veel interessants gezien te hebben. De Kenja's waren nu weer in hun
eigen land, hetgeen duidelijk merkbaar was aan hun vroolijkheid en
levendigheid, zelfs vrouwen waren aanwezig om hen te begroeten en
de medegebrachte voorwerpen en geschenken in ontvangst te nemen. De
Bahau's echter bevonden zich nu in vreemde omgeving. Evenals de
meeste dajaksche stammen onderling, konden ook de kenjasche en de
bahausche roeiers elkaar niet goed zetten en al hebben beiden vele
karaktereigenschappen gemeen, in enkele opzichten verschillen ze
toch wel. Zoo is de Kenja krijgshaftiger, levendiger, de Bahau meer
bevreesd en rustiger. Als roeiers zijn de Bahau's echter naar mijn
meening even bruikbaar als de Kenja's, vooral ook omdat ze meestal
handelbaarder zijn.
Het is hier wellicht de plaats eenige algemeene eigenschappen van
den dajak nader te belichten; wel zijn hier en daar plaatselijke
afwijkingen, maar over het algemeen kunnen deze voor alle dajaks
gelden, voorzoover ze nog niet al te veel met europeesche beschaving in
aanraking zijn geweest en dus minder bedorven zijn. Een van de goede
eigenschappen van den dajak is zijne liefde voor zijne kinderen en
in verband daarmede voor zijne vrouw. Baart zij geen kinderen, dan
is dit voor een dajak een reden tot echtscheiding; overigens komt dit
weinig onder hen voor. Het is aardig te zien, hoe een dajaksche vader
uren en uren achtereen in de voorgalerij met zijn jongstgeborene
op den rug in het kinderdraagmandje op en neer kan wandelen, hem
troostend nu eens met het gerinkel van mooi geslepen schelpjes,
dan weer door hem langzaam heen en weer te schommelen, terwijl hij
het poezele handje, dat over zijn schouder heen naar voren steekt,
knusjes in de zijne houdt; en aandoenlijk is de trots van den vader,
die den vreemdeling een schare flinke zonen kan toonen. Hoe grooter
het aantal zijner kinderen, hoe grooter de genegenheid voor zijn
vrouw, wier trots op haar spruiten niet minder is dan die van haar
echtgenoot. Bovendien geniet de vrouw in de dajaksche maatschappij
eene bevoorrechte positie, al moet zij volgens onze begrippen hard
werken en dikwijls vrouwen onwaardigen arbeid verrichten; zij wordt
niet als bij andere inlandsche volken op den achtergrond gezet. Bij
belangrijke besprekingen is zij tegenwoordig, spreekt zij mee, terwijl
haar woorden soms niet weinig gewicht in de schaal leggen. Voor eene
moderne vrouwenbeweging om van te watertanden!
In verband met deze groote begeerte naar kinderen mag het
verwonderlijk heeten, dat de dajaklanden zoo dun bevolkt zijn; aan
dezelfde begeerte toch is het te danken, dat een vierde gedeelte
ongeveer der aardbewoners uit chineezen bestaat. Bij de dajaks echter
werken allerlei omstandigheden tegen en wel in de eerste plaats de
onvruchtbaarheid der vrouwen, waarschijnlijk tengevolge van harden
handenarbeid en den hartstocht der mannen, waardoor de lichamen
afgebeuld worden en ten langen leste hun natuurlijke functien
verliezen, althans afstompen. Als gevolg daarvan worden ook vele
zwakke en mismaakte kinderen geboren. Bij de primitieve dajaks in de
Tidoengsche Landen--we behandelen dit later--constateerden we zelfs
grooten angst voor de baringsstonden en bij zwangerschap meermalen
ontijdige afdrijving der vrucht. Daarbij komt, dat er dikwijls vele en
langdurige ziekten heerschen, welke den toestand niet verbeteren en
dikwijls, zooals bij pokkenepidemieën, de bevolking decimeeren. Een
derde factor is vervuiling en ongezondheid hunner huizen, terwijl
in de vierde plaats de sterke drinkgewoonte der dajaks, zoowel onder
mannen als vrouwen, den lichamen niet ten goede komt. Eene gunstige
uitzondering hierop maken de Bahau's uit het Mahakamgebied, welke
in het geheel geen gistende dranken drinken, maar overal elders in
Oost-Borneo zag ik de dajaks zich aan eigengemaakten sterken drank
(tuak, tapai, boerak), gemaakt uit rijst of suikerriet, sterk te
buiten gaan gedurende groote braspartijen, waarbij hij overwinnaar was,
die het meeste kon drinken.
In vroeger tijd kwam als laatste factor daar nog bij de groote
snelwoede, waarbij velen als slachtoffer vielen. Thans geldt dit niet
zoo zeer, maar eerstgenoemde factoren geven eene voldoende verklaring
van het feit, dat de bevolking in deze streken dun is.
Naast liefde voor zijn kinderen heeft de dajak als tweede goede
eigenschap een gezond, logisch en vlug verstand, gepaard aan een
goed humeur. Hij is bevattelijk en neemt spoedig zaken over, van
welke hij meent, dat ze hem van eenig nut zullen zijn. Logisch is
hij in zijn vragen: honderden malen vroeg men mij, waarom ik hun de
gesnelde koppen afnam, terwijl ik ze zelf bewaarde, hen strafte voor
enkele snelpartijen, terwijl in Europa gedurende den grooten oorlog
dagelijks honderden en duizenden vielen. Waarom de vorsten daaraan
geen einde maakten, was hun onbegrijpelijk. Moeilijk te beantwoorden
vragen! En wanneer ik hun dan mededeelde, dat onze Vorstin, onze Radja
Doh, daaraan niet meedeed, waren ze wel dankbaar, maar niet voldaan.
Zonderen we het overmatig drankgebruik uit, dan is de dajak in zijn
voeding overigens matig; matigheid is hem aangeboren, hetgeen niet
wegneemt, dat hij, met de Kompenie reizend, veel behoeften heeft,
waaraan hij anders niet zou denken. Naast rijst--hetgeen hij in flinke
hoeveelheden gebruikt--eet hij nog knollen (oebi), maïs (djagoeng)
of teboe (suikerriet) en bij misoogst of in tijden van nood sagoe,
maar overigens heeft hij geene behoeften. Alleen is hij--de vrouwen
eveneens--verzot op rooken en sirih-kauwen.
Aan beleefdheid paart de dajak een gepaste vrijmoedigheid. Het is
voor europeanen, die steeds met kustbewoners omgingen, dikwijls
eigenaardig te zien, hoe vrijmoedig de dajak is en dikwijls wordt
dit als onbeleefdheid uitgelegd, hetgeen het inderdaad niet is;
trouwens hij ziet te veel tegen den europeaan op om hem willens en
wetens onbeleefd te behandelen. Maar ook onder elkaar nemen ze de
beleefdheid streng in acht, hetgeen vooral uitkomt in het gedrag van
jongeren tegenover ouderen. Hoogere leeftijd staat voor den dajak
gelijk met meerdere ervaring, meerdere levenswijsheid en de stem der
ouderen is altijd beslissend voor een bepaalde zaak.
Als bij mijn komst in een kampong de menschen zich verzamelen om het
haardvuur in de voorgalerij van het hoofd, dan zijn het naast dezen
de ouderen, die dicht bij het vuur zitten; de jongeren blijven op
eerbiedigen afstand en wee dengene, die onrechtmatig daarop inbreuk
zou maken. Bij de opvoeding der kinderen wordt op een en ander streng
gelet. Zoo eischt de beleefdheid, dat men vreemdelingen gastvrij
ontvangt; de meest primitieve dajakstammen houden zich daaraan en de
huisvrouw en de dochters des huizes, die blijken niet voldoende bekwaam
daarin te zijn, staan aan algemeene minachting bloot, zelfs zou een
man zich om die reden van zijn vrouw kunnen laten scheiden. Zoo zijn
er enkele families onder de Bahau's, die geen hertevleesch mogen eten;
het zou onbeleefd zijn--zoo men dit wist--dezen menschen dergelijk
vleesch aan te bieden. Zoo mag men ook niet over een liggend of
slapend mensch heenstappen, enz.
Bij feesten zullen de ceremoniemeesters bedienen volgens stand en
leeftijd.
De dajak is gastvrij en wee dengene, die daartegen zou zondigen; een
berisping der ouden zou zeker zijn deel zijn, zooals in vergaderingen
steeds placht te geschieden, wanneer ik hun bij wijze van leering de
bevelen van het gouvernement overbracht en de ouden van die gelegenheid
gebruik maakten den jongeren nog eens een lesje te geven: "Wij, dajaks,
gingen vroeger steeds op sneltocht, wij vierden feest en verlangden
naar het vermeerderen der doodskoppen, die de galerijen onzer huizen
sieren; bij ons werden snellers door de jonge meisjes gefêteerd,
bezongen en bewierookt, doch nadat de wit-menschen tot ons kwamen en
ons het snellen verboden, hebben wij ons onderworpen aan hun bevel. En
toch, wij waren begeerig naar eer en roem. Waarom gehoorzamen jullie
dan niet aan het bevel van den wit-mensch? Zijn jullie dan zooveel
machtiger dan wij? Wat hebben jullie toch voor adat? Wij gaan niet
naar de ladangs als de controleur komt, doch wachten thuis op zijn
komst en houden kippen, varkens en rijst gereed. Doch hoe ontvangen
jullie den grooten heer en de gasten? Ik zie daarbuiten de varkens,
doch heb nog geen doodsgil der dieren gehoord. Is dit jullie gewoonte
om den grooten Heer te ontvangen?"
De dajak is niet fanatiek, wel vasthoudend aan oude gebruiken,
al dreigt dit door meerdere aanraking met europeanen minder sterk
zich te uiten. Onder elkaar wordt een en ander wel in acht genomen,
vooral onder de ouderen, die geen inbreuk daarop dulden zouden. Een
wereldburger is hij niet; hij is gehecht aan huis en haard en gaat
wel eens op een handelsreis, maar heel lang duren deze tochten niet;
evenals bij de Romeinen iedere vreemdeling hostis of vijand was,
zoo zijn bij de dajaks naburige stammen meestal zijn vijanden, vooral
in vroeger tijd, maar al is ook dit de laatste jaren veel verminderd,
veeten en kwesties blijven er altijd in grooten getale bestaan, waarvan
de oplossing voor den bestuursambtenaar niet altijd even gemakkelijk
is en dikwijls een langdurig onderzoek vereischt. Vooral rechten op
gronden spelen--evenals overal elders in den archipel--hierbij een
groote rol. Zoo was er een tijd lang kwestie tusschen de vlak bij
elkaar gelegen Ma Koelit-kampongs Long Pelban en Long Ledjoe aan de
beneden Kajanrivier over verdeeling der ladanggronden. De kwestie liep
zóó hoog, dat de stemming bepaald vijandig werd en de rust keerde eerst
weer, nadat ik plaatselijk de zaak omstandig had onderzocht en ieder de
hem toekomende gronden had aangewezen. De eerste beleefdheidsbezoeken
van de hoofden werden wederzijds met een flinke tuakfuif bezegeld!
Op reis met een europeaan is de dajak vol toewijding en voelt hij
zich gedurende dien tijd bepaald verantwoordelijk voor het wel en
wee van zijn medereizigers. De goederen worden bewaard als waren
zij zijn eigendom en ongevraagd zorgt hij voor een behoorlijke
rustplaats en onderdak. In de rimboe leert men deze eigenschappen
waardeeren. Bovendien is hij door zijn vroolijkheid en levendigheid
en altijd bezig zijn een aangenaam gezelschap in tegenstelling met
maleiers, die veel onderdaniger en welwillender zich voordoen, maar
inderdaad veel minder te vertrouwen zijn.
De dajak is niet diefachtig. Gedurende mijn reizen is mij nimmer iets
ontstolen; zelfs zijn mij wel voorwerpen uit de diepe binnenlanden
teruggebracht, welke men meende, dat ik verloren of bij vergissing
achtergelaten had, evenals men vertelt, dat in Montenegro alle
voorwerpen aan koning Nikita werden teruggebracht, hoever in de
onherbergzame streken deze ook verloren gingen.
Diefstalzaken van dajaks onderling werden nooit aangebracht; wel
werden dajaks dupe van de roofzucht van maleiers. De eenige reden
waarvoor dan ook de dajak gestraft werd, vond zijn grond in snelzaken.
Over de dankbaarheid van den inlander in het algemeen is reeds
veel geschreven en gesproken; sommigen beweren, dat deze wel
bestaat, anderen ontkennen absoluut het bestaan ervan. Of de dajak
deze eigenschap bezit, zou ik niet met een volmondig ja kunnen
beantwoorden, maar ook niet willen ontkennen. Het bestaan van
dankbaarheid is dikwijls zoo moeilijk aan te toonen, vooral bij
belangrijke aangelegenheden. In kleine zaken echter heb ik dikwijls
bejegeningen ondervonden, die aantoonden, dat de dajak wel degelijk
deze goede eigenschap bezit.
Door het bovenopgesomde zou men den indruk krijgen, dat den dajak
louter meer of minder goede eigenschappen werden toegeschreven. Thans
zijn de minder goede aan de beurt. Hij is bedelzuchtig in hooge
mate. Bij bezoek aan kampongs ligt den vrouwen en kinderen het
makè-makè (= vragen om allerlei voorwerpen) in den mond bestorven,
terwijl zij er liefst zoo weinig mogelijk of in het geheel niets
voor terug willen geven. Stelt men voor een of ander te ruilen, dan
wordt eerst nauwkeurig onderzocht of het voordeel aan hun zijde is,
zoo niet, dan wordt de ruil geweigerd. Sommigen beweren, dat dit in
verband zou staan met hun chineesche afkomst.
Trouwens bij de Papoea's in Centraal Nieuw-Guinee trof ik later
hetzelfde verschijnsel aan, in nog erger mate misschien. Ook dezen
weigerden beslist door het ophalen van een schouder of door het maken
van een pruttelend geluid met den mond, een ruil, welken zij niet in
hun voordeel vonden.
Vooral de dames in een dajakkampong zijn er altijd op uit om naalden,
kralen, spiegeltjes en dergelijke voorwerpen te vragen, maar heeft
men er eene iets gegeven, dan staan er binnen korten tijd velen even
begeerig klaar; op den duur is dit hinderlijk en er werd dan ook een
einde aan gemaakt, door aan het hoofd en zijn gezin eenige voorwerpen
aan te bieden voor de genoten gastvrijheid. Trouwens bij eene weigering
op hun verzoeken voelen zij zich in het geheel niet ontsticht.
In tegenstelling met de dapperheid van den dajak, die ons uit onze
jeugdjaren is bijgebleven, is hij integendeel zeer laf, dikwijls
wreed en onverdraagzaam. Nooit zal hij zijn vijand,--we wezen daarop
reeds--wiens schedel hij begeert, in een openlijken strijd te lijf
gaan. Vanuit een hinderlaag wordt deze bepijld en het weerlooze
slachtoffer geveld. Voor sterkere stammen legt hij dadelijk het hoofd
in den schoot en een eenigszins bruusk optredend hoofd kan zeker van
invloed zijn. Wel zal hij tegen flinke persoonlijkheden lijdelijk
verzet toonen, de kampong verlaten en een scheuring trachten te
veroorzaken--het ontstaan van zoovele dajaksche gehuchten en gehuchtjes
vindt daarin zijn oorsprong,--maar daarbij bepaalt zich dan ook
zijn geheele optreden. Evenals bij de Papoea's kan één vreesachtige
een geheelen troep op de vlucht jagen of angstig maken. Toen mijn
reisjongen--we waren nabij de Serawaksche grens gekampeerd--voor de
grap uitriep "daar komen de Hebans," wetend hoe bang ze voor dezen
stam zijn, zaten allen in zak en asch en wilden, hoewel gewapend,
vluchten, hetgeen ik echter spoedig voorkwam, door hun te vertellen,
hoe ze zich hadden laten beetnemen.
Een slechte eigenschap nog, welke den hoofden meer in het bijzonder
aankleeft, is onrechtvaardigheid tegenover hun kamponggenooten. Een
vriend of familielid zal worden geholpen, ook al misdoet hij nog zoo
ernstig, terwijl een ander geen goed kan doen. Dit is trouwens eene
eigenschap van inlandsche hoofden in het algemeen.
Vermelden we nog, dat de dajak verzot is op spel en hanengevechten
met de slechte gevolgen daaraan verbonden, dat hij is leugenachtig en
egoïst, dan is hiermede de rij zijner slechte eigenschappen afgesloten.
Toch is de dajak in weerwil van de erkenning zijner fouten mij
zeer sympathiek en wat mij persoonlijk aangaat zal ik hem steeds
in dankbare herinnering houden voor het vele goede, wat ik van zijne
zijde ondervond. Dat de dajak dan ook--zooals sommige ambtenaren zouden
willen--hoe eerder hoe liever van het aardrijk dient te verdwijnen,
is eene bewering, die ik niet gaarne zou onderschrijven.
En ten slotte: vertoonen ook wij im groszen und ganzen niet dezelfde
eigenschappen, al zijn ze met een vernisje overgoten? Zijn ook in den
grond der zaak de dajaks--al zijn ze in veel primitiever omstandigheden
grootgebracht dan wij--niet menschen zooals wij zelven?
IN APO KAJAN.
Midden in het hart van Borneo ligt in eenzame afzondering, ver
van alle beschaving, een klein gebied, Apo Kajan, omvattend het
brongebied van de Kajan of Boeloenganrivier. Het zal de grootte
hebben van een vierde gedeelte van ons land ongeveer, te zamen de
provinciën Friesland, Groningen en Drente, terwijl het aantal zijner
bewoners ongeveer 15000 zal bedragen. Het wordt bewoond door stammen,
welke allen behooren tot den bekenden stam der Kenja's, behalve de
kampong Ma Leken, welke door Kajans bewoond wordt.
De voornaamste stammen zijn die der Oema Tau, welke thans--vroeger
waren dit de Oema Timei--de hegemonie voeren, Ma Koelit e.a., allen
flinke, goed ontwikkelde mannen en vrouwen, die vroolijk hun leven
leven op de schoongelegen hoogvlakte van de machtige Kajanrivier.
Apo Kajan vertoont een geheel anderen aanblik dan het boven
Mahakamgebied. Is daar alles ruw en bergachtig, het eerstgenoemde
gebied maakt meer een vlakken indruk, hier en daar schitterende
vergezichten aanbiedend, met jongere boschformatie. Men kan zien,
dat jaren en jaren achtereen hier roofbouw is gepleegd, waardoor het
zware bosch werd uitgeroeid en het aspect geheel veranderde.
De Kenja is dan ook een ijverig ladang-bebouwer, ijveriger in het
algemeen dan de Bahau van de Mahakam. De Kenja leeft in het algemeen
in een heerlijk koel klimaat--Apo Kajan ligt ongeveer op 7 à 800
meter--terwijl van moesons door de nabijheid van den evenaar weinig
valt te bespeuren.
Thans moge in het kort volgen de levensloop van een dajak, van de
geboorte tot den dood.
Voordat de jeugdige dajak het levenslicht aanschouwd heeft, hebben de
toekomstige ouders zich reeds aan vele adatregelingen te onderwerpen,
welke met nauwgezetheid worden nagevolgd. Zoo is het der moeder
verboden een natuurlijken dood gestorven, evenmin als al te jeugdige
dieren te eten, evenals verschillende bepaaldelijk voorgeschreven
vruchten. Ook zal een zorgzaam huisvader niet op jacht gaan of ander
ruw werk verrichten, als slaan, snijden, e.d., wat de ziel van het
ongeboren wichtje zou kunnen schaden. In de Tidoengsche landen legt
bij het zwanger worden van het eerste kind de vrouw alle sieraden af,
behalve de armbanden; deze mogen niet meer gedragen worden en van haar
man krijgt zij later nieuwe sieraden. Al spoedig begint de vrouw haar
lichaam te bedekken; bij de Tinggalans wordt de rotanband, dien ze
om haar lichaam droeg als bewijs van haar maagdschap, verbroken. 's
Nachts mag de toekomstige moeder gedurende een regenbui niet slapen;
evenmin mag bij sommige stammen de man dit doen. Zoo hebben de
aanstaande ouders reeds verschillende voorzorgen te nemen, welke
ons niet vreemd in de ooren klinken, daar ze ook in ons volksgeloof
nog voortleven. Zoo gelooft men bij ons nog wel dat eene zwangere
vrouw zorgvuldig zal hebben te waken tegen het plotseling zien van
iets leelijks of mismaakts, waardoor de vrucht benadeeld zou kunnen
worden. Schrikt de aanstaande moeder voor een haas en legt ze daarbij
de hand aan den mond, zoo krijgt het kind een hazenlip; ontstelt
ze door het vuur, dan krijgt de kleine een vlek op den arm. Om de
vervulling niet tegen te houden, werden gedurende het baren alle
sloten van deuren en kisten losgemaakt en andere dergelijke in ons
volksgeloof voortlevende voorzorgsmaatregelen, welke dienen om het
ongeboren wichtje niet te schaden.
Bij de bevalling mogen geene mannen tegenwoordig zijn; tijdig worden
deze verwijderd evenals alle ijzeren en snijdende voorwerpen uit de
kamer worden weggenomen. Is het kind ter wereld gekomen, dan wordt de
navelstreng, na afgebonden te zijn, met een zwaard afgesneden. Dit
zwaard mag nooit verkocht worden en wordt in de familie zorgvuldig
bewaard. De nageboorte wordt in het bosch geworpen en verdwijnt
daar vanzelf. In de Tidoengsche landen wordt de navelstreng boven de
slaapplaats der kinderen opgehangen, terwijl de nageboorte aan een
boom buiten de kampong wordt opgehangen, waarnaar tijdens het naar
huis terugkeeren niet mag worden omgekeken.
Daar de vrouwen, in het kraambed gestorven, een oneervolle begrafenis
erlangen, behoeft het geen betoog, dat deze ure met angst en zorg
wordt verbeid en is het dus begrijpelijk, dat, zooals vooral in de
Tidoengsche landen geschiedt, de vrouw naar middelen omziet om de
vrucht te verwijderen. Men maakt daar gebruik van het z.g. "pilajoen",
gemaakt uit een houtsoort, welke fijngestampt, geroosterd en daarna
door het eten gemengd en naar het schijnt met succes gebruikt wordt.
Bij de Bahau en Kenja is het wel gebruikelijk, dat, wanneer de moeder
bij de geboorte sterft of zwaar ziek wordt, de vader het kind in het
bosch te vondeling legt; het wordt echter dikwijls opgenomen en door
anderen opgevoed.
Onmiddellijk na de geboorte en de plaats gehad hebbende reiniging,
worden de oorlellen door een oude vrouw met scherpe bamboestokjes
doorstoken. Deze stokjes blijven in de wonde steken tot deze genezen
is en worden daarna door tinnen ringen vervangen, welke het jonge
weefsel uitrekken. Hoe ver dit soms gaat, moge blijken uit de afb. op
den omslag; aan weerszijden hangen in het oor tientallen ringen,
welke een gewicht van enkele ponden vertegenwoordigen. Hoe langer de
oorlellen, hoe chiquer!
Al spoedig krijgt het jonge kind een armband, gemaakt van kleine
vruchtjes, welke dient om de booze geesten af te schrikken. Deze
wordt na het afvallen van de navelstreng vervangen door een tweede
en na een maand nogmaals door een derde en wel ter gelegenheid
van de naamgeving. De gebruikte banden worden door de moeder om
den hals gedragen en later, nadat de verbodstijden voorbij zijn,
aan het kinderdraagmandje opgehangen. Aan deze draagmandjes zijn
de dajaks zeer gehecht, omdat ze meenen, dat de ziel van het kind
daarmede verbonden is en deze meermalen daarin woont. Het is dan ook
onmogelijk een dergelijk voorwerp te bemachtigen, tenzij het speciaal
wordt aangemaakt en het dus niet werkelijk in gebruik is geweest.
De dajaksche moeder is innig gelukkig met haar jongstgeborene en
zij stelt er den hoogsten prijs op, haar kind zelve te voeden; met
innig welbehagen kan ze haar kleintje koesteren en verblijdt zich
zichtbaar, dat ze niet kinderloos is gebleven, het treurigste, dat
ze zich denken kan.
Bij de Bataks wordt de jonggehuwde vrouw toegewenscht, dat zij 13
zonen en 17 dochters moge voortbrengen. Dit zou ook voor dajaks kunnen
gelden, want ook deze wenschen zich vele kinderen, maar vooral vele
dochters. De jonge mannen toch verlaten de ouders, wanneer ze huwen of
lange tochten ondernemen, de dochters echter helpen gedurende haar
geheele leven bij den arbeid en brengen bovendien een schoonzoon
in huis.
Een maand na de geboorte, eindigt de eerste en strengste verbodstijd;
dit is tijdens de eerste naamgeving. De vrouw mag dan binnenshuis
wederom allerlei bezigheden verrichten. Na enkele maanden heeft
de echte naamgeving plaats. Na offers gebracht te hebben, begeeft
de moeder met haar kindje zich naar het huis van het hoofd, dat de
voetjes van den jongen wereldburger wascht en hem een naam geeft. Is
een kind dikwijls ziek, dan gebeurt het wel, dat de naam nog eens
veranderd wordt om de geesten om den tuin te leiden.
De dajaksche moeder--ik nam dit meermalen waar--is zeer bevreesd, dat
een vreemdeling haar kind zal naderen. In Apo Kajan vertelde men wel,
dat europeanen soms de kinderen opaten en bij de Poenans mag zelfs
niemand een kind aanraken, die hun taal niet verstaat. Bij de Kajans
brengt iedere vreemdeling bij zijn bezoek iets voor de kleinen mee,
waarschijnlijk om de ziel van het kind niet te verschrikken en zoo
dit reeds geschied mocht zijn, deze weer tot rust te brengen.
Eerst na de tweede naamgeving mogen de kinderen, die tot nu toe geheel
naakt moesten zijn, door de moeder versierd worden.
Zoo groeit de jonge dajak vrijelijk op, omgeven door de innige liefde
van zijn ouders. Het dajakkind is het middelpunt van het dajakgezin en
in zijn prille jeugd mag hij zich geheel aan het spel en zijn genoegens
overgeven, door niemand gehinderd. Reeds spoedig is hij op het erf,
zoowel als in het water van de rivier, thuis. Hij houdt wedrennen
met zijn makkers, zwemt en plast in het water, speelt met den tol en
oefent zich in het schieten met de blaaspijp. Een genoeglijker jeugd
als die van een jongen dajak kan men zich niet voorstellen!
Onder zeer jonge kinderen spelen jongens en meisjes nog wild dooreen,
maar spoedig moeten de laatsten al een weinig in het huishouden
helpen, terwijl de jongens van hun tiende jaar af ongeveer op de
ladangs medewerken of helpen bij den bouw van prauwen.