oogenschijnlijk niet alle van goede constructie, te passeeren
gehad. Met zooveel zelfbeheersching als in mij was, ging ik over de
hevig schuddende verbindingen. Sommige waren 20 à 30 M. lang. Bij
den ingang van de kampong was er ook eene, die niet gemakkelijk te
nemen was, zoodat mijn binnenkomst niet erg indrukwekkend kon genoemd
worden en de vrouwen en kinderen dan ook niet konden nalaten hartelijk
te lachen.
Ma Bakoeng ligt aan de Soengei Tegeh, een zijtak van de Moeara
Anji. Daar de Tegeh niet bevaarbaar is, liggen de kampongprauwen dan
ook aan de Anji, zoodat men eerst daarheen heeft te loopen, alvorens
van de prauwen te kunnen gebruik maken. Ik trof het in zooverre niet,
dat juist dien morgen alle prauwen naar Long Nawang waren gezonden
om rijst daarheen te brengen. Maar daarover maakten we ons maar
niet ongerust; ook dat zou wel in orde komen. Er lag slechts een oud
prauwtje, deelde men mij mede; als dit in orde gemaakt werd, zou ik
daarmede eventueel wel den tocht naar Long Nawang kunnen maken. Na een
marsch van 1 1/2 uur, welke niet zwaar was, bereikten we dan ook het
punt, waar de prauwen gewoonlijk liggen. We vonden inderdaad bedoelde
prauw, maar mooi zag die er niet uit, de boorden waren vernield hier
en daar en roeiriemen waren er in het geheel niet. Het was echter
verwonderlijk hoe snel mijn dajaks een en ander in orde maakten;
het was een lust om te zien en na 1 1/2 uur ongeveer was de prauw
bruikbaar. Zoo togen we dus op weg. De Anji is prettig te bevaren,
we gingen snel vooruit en niet lang daarna bereikten we de breede
Kajan, welke we nog twee uur afvoeren om daarna het lieflijk gelegen
Long Nawang te bereiken. Aan de eene zijde der rivier ligt de Kenja
kampong, aan de overzijde de militaire vestiging. Den 16en October van
Long Iram vertrokken, bereikten we den 3en December Long Nawang, dat
is juist 49 dagen over een afstand van ongeveer 250 K.M. hemelsbreed;
maar een Apo Kajanreis doet men maar ééns in zijn leven! De militaire
transporten doen er op zijn minst 35 à 40 dagen over; het is ééns
gebeurd, dat dit zelfs 96 dagen duurde. Men overdrijft niet als men
spreekt van afgelegen oorden en het heeft dan ook niet aan pogingen
ontbroken om een gunstiger weg te zoeken voor den opvoer van vivres,
hetgeen thans schatten verslindt. Wat hadden wij den Kenja van Apo
Kajan een keurigen weg naar zee kunnen aanbieden, indien wij in 1838
gevolg hadden gegeven aan het verzoek van de inlandsche hoofden van
Serawak om onze tusschenkomst!
De gezaghebber van Apo Kajan, kapitein Pimentel, bij uitstek kenner
van den dajak uit deze gebieden, ontving mij zeer vriendelijk. Een
dag of tien mocht ik in zijn gastvrij huis doorbrengen, van welke
gelegenheid ik gretig gebruik maakte om mijn kennis van land en volk
te verrijken om deze later door eigen waarneming te verdiepen.
Denzelfden middag nog kwam Taman Kila zijn opwachting bij mij
maken. Hij is van zeven kinderen de derde zoon van het vroegere
beroemde hoofd Pingan Sorang, is mijns inziens een flinke figuur en
door het gouvernement als algemeen hoofd aangesteld.
De dajak van Apo Kajan is onder alle dajakstammen, die ik ontmoette,
de meest origineele en flinke. Niet dat hij op een hoogen trap van
beschaving staat, maar hij geniet een zekere welvaart, welke merkbaar
is in zijn geheele optreden. Vergelijkt men hem met de dajaks uit de
Tidoengsche landen en in enkele opzichten ook met de Bahau's van de
Mahakam, dan is hij een levendig, frisch type met wie het een genoegen
is kennis te maken. Zijn huizen zijn over het algemeen ruim en flink
gebouwd, goed geventileerd en verlicht. In de woningen zelf is het over
het algemeen zindelijk; onder de woningen echter waar varkens en kippen
rondloopen en menschelijke en dierlijke uitwerpselen terechtkomen,
laat de reinheid heel dikwijls veel te wenschen over. Ook de afwatering
is veelal verre van voldoende, zoodat zelfs na lichte regens talrijke
plassen met stilstaand water ontstaan, terwijl van schoonmaken van
het kampongterrein verder geen sprake is. In zijn voeding is hij
vrij kieskeurig; zijn rijst wascht hij nauwkeurig; hij leeft van
plantaardig voedsel, maar ook vleesch versmaadt hij niet. Varkens,
herten of visschen zijn zeer geliefd; water drinkt hij uit de rivier;
thuis evenwel laat hij dit eenigen tijd in bamboekokers staan, zoodat
het bezonken is. Dronk de Bahau van de Mahakam geen gistende dranken,
de Kenja is verzot op djakan, een door gisting uit suikerriet of padi
verkregen drank, donkerbruin van kleur en van een zoeten, aangenamen
smaak, welke eenigszins op dien van portwijn gelijkt.
Het zedelijk karakter van dezen dajak staat mijns inziens hoog;
eerlijkheid, kuischheid en huwelijkstrouw zijn eigenschappen, die
in hooge mate bij hem worden aangetroffen. Alleen het koppensnellen
is een kwaad, dat zonder strenge contrôle, steeds weer den kop zou
opsteken. Er zullen nog geslachten en geslachten over moeten heengaan,
voordat ze dit uit eigen beweging zullen nalaten.
Het vertrouwen der dajaks in onze geneesmiddelen is over het algemeen
zeer groot, hetgeen waarschijnlijk moet worden toegeschreven aan
den zeer lagen trap, waarop hun eigen geneeskunst staat. Om daarvan
eenigszins een idee te vormen, is het niet ondienstig eenige hunner
middelen te vermelden.
De voornaamste geneesmethode is de bezwering: de bedoeling daarbij
is de booze, ziekte-aanbrengende geesten te verdrijven. Daarnaast
heeft hij een meer directen artsenijschat, maar deze is niet heel
groot. Zoo heeft men wel geneesmiddelen tegen de bekende dajaksche
schurft (tinea imbricata, cascado), bestaande uit oliën, getrokken
uit den bast van bepaalde boomsoorten.
Voor rheumatische aandoeningen kent hij de massage, meer kneden en
slaan dan het van andere volken bekende wrijven.
Pijnlijke lichaamsdeelen worden wel gescarificeerd, een soort
aderlating dus. Ook bij hevige hoofdpijnen en koortsen wordt dit
middel toegepast.
Tegen ontstekingen weet hij weinig raad en dikwijls verergeren ze
deze door verontreiniging. Zoo hebben vele dajaks ontstoken oogleden,
doordat ze bij het uittrekken van wenkbrauwen en wimpers een zelfde
tangetje gebruiken. Maanden en maanden kunnen ze daarmee rondloopen.
Syphilis schijnt niet voor te komen, wel framboesia, al schijnt het
verschil tusschen deze ziekten onzen geleerden nog niet recht duidelijk
te zijn. Malaria komt voor in bijna alle gebieden, maar Apo Kajan
schijnt wel het minst daardoor getroffen. Eigenaardig mag nog heeten,
dat de kustplaatsen malariavrij zijn. Meestal wordt gedacht, dat Borneo
te dien opzichte een hel is, maar niets is minder waar dan dat. Zelf
kwam ik met vrouw en kinderen indertijd zwaar met malaria geïnfecteerd
uit de Lampongs, maar op Borneo's kusten zijn we geheel genezen,
hetgeen in een dergelijk modderland wel verwonderlijk mag heeten.
In het Poedjoengan- en Lepo Maoetgebied heerscht hevig malaria,
zelfs op hooggelegen plaatsen, hetgeen wel met den bodem--Lepo Maoet
beteekent vuilland--in verband zal staan. Door langdurige ziekten
schijnt zelfs het type van de bevolking in sommige streken geheel
gewijzigd te zijn. Kropgezwellen komen vrij veelvuldig voor, minder
bij de Bahaus.
Infectieziekten zijn zeldzaam, zooals cholera, typhus, pest, wel de
beruchte klem (tetanus), waarvan de bacil meermalen in modderpoelen
schijnt voor te komen.
Op chirurgisch gebied staat de dajaksche dajoeng--priester, tevens
doekoen--vrijwel machteloos en aan eenigszins groote verwondingen
weten ze niets te doen. Wel worden deze met schoon water en een
kippeveer eenigszins rein gehouden, doch bloedingen weet men niet
te stillen. Bij het doorboren van den glans penis met een palang,
welke operatie bij het intreden van de puberteit plaats heeft, verder
bij het doorboren van oorschelpen en oorlellen, treedt soms ondanks
alle voorzorgsmaatregelen (bv. het te voren bloedledig maken van den
penis tusschen een geknikt reepje bamboe) bloeding op, waartegen hij
niet veel kan doen.
Is het wonder, dat op dergelijke wijze ernstig onder deze lieden
geleden wordt en dat ons hart ineenkrimpt, als we in de kampong in
vergeten hoekjes menschelijke wrakken zien liggen aan de ergste pijnen
ten prooi en bedekt met afzichtelijke wonden? Is het wonder, dat hij
de hulp van den europeaan apprecieert, ook al kan die dikwijls heel
weinig doen en is het wonder, dat hij allerlei middelen te baat neemt,
die wij belachelijk vinden, maar waartoe hij in zijn eenvoud en tot
het uiterste gedreven zijn toevlucht neemt? Enkele zullen vermeld
worden, daar ze een goeden kijk geven op het ontwikkelingsniveau
van den dajak. Bij flauw vallen wordt de patiënt boven een vuurtje
geroosterd, totdat hij weer bijkomt. Tegen rheumatiek besmeert hij
zich met sperma; bij sterkere bloedingen van een zwangere vrouw moet
zij op een warmen steen zitten; bij bloedingen van wonden wordt
fijngesneden haar als bloedstelpend middel gebruikt. Tegen spruw
gebruiken ze watertorren, fijngestampt in den mond gegeven. Bij het
breken van arm of been hebben ze wel idee van spalkverbanden, al zullen
de deelen niet volgens de regelen der kunst gezet worden. Ook goed
is het besmeren van kleine verwondingen met sirih-spuw; dit heeft
een desinfecteerende en samentrekkende werking. Bij asthma gelooft
de dajak dat het eten van een hertenpenis hem verlichting zal geven,
bij hardnekkige koortsen het eten van drek van een stekelvarken. Zoo
gebruikt hij ook wel tegen zweren het schraapsel, dat een zwijn
achterlaat bij het schuren tegen een paal.
Wij beschaafden lachen hierom. Maar gebeuren in de uithoeken van ons
ontwikkeld land niet even dwaze dingen? Bosboom-Toussaint vertelt ons
in haar: "Huis Lauernesse" hoe de adel ringen aan de vingers droeg, aan
welke geheimzinnige kracht werd toegeschreven, hetzij ter versterking
van eenig zintuig, hetzij ter verhoeding van kwalen. Gebruikte men
niet opaal tegen vergiftiging en smaragd tegen koorts? Er is niets
nieuws onder de zon!
Tegenwoordig nog raadt men tegen jicht wel eens aan een jongen hond
bij zich te nemen, op wien dan de ziekte overgaat. En herinneren we
ons niet, hoe men ter verwijdering van wratten zooveel knoopen in
een touwtje had te leggen als men wratten had om dit daarna ergens
in huis te begraven; en kon men ook niet een aardappel opeten met
zooveel oogen, als men wratten had; kennen wij ook nog geen eenvoudige
huismiddeltjes, die niet altijd baten, maar desniettemin zeer in
zwang zijn?
We zagen reeds hoe de dajak gesteld is op een nageslacht en het kan
ons dus niet verwonderen, dat hij bij het uitblijven van kinderen
allerlei middelen te baat neemt. Zoo zal men boven het hoofd van de
vrouw het geslachtsdeel van een gedooden rhinoceros houden en daar
water doorheen gieten; de man zal een geneesmiddel innemen, getrokken
uit een stuk hout, dat in de rivier vastzittend, door den stroom heen
en weer wordt bewogen.
Aan den anderen kant is het moeder worden vóór het huwelijk een
groote schande, zoodat men bij overtreding dikwijls zijn toevlucht
neemt tot vruchtafdrijving.
Bij besmettelijke ziekten zal men voor de kampong allerlei
schrikfiguren oprichten, welke moeten dienen om de booze geesten,
bewerkers van de ziekte, te verdrijven (zie afb. 13). Soms verbiedt men
vreemdelingen in de kampong te komen; zoo gaf men in de Tidoengsche
landen dit te kennen door een soort raamwerk, waarover ettelijke
pisangschillen hingen. Ten slotte kent de dajak nog een reeks
diaetetische voorschriften, welke oorspronkelijk waarschijnlijk als
boetedoeningen zijn bedoeld, maar in de praktijk niet veel lager staan
dan onze middelen van dien aard en vermoedelijk aan de praktijk zijn
ontleend. Zoo zal de dajoeng den patiënt bij koorts verbieden koud
water te drinken, zich in koud water te baden en te slapen in de
voorgalerij van het huis; eveneens bij diarrhee, terwijl dan alleen
het eten van zachte rijst is toegestaan. Bij hoesten mag hij geen
keladi, suikerriet en geroosterde kleefrijst eten, terwijl ook het
rooken dikwijls verboden wordt. De gewoonte van onthouding zit den
dajak zóó in het bloed, dat ze bij elke gelegenheid, dat ze medische
hulp ontvangen--op afgelegen plaatsen doen de bestuursambtenaar en
zijne vrouw dit--vragen, wat koedoeng is, d.w.z., wat verboden is
en welk dieet ze hebben te houden. Men kan er vrij zeker van zijn,
dat zij zich daaraan houden, in tegenstelling met maleische volken,
die er zich meestal niet veel van aantrekken.
Evenals bij de Bahau's bestaat de maatschappij in Apo Kajan uit
verschillende standen en al is ook hier oogenschijnlijk het verschil
niet heel groot, toch is dit inderdaad wel het geval. De adellijke
partij zijn de parens, een echte Jonkerpartij, die vasthoudt aan adat
en haar rechten; hun ambtenaren heeten penggawa's. Daarnaast staat de
stand der vrijen (panjin) en onderaan de slaven (oela). Voornamelijk
komt het verschil uit bij den dood. Alleen adellijke personen krijgen
praalgraven (salongs), vrijen krijgen eenvoudige graven, terwijl
slaven geheel afgezonderd van de overigen hun laatste rustplaats
krijgen. Bij parens en panjins wordt bovendien nog onderscheid
gemaakt tusschen graven van mannen en vrouwen--op de kisten van
de eersten staan mannenfiguren, op die der laatsten vrouwenfiguren
afgebeeld--voor slaven zijn die zoowel voor mannen als voor vrouwen
hetzelfde. Toch heeft de slaaf gedurende zijn leven een menschelijk
bestaan; naar schatting zullen er in Apo Kajan nog een 500 zijn;
zelf wenschen ze de vrijheid niet, dus is het beter dit instituut
zijn eigen dood te doen sterven.
Na nog een tegenbezoek aan Taman Kila gebracht te hebben in zijn nieuw,
ruim en met mooi snijwerk voorzien huis en na een hartelijk afscheid
van mijn gastheer, verlieten we--Taman Kila zou mij nog een eind weg
uitgeleide doen--den 15en December Long Nawang. De rivier behoudt
hier overal haar groote breedte en is zeer goed bevaarbaar. Na een
half uur varens bereikt men Ma Badang, eigenlijk eene onderhoorigheid
van Long Nawang; deze lieden toch zijn ongeveer 10 jaar geleden uit
Serawak gekomen van de Apo Paja, een zijrivier van de Serawakrivier,
waarschijnlijk deels om familieaangelegenheden, deels om de straffe
hand van het engelsche bestuur te ontgaan en hebben zich hier onder
de bescherming van de Oema Tau gesteld.
Vervolgens werd de Soengei Kian voorbijgevaren, waar thans eenige
vestigingen van de Ma Koelits zich bevinden. Vroeger, tijdens het
leven van den grooten Djaloeng Apoei, woonden allen vereenigd in een
schitterende kampong aan de Soengei Kian. De menschen leefden gelukkig,
totdat de dag des onheils aanbrak. Djaloeng Apoei verborg 7 gedroste
dwangarbeiders van zijn stam en toen de bestuursambtenaar Spaan
op een dienstreis zijn kampong bezocht en hem daarover ondervroeg,
loochende hij dit, zelfs den zwaarsten eed, dien deze dajaks kennen,
zwerend, nl. dien op den tijgertand. Kort daarop stierf hij, volgens
de bevolking wegens dezen meineed. Maar nog waren de onheilen voor de
Ma Koelits niet voorbij; hun voornaamste hoofden werden kort daarna
wegens snellen verbannen, met dat gevolg, dat de schoone kampong van
weleer spoedig uiteenviel en in verval geraakte.
Bij gebrek aan een flink hoofd wonen ze thans her- en derwaarts
verspreid; vooral Aban Lendjau, de zoon van Djaloeng Apoei's
zuster zou men gaarne terugzien. Het is jammer, dat de Makoelits,
de sympathiekste der Kenjastammen, aldus te gronde moesten gaan. Zij
zijn de kunstenaars, de bekwame mandausnijders van Apo Kajan.
Van alle dajaks hebben zij de schoonste tatouage in gebruik. Het
tatoueeren (Kenjasch betik, Bahausch tedah) geschiedt meestal door
vrouwen; nadat het model (zie afb. 71 en 75 tot en met 79) op het
bepaalde lichaamsdeel is ingestempeld, wordt dit daarna met een naald
bewerkt, waarmede roetwater onder de huid wordt gebracht. Later krijgt
dit de eigenaardige blauwgrijze kleur. Brengen de Bahau's de tatouage
meestal aan op bovenhand, pols en voet, bij de Kenja's vindt men
dit meermalen op onderarm en bovenbeen, terwijl op het lichaam hier
en daar nog naar gelang van den wensch van den persoon verschillende
teekens worden aangebracht. Vooral de Makoelitvrouwen hebben prachtig
versierde bovenbeenen, welke zichtbaar zijn door de aan de linkerzijde
van het lichaam geheel openstaande sarong. Schitterende prenten vindt
men van een en ander in het boek van Nieuwenhuis. Zie afb. 29.
's Middags te 3 ure kwamen we te Ma Baka aan; zijn de Ma Koelits
bekwame snijders van mandauscheeden, deze munten uit in het bewerken
van schoone heften.
Den volgenden dag bereikten we Lepoe Tepoe Iwan, waar we van
roeiers moesten verwisselen, die mij naar Poedjoengan zouden
brengen. Ik vermoedde reeds, dat dit oponthoud zou veroorzaken,
zoodat ik wel gedwongen was, ook op hun dringend verzoek nog een
dag te blijven. Voordat ik echter de kampong mocht betreden, moest
er aan eene formaliteit voldaan worden om het koedoeng of lali padi
van de kampong op te heffen. Door het geven van eenige kralen--die
zorgvuldig in een naastbijzijnd huisje werden opgeborgen--, kon ik
de tijdelijke vrijstelling koopen; onmiddellijk na mijn vertrek werd
dan de kampong weer koedoeng. Soms geldt dit voor de geheele kampong,
soms voor enkele huizen, dan weer slechts voor één huis. Het koedoeng
padi is het voornaamste; gedurende eenige dagen, soms niet meer dan 5,
is de geheele kampong voor vreemdelingen gesloten. Wordt het bovendien
echt volgens den adat gehouden, dan is van af het oogenblik dat de
padi bijna geplant wordt, dus even vóór het menoegal, tot kort na
den padisnit, in elke kampong één huis aangewezen, dat onafgebroken
koedoeng heeft, het z.g. "malan oeman". De hoofdbewoner van dit huis
leeft gedurende al dien tijd van niets anders dan zacht gekookte
rijst. Hij mag zelfs geen zout daarbij gebruiken. Na den snit krijgt
hij echter van alle kampongbewoners een draagmand padi, daar veel
van den oogstuitslag afhangt van het feit of hij zich wel goed aan de
verbodsbepalingen heeft gehouden. Of deze lieden zich altijd daaraan
houden, weet ik niet, maar al komen misoogsten natuurlijk voor, toch
gelooft de Kenja, dat deze personen inderdaad gedurende al dien tijd
dit strenge dieet doorvoeren. Elk jaar wordt voor deze betrekking
een andere persoon gekozen; ze dienen echter van vorstelijke afkomst
te zijn. Behalve deze voorname koedoeng van één huis per kampong
tijdens de landbouwwerkzaamheden, heeft men nog tal van andere,
zoo b.v. vóór het menoegal tijdens het zoeken naar voorteekens of de
gekozen ladanggronden goed zijn. Deze duren bijkans onafgebroken 1 à
1 1/2 maand; zoo kan een of andere dag van deze koedoeng samenvallen
met den 1en dag van een nieuwen koedoeng. Naast het koedoeng padi,
dat het voornaamste is, heeft men nog koedoeng anak, voor kinderen
bij meerderjarig worden, het koedoeng lahir anak, bij de geboorte. In
alle dajakgebieden is dit gebruikelijk; in Lepo Maoet echter is het
vrijwel in onbruik geraakt.
Met het hoofd Sawang Pajang besprak ik verschillende aangelegenheden en
zoo vroeg ik hem ook, waarom zij nooit te Tandjong Seilor kwamen om te
"peselai" (op handelsreis gaan); voor hen was de afstand niet ver. Het
bezwaar bleek nog steeds te zijn, groote vrees voor de Ma Alims van
Poedjoengan en aan de benedenrivier ook voor de Ma Koelits van Long
Ledjoe. Deze vrees dateert nog uit vroeger dagen, toen de snelwoede
in Poedjoengan van den beruchten Lian Toeran--we spreken over hem
uitvoeriger in het volgende hoofdstuk--geen grenzen kende, toen hij
roofde en alles te vuur en te zwaard vernietigde. Hoewel hij thans
niets meer durft te doen wat hem de vijandschap van de Kompenie op
den hals zou halen, zijn toch nog allen voor hem bevreesd. Zoo werden
bewoners van Lepoe Tepoe nog meermalen door Ma Alims beleedigd met het
z.g. "nepoekang djawa", hetgeen eigenlijk beteekent "een geest slaan"
en bestaat uit het werpen met vuil en drek. In verband met een en
ander stelden de Lepoe Tepoes mijn komst zeer op prijs. De Ma Alims,
die van mijn komst afwisten, hadden hen dan ook al geprest mij niets
van dit alles mede te deelen, als bewijs van goede gezindheid een
grooten gong aanbiedend, maar tevens onder bedreiging, dat ze zich
zouden wreken, wanneer dezen er zich niet aan hielden. Nog deelde
het hoofd mij mede, dat ik hoogstwaarschijnlijk aanraking zou krijgen
met de Poenan Boesang, een bericht, dat mij hoogelijk verheugde, te
meer daar controleur Palm op zijn tocht geen gelegenheid had gehad
deze zwervers, welke thans onder de kampong Lepoe Tepoe ressorteeren,
te ontmoeten.
Sawang Pajang, onze gastheer, is een bereisd man; zelfs bezocht hij
Serawak, waar leden van denzelfden stam wonen. Hij was de Iwanrivier
tot aan haar oorsprong opgevaren, had daarna 4 dagen door het gebergte
geloopen en na allerlei kampongs bezocht te hebben--hij noemde er 24
uit het hoofd op--bereikte hij Long Maloedè, de hoofdplaats van den
radja van Serawak. Hier zag hij voor het eerst van zijn leven groote
schepen en al was het lang geleden, nog sprak hij er met pathos over.
Uit den naam van ons hoofd Sawang Pajang kan men opmaken, dat zijn 4e
zoon of 4e dochter is gestorven. Typisch voor de dajaks in het algemeen
en meer voor de Kenja's in het bijzonder zijn naamsveranderingen. Zoo
noemt het tegenwoordige Apo Kajanhoofd zich Taman Kila, vader van Kila,
sedert de geboorte van zijn zoon Kila.
Wanneer iemand grootvader of grootmoeder wordt, komt voor den naam
het voorvoegsel "pa" te staan, b.v. Pa Ingan, samengetrokken tot
Pingan. Zoo heette de vader van Taman Kila, Pingan Sorang na de
geboorte van zijn kleinzoon Ingan. Vooral bij sterfgevallen vindt
naamsverandering plaats. Zoo noemt bij den dood van haar man de
weduwe zich Baloe, terwijl de zoons Oejau en de dochters Oetan gaan
heeten. Sterft de vrouw, dan heet de man Amban en de kinderen Aing. Bij
overlijden van den eersten zoon of dochter heeten de ouders Oejoeng,
de broers en zusters Abing; van den tweeden zoon of dochter, de vader
Boei, de moeder Boejoe, de broers en zusters Anda; van den derden
zoon of dochter, de vader Mawa, de moeder Bajei, de broers en zusters
eveneens Bajei; van den 4en zoon of dochter respectievelijk Sawang,
Linang en Linang enz. Tot en met het 10e kind ongeveer is dit geregeld;
op meerdere nakomelingen wordt blijkbaar niet gerekend.
Ook schoonzoons en schoondochters, kleinzoons en kleindochters
veranderen van naam, terwijl weer andere in gebruik zijn voor lieden,
die vermoord zijn of op het slagveld sneuvelden. Zoo heet eene vrouw,
nadat haar man vermoord is, Baloe Mesang of Baloe Sagan.