Na het intreden der puberteit--bij de meisjes op 12-jarigen leeftijd

ongeveer, bij de jongens iets later--begint er verandering te

komen. Leefden ze tot nu toe ongedwongen, thans zijn ze ook aan de

verbodsbepalingen van de ouderen onderworpen. De tanden, zoowel van

jongens als van meisjes, worden gevijld en somtijds gouden stiften

daar doorheen gestoken, schoone tatoueeringen worden aangebracht,

terwijl voor den jongen man tevens de tijd voor de penis-doorboring

is aangebroken. De jonge meisjes trekken zich alle lichaamsharen

uit, behalve het hoofdhaar, de jonge mannen baard, wenkbrauwen en

oogwimpers. De jonge dajaksche mannen en meisjes genieten in den

omgang de grootst mogelijke vrijheid; vooral is dit zeer sterk in

de Tidoengsche landen. Elk ongetrouwd man kan daar vrijelijk met elk

ongetrouwd meisje sexueel verkeer hebben, mits dit met haar toestemming

gaat; vooral wanneer zij--zooals daar pleegt te geschieden--van de

prille jeugd af aan elkaar zijn uitgehuwelijkt, kan dit ongestoord

plaats vinden. Een en ander gebeurt in dezelfde kamer, waar de ouders

slapen, die volgens den adat onwetendheid hebben voor te wenden. Het

bij nacht binnengaan der kamer, teneinde de dochter te bezoeken,

kan door het ouderpaar niet geweigerd worden. Gedurende mijn tochten

in die gebieden zag ik dan ook steeds mijn roeiers 's avonds in de

diverse kamertjes verdwijnen; ééns zelfs diende een dezer menschen een

klacht in bij het hoofd, omdat hij door de ouders niet werd toegelaten,

die daardoor een flinke berisping opliepen.

Heeft dit herderspel echter gevolgen, dan heeft de vrouw later veel

minder waarde en de kinderen worden beschouwd als aan den man te

behooren. In de andere gebieden echter is men strenger en wordt de

zwangerschap van eene ongehuwde vrouw streng veroordeeld, vroeger

zelfs werd ze wel mishandeld.

De jongelui moeten trachten elkaar buiten te ontmoeten, hetzij in een

afgelegen hoekje gedurende de arbeidsrust op het veld, hetzij gedurende

een helderen maannacht in een verlaten hutje of rustig plekje buiten

de kampong. Evenals europeanen weten verliefde dajaks dergelijke

plekjes spoedig te vinden. Niet altijd echter is de jonge man, die

door de dochter aan de ouders als haar man wordt voorgesteld, even

welkom en deze weten dit den jongen man wel duidelijk te maken, als hij

bv. niet voldoende bedreven is in het maken van prauwen, het bewerken

van ladangs, als anderszins. Evenals in onze maatschappij echter zijn

wel gevallen bekend, dat zij tot het uiterste doordrijven. Er bestaat

een legende--elders is deze vermeld--dat verliefden zelfs verkozen

den hongerdood te sterven.

Zijn de teedere banden eenmaal gesloten, dan gaan de ouders van beide

zijden onderhandelen over de som, die de jonge bruidegom aan zijn

schoonouders heeft te betalen; deze is meestal niet hoog en bestaat

slechts uit een of meerdere mandau's of een gong.

Een eigenaardige huwelijksverklaring bij den stam der Long Glat

vertelt ons Nieuwenhuis in zijn werk. Zij bestond uit een grooten

stapel brandhout, aangebracht onder de woonkamer van de uitverkorene

zijns harten. Tusschen het brandhout waren 5 stukken van een boom

neergelegd; op de platte uiteinden daarvan was de verzorging van de

vrouw door den man zinnebeeldig voorgesteld. De symbolen bestonden

uit een bijl als belofte hout te willen hakken; een bikoeng als

belofte goed prauwen te zullen maken en drie verschillende borden,

een groote en twee kleinere, als belofte voor rijst en bijspijzen te

zullen zorgen. Naast den houtstapel waren nog geschenken neergelegd.

De dajak ziet gaarne, dat zijne dochter huwt met iemand van gelijken

stand, gelijk dat bij ons ook het geval is. De bruiloft wordt in het

huis der bruid gevierd; de bruidegom wordt door zijn vrienden daarheen

geleid. De hoofden geven bij dergelijke gelegenheden dikwijls groote

feesten. De bruidegom, evenals familie en verwanten, geven de jonge

vrouw allerlei geschenken, voornamelijk bestaande uit schoone kralen

naar gelang van den welstand der familie.

Man en vrouw hebben in het huwelijk gelijke rechten en beiden behooren

den huwelijksband gelijkelijk trouw te zijn; bij overtreding wordt de

man zelfs zwaarder gestraft dan de vrouw. Echtscheiding komt--hoewel

zelden--voor; reden hiertoe is b.v. het kinderloos blijven der vrouw.

Eene ernstige ziekte brengt gemeenlijk groote beroering in een

dajakhuis te weeg. Heftig rumoer van stemmen, het slaan op allerlei

voorwerpen, moet dienen om den zieke bij te staan en te zorgen,

dat zijn geest het lichaam niet verlaat. Is de patiënt gestorven,

dan wordt het lijk gewasschen en daarna schoon opgetooid met wit

katoen. Verschillende voorwerpen worden den doode medegegeven, zijn

mandau en andere geliefde voorwerpen, soms schoone kralen van meer

of minder waarde.

Intusschen zijn familie of vrienden bezig de houten kist uit een

boomstam te kappen, terwijl vervolgens de begrafenis plaats heeft,

waarbij de kist boven den grond geplaatst wordt op een houten

staketsel met eenvoudig dak, terwijl voor de hoofden schoone

"salongs" (doodenhuisjes) worden gebouwd. De vorm der graven is

bij de verschillende dajakstammen soms zeer afwijkend. Zoo worden

bij de Tinggalans de lijken na langeren tijd uit de kisten gehaald

en in tempajans, groote potten, geplaatst; bij de Njiboengs worden

de lijken in tempajans opgeborgen en daarna op hooge palen, eenige

meters boven den grond, opgericht,--zie afb. 48--terwijl de Sabans

de tempajans halverwege ingraven. In het boven Mentaranggebied zag

ik nog een oud Oebaugraf, bestaande uit een rechtopstaande kist.

Na den dood der ouders, zijn de kinderen gelijkgerechtigd bij de

erfenis; sterven de ouders kinderloos, dan gaan de goederen aan de

wederzijdsche families terug.

Na een kort verblijf aan de Tagaharoek Laja, verlieten we dit heerlijk

oord en begaven ons op weg naar de eerste Apo Kajankampong Lekakidau

of Oema Bem Danom. Het was werkelijk een verrukkelijke vaart langs de

smalle boschrivier, onder het eeuwige groen, tusschen hooge wanden; ze

zit vol kleine versnellingen, welke ons echter niet de minste moeite

veroorzaakten. Na drie kwartier varens bereikten we reeds de Kajan;

onmiddellijk vertoont het landschap hier een anderen aanblik; het

terrein wordt veel vlakker, de oevers zijn veel lager en bedekt met

dun bosch, de rivier is veel breeder. Heeft een smalle rivier als de

Laja zijn aantrekkelijks, toch heeft ze iets drukkends en het ruimere

uitzicht van de Kajan uit, geeft een zekere verluchting. Hier en

daar krijgt men zelfs een kijkje in het bergterrein en nieuwsgierig

zijn we naar alle nieuwe dingen in het onbekende land. Is de

Kajan hier uitstekend te bevaren--stroomafwaarts heeft altijd iets

aantrekkelijks--, de vreugde is niet van langen duur; na een uur reeds

komen we bij de kiham Tadjau aan en vlak daarna de kiham Paman. Bij

de eerste moesten de prauwen over de steenen getrokken worden,

daar de rivier hier een val van ongeveer een meter vormt, welke

zich vooral bij dit lage water scherp afteekende. De kiham Paman

gaf geene moeilijkheden; ze bestaat uit een combinatie van smalle

kronkelingen tusschen eenige meters hooge wanden. In weerwil van

den zacht neervallenden regen was het varen langs dit riviergedeelte

een pleziertocht.

Lekakidau is een, aan een zijrivier der Kajan, de Danoem, gelegen

groote kampong met verscheidene huizen (lamins) en padischuren. Hoewel

het hoofd Taman Belarè (= bliksem) niet thuis was, werden we volgens

den adat op gastvrije wijze door de oudsten der kampong ontvangen,

terwijl een goede plaats in de awa of voorgalerij van den vorst voor

mij werd gereserveerd. Boven mijn slaapplaats hing de penggalan, 17

gesnelde koppen, die reeds zeer oud en zwartgerookt waren, de trots

van het hoofd. Langs den wand hingen ettelijke varkensskeletten met

ontzettend lange tanden. Naast mijn veldbed bevond zich de in den

vloer ingebouwde stookplaats, tevens punt van samenkomst van de

dorpsgenooten. Bij mijn komst verzamelden zich daar dan ook vele

mannen, vrouwen en kinderen. Vooral de vrouwen en meisjes waren

zeer vrij, wat nog toenam, toen ze een blik hadden geslagen op de

medegenomen ruilartikelen.

Een dergelijke openbare slaapplaats heeft zijn voor- en nadeelen. Alles

toch, wat den europeaan betreft, heeft de belangstelling van den

dajak; vooral het eten uit allerlei pannetjes met vork en lepel,

het kleeden en ontkleeden werkten zeer op de lachspieren van de

verzamelde menigte. De oudsten der kampong wezen eerst mijn tolk met

eenige vrees op de gesnelde koppen, maar toen deze mededeelde, dat

ik niet was gekomen om daarop te letten, maar ik me integendeel zeer

toeschietelijk betoonde, waren ze gerustgesteld en werden mij een mand

rijst, eieren en kippen aangeboden, onder mededeeling--de oudste hield

een speech--dat zij domme menschen waren en niet wisten hoe zij den

radja Kajan moesten ontvangen; ze konden mij niets kostbaars aanbieden,

zoodat ik met dit weinige genoegen moest nemen. Ze hoopten, dat ik

hen zou leeren, zoodat ze een volgende keer wisten, hoe het behoorde.

Vanuit de kampong had men een mooi overzicht over het terrein met

op den achtergrond begroeide toppen. Op een halven dag afstands ligt

nog een kampong van denzelfden stam Oema Bem Boh, dezelfde Boh, die

we reeds aan de overzijde van het scheidingsgebergte hadden bevaren.

Door den regen van den vorigen dag had ik geen gelegenheid gehad

een kijkje te nemen in de kampong zelve; toch is dit de moeite wel

waard, al kost het eenige overwinning om de vuilheid daarin weg te

cijferen. De rijsthuisjes, beschilderd met zwart, wit en rood, maken

een aardig effect; ook hier treedt overal het naga- of draakmotief op

den voorgrond; de zwarte kleur wordt gemaakt uit roet, de witte uit

kalksteen, de roode uit zachten, rooden steen. Dit zijn dan ook de

eenige kleuren, die ze bij hun beschilderingen gebruiken en weten te

bereiden. Overdag bevinden de meeste menschen zich op de ladangs. Toch

zijn de overgeblevenen, mannen en vrouwen, ijverig bezig; de meisjes

en vrouwen maken hoeden, snijden tabak of stampen de padi in de zware

blokken. Het is een genot de slanke, bruine lichamen elastisch op en

neer te zien gaan, in de hand den zwaren stamper. Daar tusschen door

loopen de jonge mannen, er keurig uitziend met hun zwarte awets, bezig

met allerlei kleine werkjes in de buurt van de dajaksche schoonen en

menig lonkoogje wordt geworpen op het meisje van hun hart. De mannen

zijn bezig met het maken van schilden, snijden heften en scheeden

voor mandau's, maken vlechtwerk of loopen met een grooten zonnehoed

op het hoofd in een draagmandje hun kleine kinderen uren heen en weer

te dragen. Iedereen is bezig.

Den 27en November zouden we onze reis naar Long Nawang voortzetten. Na

een uur roeiens ongeveer bereikten we Meloerei, een punt waar we de

prauwen moesten verlaten om de Batoe Belakau te vermijden. Een pad van

drie kwartier ongeveer voert naar Long Pajau, waar we wederom in de

prauwen konden gaan. Door den gevallen regen echter was het pad nogal

glibberig, waarbij nog kwam, dat we van verschillende rotanbruggen

gebruik moeten maken, hetgeen voor iemand, die dat niet gewend is en

niet te veel vertrouwen stelt in het toezicht daarop van dajaksche

zijde--de bruggen zijn dikwijls zeer oud--nu niet bepaald een genoegen

is. Aan den oever der rivier worden ze aan een overhellenden boom

bevestigd, bij sommige vrij hoog, zoodat men bij aankomst aan de

overzijde moet dalen of omgekeerd naar boven moet klimmen. Spoedig

was ik er echter aan gewend, hoewel steeds het bruisen en koken van

het water daar beneden een onaangename gewaarwording bleef.

Onmiddellijk bij aankomst werd een begin gemaakt met het aanbrengen

der goederen. Daar verschillende malen heen en weer geloopen moest

worden en ik voldoende vertrouwen in mijn dajaks stelde, dat ze alles

naar behooren zouden overbrengen, begaf ik mij dadelijk op weg om in de

goed gebouwde koeboe aan de Long Pajau te overnachten en af te wachten,

dat prauwen en goederen daar zouden zijn aangekomen. Hoewel de vaart

voor de prauwen allerbezwaarlijkst was, bereikten allen zonder schade

denzelfden dag nog de koeboe en waren 's avonds ook alle goederen

aanwezig. Mijn vertrouwen werd dus niet beschaamd, zoodat we den

volgenden morgen reeds welgemoed verder konden trekken. We troffen

al spoedig verschillende prachtig bewerkte ladangs der Oema Tau aan;

dien dag zouden we hun kampong Long Oeroek bereiken. De Kajan heeft

hier een flink verval, zoodat er met onze prauwen handig tusschen de

verschillende rolsteenen gemanoevreerd moest worden, hetgeen zonder

ongelukken, hoewel niet geheel droog, gelukte.

De oude, sympathieke, maar slimme Piat Baja, radja van Long Oeroek,

die vernomen had, dat ik onderweg was naar zijn kampong, had mij 4

prauwen met 20 man, keurig uitgerust, onder welke zich zijn zoon,

Adjang bevond, tegemoet gezonden om mij bij het naar beneden varen

behulpzaam te zijn. Evenals overal elders in den archipel, dringen

ook hier berichten snel door en te meer verwonderlijk is dit, daar

dajakland eenzaam en verlaten is en er geen speciale berichtendiensten

bestaan. Toch was reeds bekend, dat ik dien dag in Long Oeroek zou

aankomen. Niemand weet vanwaar het bericht komt--chabar angin--en

niemand weet wie het heeft overgebracht.

Nadat we de kiham Bem hadden gepasseerd, een korte, uit 3 vallen

van ongeveer 1 1/2 M. bestaande versnelling, waarbij de prauwen

wederom over de steenen getrokken moesten worden, bereikten we

na 2 1/2 uur Long Oeroek. De oude Piat Baja kwam mij tot de trap

tegemoet, geëscorteerd door een volgeling, die er in een groot tenue

officiersjas--blijkbaar een geschenk--allergrappigst uitzag. De awet

onder de luitenantsjas uitsteekende flatteerde inderdaad en zelfs de

militaire muts op zijn lange haren misstond niet.

Onmiddellijk begaf ik mij met mijn gastheer naar zijn fraai bewerkt

en zindelijk huis, waar de ouden mij ontvingen en waar ik als

welkomstgroet rijst en kippen ontving. Om het mij gemakkelijk te

maken, bood Piat Baja mij een stoel aan, dien hij indertijd van

dr. Nieuwenhuis had gekregen; dit geschenk wordt trouw bewaard en

alleen bij speciale gelegenheden mag het dienst doen. Te dien tijde

woonden ze echter meer het binnenland in en "toean dokton" had toen

meerdere maanden bij hen vertoefd.

In de voorgalerij hingen vele gesnelde koppen, terwijl de wanden fraai

beschilderd waren met figuren in rood, wit en zwart en de balkuiteinden

kunstig versierd en besneden met allerlei dierenmotieven. Het geheel

maakte een aangenamen indruk.

Piat Baja is een goed gastheer en weet het zijn gasten aangenaam te

maken; 's avonds was er een bijeenkomst van de dorpsgenooten, maar er

mocht niet gedanst worden, omdat het kind van een der hoofden gestorven

was. Verder trof ik het in zooverre, dat de kampong over 5 dagen lali

zou worden verklaard vanwege het menoegal- of plantfeest. Was ik dus

later gekomen, dan had ik niet de kampong mogen binnengaan.

De boeken van Nieuwenhuis en Tehupeiory hadden hunne grootste

belangstelling en voortdurend weer vroeg men mij het portret te mogen

zien van Boi Djalong, het groote Oema Tau-hoofd, dat vroeger in deze

kampong woonde.

Ten slotte--de meeste dorpelingen waren al huiswaarts getogen--kwam

een oud, sympathiek vrouwtje schuchter naar mijn veldbed, mompelde

eenige onverstaanbare woorden; maar zooveel begreep ik wel, dat ook

zij het portret van Boi Djalong wilde zien; zij was familie van diens

vrouw. Zenuwachtig bekeek ze het portret, greep zijn gelaat, kuste het

en begon toen luid te snikken. Of ze dacht, dat hij was teruggekeerd

of dat ze opnieuw door leed getroffen werd bij de gedachte aan den

overledene, weet ik niet, maar ze wilde niet eerder er van scheiden,

dan nadat ik haar beloofd had moeite te zullen doen een dergelijk

portret voor haar te bekomen.

Een dajak houdt er van, dat men gemoedelijk bij hem zit, platen uit

mooie boeken laat zien en gezellig met hem praat. Sommigen, die het

niet gewend zijn, foto's te bekijken, draaien die eerst op allerlei

wijzen om en om, totdat ze het eindelijk uitgevonden hebben. Vooral

een familieportret van mijn vrouw en kinderen maakte grooten opgang

en ging van hand tot hand en kreten van bewondering werden geuit,

eene kleine vergoeding voor het gemis aan huiselijke gezelligheid,

welke ambtenaren in dergelijke gebieden dikwijls zoo lang moeten

derven. Dat dajaks zelfs portretten heelemaal verkeerd zien, bleek

me, toen ik hun Montenegro's vorst Nikita in het boekje van van der

Mandere liet zien. Ze dachten, dat ik dat was, terwijl ze vroegen of

vorstin Milena mijne vrouw was.

Op verzoek van den radja bleef ik den volgenden dag nog in

zijn kampong, van welke gelegenheid gebruik werd gemaakt met hem

eenige zaken te bespreken. Hij is een schrander man en informeerde

belangstellend naar allerlei onderwerpen en omstandigheden bij dajaks

in andere gebieden, vooral van hen, die aan de beneden Kajan woonden

en onder dezen vooral Anji Lohong, die 15 jaar geleden verzet tegen

Sultan en Bestuur had gepredikt en die het de dajaks, die van boven

kwamen, lastig maakte. Met genoegen vernam hij dan ook, dat deze thans

niets meer te zeggen had. Over hun vroegere woonplaatsen deelde hij

mij mede, dat ze afkomstig waren uit Poedjoengan en hun voorouders

het plan hadden opgevat naar de boven Mahakam te verhuizen, maar

door eene vergissing, doordat nl. iemand luide uitriep pajau (hert),

hetgeen ze echter verstonden als ajau (koppensnellen), vluchtten ze

terug en bleven tot nu toe hier wonen.

In Long Oeroek bevindt zich in het huis van Boi Djalong een zeer

groote rhinoceroshoren en behalve deze was er ook een groote, zwarte

gong,--naar men zegt, de grootste van Apo Kajan--, die volgens

de legende door eene vrouw gevonden zou zijn nabij den oever van

een beekje, alwaar de gong in den grond begraven lag. Eenzelfde

soort verhaal deed men omtrent een mooien, blauwen chineeschen

pot. Ofschoon men hier in Apo Kajan niet die vereering voor de

"blawang" of heilige potten kent, zooals wel bij andere dajaks en

ook in Serawak bij de Hebans het geval is, zoo was men hier aan

deze speciale tadjau wel gehecht en schreef men haar eenige geheime

krachten toe. Wel merkwaardig is dat men ook hier, in Centraal-Borneo,

beweert, dat deze chineesche potten en gongs nog al eens opgegraven

worden zonder dat echter legenden of mythologische verhalen eenigszins

eene aanwijzing geven door wie of hoe deze voorwerpen in den grond

begraven zijn. Vervaardigd zijn ze in elk geval door chineezen en zeer

schoon. Voornamelijk trof ik ze indertijd in de Tidoengsche landen,

diep in het binnenland, aan.

Piat Baja en de zijnen waren zeer verwonderd, dat ik bekend was met de

rij hunner voorvaderen, die ik hun aan de hand van het kranig rapport

van controleur Palm allen opnoemde. Trouwens schrift is voor hen

onbegrijpelijk, geheel onbekend zelfs en waarschijnlijk is het daaraan

te danken, dat hun geheugen zoo geweldig ontwikkeld is. Uit het hoofd

wisten enkelen mij al hun familierelaties op te noemen en vermoedelijk

reikten deze wel tot een paar honderd jaar terug. Het eenige middel,

dat ze kennen om hun herinneringsvermogen te hulp te komen bestaat uit

een touw met knoopen: beloven ze b.v. om over een dag of 10 te komen,

dan maken ze een touw met evenveel knoopen en halen er elken dag

één uit; ze weten dan wanneer ze moeten vertrekken. Maar dat iemand,

die hier voor het eerst kwam de rij hunner voorvaderen kon opnoemen,

was hun toch niet heel begrijpelijk.

Nadat we verder nog over koetjes en kalfjes hadden gesproken--mij

werd zelfs gevraagd of het waar was dat menschen konden vliegen--bood

Piat Baja mij een mandau aan als herinnering aan dit bezoek, terwijl

ik hem en zijne vrouw een tegengeschenk aanbood; hij hoopte, dat ik

nog eens terug zou komen; het snellen zou in het vervolg nagelaten

worden, hij hoopte dat de Kompenie hem vergiffenis zou schenken voor

vroegere wandaden, maar zou gaarne in het bezit blijven van de reeds

door hem en zijn vaderen gesnelde koppen. Wanneer ik nog drie weken

wilde wachten--door de koedoeng-verklaring van zijn kampong--dan

wilde hij met mij medereizen, een voorstel, dat ik echter onder

dankbetuiging moest afslaan en zoo vertrokken we dan den volgenden

dag naar Ma Djalan.

Mijn verdere plan nu was om nog enkele meer landwaarts in gelegen

kampongs te bezoeken en om daarbij zoo weinig mogelijk door het

medenemen van vele goederen opgehouden te worden, droeg ik Djoek Oesat,

het hoofd van Ma Djalan, op, deze vooruit te zenden naar Long Nawang,

waar ik over eenige dagen zelf zou aankomen. Zelf begaf ik mij te

voet naar Oema Toekoeng, na door het hoofd en de zijnen tot het einde

der kampong uitgeleide te zijn gedaan. De wandeling duurde ongeveer

3 uur langs een vrij effen, maar door de vele regens zeer gladden

weg, terwijl we verschillende malen de Soengei Seloengei moesten

oversteken. We kwamen langs vele flinke ladangs en vischvijvers

(bawang), welke vol visch moeten zitten en een behoorlijke afwatering

hebben. Prachtige sawahs zouden hiervan te maken zijn, maar doordat de

ladangs hem voldoende padi opleveren, denkt de dajak er niet aan den

meer voordeeligen, doch zwaarderen sawahbouw uit te oefenen. Enkele

malen heeft men een prachtig uitzicht over het bergterrein; op sommige

punten waant men rond te zwerven tusschen de Limburgsche heuvelen en

velden; eenzelfde gedachte bekroop me op de wandeling van Meloerei

naar Long Pajau.

Toen we de kampong Oema Toekoeng naderden, had ik het gevoel in

een onbekend gebied te komen; vrouwen en kinderen, die mij bij een

bocht van den weg niet ver van de kampong ontmoetten, vluchtten in

allerijl. Blijkbaar wisten deze niets van mijn komst af. De weg voerde

langs een kerkhof met vele graven, ruw bewerkt, bestaande uit vier

palen, slordig met bladeren ingedekt; één slechts was zorgvuldiger

bewerkt, al deed het komisch aan als buitengewone versiering daarop

aan te treffen een reclameplaat van Justus van Maurik's sigaren. Onze

schrijver werd zoo wel op zeer ongewone wijze vereerd!

De kampong is groot, maar schots en scheef door elkaar gebouwd. Het

hoofd Pelakau Lindjau ontving mij vriendelijk en eenvoudig, daar

hij niet van mijn komst had afgeweten. Het was geen gewoonte, dat

zijn kampong als niet aan de groote rivier liggend, werd bezocht,

hetgeen niet wegnam, dat hij er buitengewoon mede ingenomen was. De

belangstelling was dan ook groot en ik was niet weinig verbaasd,

toen de vorst na eenigen tijd mij vroeg mijn bovenlijf te ontblooten,

daar de vrouwen gaarne wilden zien of ik geheel en al wit was! Men

bood verontschuldigingen aan, dat mij weinig kon worden aangeboden,

omdat de tijden niet gunstig waren, maar ze wilden gaarne een varken

slachten te mijner eere, waarvoor ik echter vriendelijk bedankte,

daar ik met eenige eieren genoegen zou nemen. Ook zelf had ik niet

veel aan te bieden, daar bijna al mijn goederen waren doorgezonden

naar Long Nawang, zoodat ik de vorstin slechts een zakspiegeltje met

kam en het hoofd wat tabak kon aanbieden.

Dit geven van geschenken, het z.g. "selawa", is een beleefdheidsvorm,

welke dan ook in iedere kampong plaats vond.

Den volgenden dag zouden we naar Oema Bakoeng vertrekken. Deze

tocht duurt ongeveer 3 uur en de weg is niet bijzonder zwaar, ten

minste niet volgens dajaksche opvattingen; hij voert ook hier langs

schoone ladangs en vischvijvers. Op een der rijstvelden sloeg bij

onze nadering de vrouwen de schrik om het hart; ze begrepen blijkbaar

niet, wat een europeaan hier deed en in allerijl zouden ze weggevlucht

zijn, hadden niet mijn begeleiders haar toegeroepen, dat we sabillah

(vrienden) waren. Toch waren ze niet eerder gerust dan nadat we teboe

(suikerriet) met haar hadden gegeten als teeken, dat we inderdaad

geen kwade bedoelingen hadden.

Dicht bij de kampong werd de grond geel van kleur, een bewijs dat deze

niet zoo goed is, maar tevens een bewijs, dat de goede gronden in die

buurten uitgeput raakten. Tusschen de verschillende kampongcomplexen

waren teekens aangebracht, de grenzen aangevende. De eene kampong

werkt niet in het gebied van den andere, al gebeurt het soms wel,

dat er kwesties over ontstaan.

Ons Mooi Indië: Uit Dajakland Kijkjes in het leven van den Koppensneller en zijne omgeving · 第 5 / 13 段