sneltocht op touw gezet zou worden en was het dus voor
mij noodig, hun er van te voren op te wijzen, dat hun dit duur te
staan zou komen en zij daartegen hadden te waken. De oude dajakjonker
had dit alles voorzien en wilde voorloopig in allen eenvoud begraven
worden. Is het wonder, dat hij de Kompenie, de bewerker van dit alles,
haatte; de Kompenie, die nadat hij zoo langen tijd lustig had kunnen
rooven en moorden, hem nu alles verbood?
Evenals in Apo Kajan behooren de dajaks in deze gebieden tot den
grooten Kenjastam; echter zijn de laatsten primitiever gebleven dan de
eersten, hetgeen vooral uitkomt bij de Sabans in het boven Bahaugebied,
welke geen hoogeren trap van beschaving hebben dan die, welke staat
tusschen den gewonen Kenja en een Poenan, een soort tusschenman dus,
hetgeen zijn grond wel zal vinden in de afgelegen woonplaatsen dezer
menschen; plaatsen, waar ze zoolang hun heugenis reikt hebben gewoond.
In Poedjoengan wonen enkele stammen, van welke de Ma Alims verreweg de
meest krachtige zijn, de andere min of meer onderhoorig. De bewoners
van de kampong Poea, dicht bij Ma Alim, worden meestal tot de Ma
Alim gerekend, maar vormen eigenlijk een afzonderlijk stammetje. Zij
zijn het, die beweren altijd in deze gebieden gewoond te hebben en
kunnen dus als de autochthonen beschouwd worden, maar door indringers,
sterker dan zij zijn ze overvleugeld en vervullen thans dan ook een
zeer ondergeschikte rol.
Tegenover de kampong Poea verheft zich de kalkrots Batoe Majoe, die
van verre duidelijk zichtbaar is. Een merkwaardige legende verhaalt,
hoe daarop een Poeanees en zijn meisje een vrijwilligen hongerdood
stierven. De ouders van het meisje n.l. wilden hun toestemming tot
het huwelijk niet geven, wijl zij haar voor iemand anders hadden
bestemd. Daarop verborgen beiden zich op een onder den top der Batoe
Majoe bevindend, slechts per rotan bereikbaar steenvlak, en weigerden
na ontdekking de plaats te verlaten en later de neergelaten spijs
en drank.
In Lepo Maoet treffen we enkele Kenjastammen aan, tusschen welke geen
hechte band bestaat, maar die ieder hun eigen leven leven. Van de
Njiboengers is hoofd Oesat Biloeng, een flinke dajak en zoon van
het voormalige hoofd, den krachtigen Biloeng Erang, den grooten
tegenstander van Lian Toeran.
De afzonderlijk staande Sabans--ongeveer 300 in getal--wonen in
verschillende kleine kampongs verspreid, welke ieder niet meer dan
30 à 50 zielen tellen.
Het aantal bewoners van deze gebieden kan geschat worden op ongeveer
tien duizend zielen; wellicht is dit nog te ruim genomen. Een
algemeen hoofd als in Apo Kajan treft men hier eigenlijk niet aan;
wel was Lian Toeran indertijd in Poedjoengan alleenheerscher, maar
in de Lepo Maoetgebieden heeft hij toch eigenlijk nooit als zoodanig
gegolden. Integendeel is de stemming steeds vijandig gebleven, een
andere toestand dus als in Apo Kajan, waar men de hegemonie der Oema
Tau erkende; in Lepo Maoet zelfs staan de verschillende stammen naast
elkaar en er is eigenlijk geen sprake van, dat de een invloed op den
anderen zou uitoefenen.
Voorzoover hun eigen herinnering reikt, beweren deze stammen afkomstig
te zijn van de Soengei Iwan, uit Apo Kajan dus. Het is eigenlijk
steeds heen en weer trekken geweest; stammen toch, die naar deze
gebieden verhuisden, zijn later weer naar Apo Kajan teruggetrokken. De
meesten zullen uit Serawak afkomstig zijn en velen weten een en ander
zeer goed; vooral de Ma Badangs herinneren zich dit nog heel goed;
we zagen reeds hoe hun stamgenooten in Apo Kajan eerst tien jaren
geleden daar aankwamen.
Toch heeft de legende zich hiervan meester gemaakt om te verklaren,
waarom de Kenja's zoo naar alle windrichtingen zich hebben verspreid,
eene legende, die Nieuwenhuis ons vertelt en die ik ook zelf meerdere
malen te hooren kreeg.
In oude tijden ontstond tusschen het vuur en het water een
hevige strijd, waarbij beide hun uiterste krachten inspanden om
te overwinnen. Het water echter, geholpen door zware regens, steeg
zoozeer, dat het land met bosch en al overstroomde. Het water overwon,
maar tevens kwamen alle menschen om; slechts enkele menschen in
Apo Kajan wisten zich in prauwen te redden. Deze zagen geen andere
mogelijkheid om het water te doen zakken, dan door een der hunnen,
Hillo, de dochter van het hoofd, te dooden en ten offer te brengen. Het
water zakte plotseling en voerde de in de prauwen overlevende menschen
in alle windrichtingen mede. Aldus werden de Apo Kajanbewoners
verspreid en spreken zij heden nog zoovele verschillende talen.