bij Nieuwenhuis genoemde Long Bagoen bestaat niet meer--waar we een
oogenblik spraken met het vriendelijke hoofd Hau Adjang en zijn vrouw,
kwamen we den 25sten October--we waren den 16den te voren van Long
Iram vertrokken--voor de geweldige kiham Halo (= vreemdeling) en daar
we reeds een zwaren dag achter den rug hadden en deze kiham ons veel
moeilijkheden zou bezorgen, besloten we niet verder te gaan, maar een
bivak te betrekken aan den voet van dezen steenkolos, vanwaar uit we
uitzicht hadden op den ingang daarvan. De versnellingen beginnen hier
en zetten in met de geweldigste van alle stroomversnellingen, die ik
ooit zag, behalve dan de Bem Brem in de Kajan of Boeloenganrivier,
die onoverkomelijk is.
Bij de kiham Halo is het bovendien bezwaarlijk te voet langs den oever
te gaan, daar de wanden zeer hoog en steil zijn en het gaan daarlangs
ons ettelijke uren zou hebben opgehouden. Toch blijft een prauwentocht
daardoor zwaar en gevaarlijk. Door de genie is een kabel aangebracht
langs den rechteroever; daar deze echter slechts voor een bepaalden
waterstand dienst kan doen, heeft deze weinig nut. Elk oogenblik toch
verandert de waterstand, zoodat soms deze kabel diep onder water ligt
of--zooals bij ons--hoog boven onze hoofden uitstak.
Den volgenden morgen vroeg aanvaardden we den tocht met goeden
waterstand. Hier zagen we voor het eerst onze dajaks in volle actie;
prachtig was het te zien hoe handig ze van hun haken of gaits
wisten gebruik te maken. Ieder gaatje in de kolossale steenmassa
zagen ze; hieraan werden we hortend en stootend voortgerukt, terwijl
onze roerganger ons prauwtje--rank in vergelijking met de massieve
steenblokken--tegen de steenen aangedrukt hield. Joelend en gillend
gingen we--hoewel langzaam--vooruit. Een enkele maal gebeurde het,
dat de voorman de prauw met zijn haak niet kon houden, daar deze op
de gladde steenen uitgleed. We werden dan door den slechts enkele
meters breeden, snelvlietenden stroom teruggejaagd, maar dadelijk
zorgde de achterman, dat we weer tegen de rotsen werden aangedrukt,
terwijl op hetzelfde oogenblik drie, vier man voor hun gaits weer
een aanhechtingspunt hadden gevonden. Soms ook kwamen we voor een
vooruitstekend punt, wat dubbele moeilijkheden gaf; de stroom gleed ons
hier dubbel zoo snel voorbij, maar toch wisten ze ons ook hier voorbij
te krijgen, al moesten dikke rotans ons ook te hulp komen. Bleek het
punt te gevaarlijk of te lastig te passeeren, dan moesten we trachten
aan den anderen kant meer succes te hebben. Daarvoor moesten we dan den
stroom oversteken, wat dikwijls met levensgevaar gepaard gaat. Geen
oogenblik werden de roeiers in deze versnelling met rust gelaten,
geen oogenblik mochten ze zorgeloos zijn of het kon enkelen onzer
het leven kosten. Valt men in dezen bruisenden stroom, dan is geen
redding mogelijk; zwemmen is ondoenlijk, terwijl men dadelijk tegen
de steenen te pletter geslagen zou worden. Zoo viel indertijd in mijn
vroegere onderafdeeling Semangka, Lampongsche districten, controleur
Sanders in de bandjirrende Way Djelai. Geen seconde daarna was hij
tegen de steenen te pletter geslagen. En hoeveel geweldiger nog zijn
Borneo's rivieren!
Eindelijk na drie uren zware inspanning bereikten we het hoofd van de
versnelling; drie uren van hard werken voor de roeiers waren voorbij
en een zucht van verlichting ging op. Een korte rust was welverdiend,
temeer daar we de overige prauwen toch moesten afwachten om te zien of
ze er alle veilig doorheen gekomen waren. Hiermede waren eenige uren
gemoeid, maar alles liep gelukkig zonder ongelukken af, zoodat we,
nadat we gegeten hadden, weer verder konden trekken.
Onmiddellijk na de versnelling, eigenlijk eene vernauwing van de
rivier met hooge rotswanden, verandert het terrein van vorm. De oevers
worden veel lager, het water wordt rustiger en nadat we eenige uren
aldus hadden doorgereisd, bereikten we de kiham Oedang, aan den voet
waarvan we na dezen zwaren dag van inspanning, in bivak gingen. De
mannen hadden het wel verdiend!
Deze kiham Oedang is geheel anders dan de Halo; zij bestaat uit een
eenige meters hooge verheffing van het terrein, zoodat het onmogelijk
is met de prauwen daar doorheen te varen. Thans komen de dajaks weer
in volle actie. Alle goederen worden uit de prauw op de rotsen gezet
en vandaar naar het hoofd van de versnelling gebracht. Ieder zorgt
voor den inhoud van zijn eigen prauw en het is ongelooflijk hoe
netjes de goederen aan de bovenzijde bij elkaar worden gezet. Voor
ons lijkt dit een chaos, maar als men er zich maar niet mee bemoeit,
komt alles prachtig in orde. De dajak vertoont zich hier in al zijn
lichtheid en beweeglijkheid. Zelfs de awet, het eenige kleedingstuk,
wordt afgeworpen, omdat het hem thans overbodig is. Als een veertje
wipt hij met zware vrachten van den eenen op den anderen steen,
terwijl de hoofdman op een verheven rotspunt alles overziet, zijn
bevelen geeft of eventueel zelf ingrijpt. Zoo loopen ze lachend en
pratend tientallen malen heen en weer, totdat alles naar boven is
gebracht. Wij wachten intusschen rustig af; geen oogenblik bevangt
verveling ons te midden van deze levendige opgewektheid.
Zijn de goederen eenmaal boven, dan zijn de prauwen zelf aan de
beurt. Het is niet altijd mogelijk deze door het water naar boven
te halen; dikwijls moeten zij bijna loodrecht uit het water worden
opgeheven, goed vastgehouden aan de dikke rotanlijnen die de mannen
stevig in de hand houden; anderen trekken aan de zijwanden of duwen
zoo er een rotspunt is, waarop ze kunnen staan, de prauw van onderen
met hun schouders op. Onder luid gejoel vordert deze dan ook spoedig,
wordt vervolgens over de steenen voortgesleept en aan de bovenzijde
weer te water gelaten. Thans moeten alle goederen weer ingeladen
worden en zóó gelegd, dat ze de vaart niet bemoeilijken. Na eenige
uren lagen alle prauwen gereed en konden we weer instappen om de
reis voort te zetten en nadat we nog den kiham Wong en Batoe Berang
waren doorgegaan, die overigens weinig moeilijkheden veroorzaakten,
bereikten we weer kalm water en konden onze wakkere mannen het zich
weer wat gemakkelijker maken. Wij genoten hier van de prachtige
vergezichten op de Batoe Ajoe, steile, hoog verheven kalkrotsen. Als
oude middeleeuwsche kasteelen verhieven ze zich trotsch ten hemel.
Vlak na de bovengenoemde versnellingen voeren we voorbij het gehucht
Long Oemawok, een onderhoorigheid van Bang Djoek en na een genoeglijke
vaart, daar de rivier hier gemakkelijk te bevaren is, bereikten we
diens dorp Batoe Kelaoe, een flinke Long Glatkampong. Bang Djoek werd
dadelijk geroepen en keurig in het zwart gekleed, ontving hij ons in
zijn ruim, flink gebouwd huis, hetwelk hij een jaar of 10 geleden,
dus na het verblijf van Nieuwenhuis, liet bouwen. Hij woonde toen
ook nog niet in deze kampong, maar in het een weinig benedenstrooms
gelegen Long Dehò. In de hand hield hij een stok met gouden knop,
versierd met het nederlandsche wapen, als teeken van zijne waardigheid,
waarop hij niet weinig trotsch was. Hij vertelde ons, dat hij dien
indertijd van dr. Nieuwenhuis had gekregen.
Den 29sten October verlieten we Batoe Kelaoe om den steven te richten
naar Long Bakoeng, een vivresdepôt op den weg van Long Iram naar Long
Nawang, waar we den volgenden dag tegen den middag aankwamen. We hebben
dan de eigenlijke Mahakamrivier reeds verlaten en zijn aangekomen
in de Soengei Boh. Dit is het gebied, waar Nieuwenhuis maanden lang
vertoefde en menig verhaal kreeg ik uit dien goeden, ouden tijd te
hooren, dat gouden tijdperk, toen elk plantje, elk diertje een linggit
(rijksdaalder) opbracht. Nieuwenhuis stond onder hen bekend als
een goed woudlooper, driemalen had hij den Batoe Ajoe beklommen! Het
vischschieten met bommen leverde toen overvloed van visch. Oemar, mijn
tolk, toen nog een kleine jongen, had hem meermalen ontmoet en hij zou
het heerlijk vinden den "toean dokton" nog eens terug te zien. Ik van
mijn kant moest vertellen, waar de toean nu was en ik steeg werkelijk
in hun achting, toen ik mededeelde hem persoonlijk te kennen.
In Long Bakoeng werden onze vivres wat aangevuld en reeds dachten we
den volgenden dag verder te trekken, toen Nang, het dajakhoofd ons
kwam melden, dat met dezen waterstand de moeilijkheden die voor ons
lagen, niet te overwinnen waren en dat hij ons aanried niet af te
varen. Daar we er echter niet veel voor voelden om hier te blijven,
zouden we toch maar trachten verder te gaan en hoewel met tegenzin
werd hieraan voldaan, maar niet dan nadat Nang ons verzekerd had
de verantwoordelijkheid niet te willen dragen. En hij bleek gelijk
te hebben! Er gingen dien dag drie prauwen verloren, de eerste,
terwijl we nog niet ver van Long Bakoeng verwijderd waren. Juist
kwam ik met mijn prauw aan, toen we een hoek omvarend, zagen wat
er gaande was. De afdrijvende goederen kwamen ons reeds tegemoet,
die voorzoover mogelijk, opgepikt werden. Het was een gejoel en
geschreeuw om te redden, wat er nog te redden viel, maar met hoeveel
inspanning er ook gewerkt werd, het mocht niet baten. De voorhoede van
het prauwentransport was intusschen vooruitgegaan, maar daar ook zij
vele moeilijkheden ondervonden, was ze dicht bij den kiham Hoeloe in
bivak gegaan. Het was onmogelijk met dezen waterstand verder te gaan;
daar wij door de ongelukken nog moeizamer vooruitgingen, hadden wij
meer benedenstrooms een bivak betrokken, eenige kilometers slechts
van Long Bakoeng verwijderd.
Den volgenden dag dachten we niet aan verder gaan, maar terwijl we
geduldig zaten te wachten, ging ons plotseling het transport voorbij,
maar nu naar beneden varend. Luitenant Simons, die voorzag, dat we
waarschijnlijk meerdere dagen door het water vastgehouden zouden
worden, oordeelde het beter dit oponthoud door te brengen te Long
Bakoeng, waar een behoorlijk officiersverblijf bestond en waar we ons
geriefelijker konden inrichten. Ik was met dezelfde gedachte bezield
en sloot me dus onmiddellijk aan. En zoo bevonden we ons den volgenden
dag weer te Long Bakoeng, waar we nog vier dagen werden opgehouden,
vier dagen welke we moesten trachten zoo goed mogelijk te verduwen. De
dajaks echter weten zich wel altijd bezig te houden, hetzij met het
herstellen van hun prauwen, met het vlechten van rotan, het snijden
van houten en beenen voorwerpen, hetzij met jagen en visschen, zoodat
een oponthoud hun meestal niet veel zorgen baart. Toch is het hun niet
aangenaam langen tijd op ééne plaats stil te liggen. Voor afwisseling
werd er 's avonds ook wel geworsteld. In het boek van Nieuwenhuis vindt
men daarvan in deel II een foto (taf. 13). Het is prachtig, de fijne,
bronsgekleurde lichamen zich te zien kronkelen. De omstanders zien
vol belangstelling toe, sporen aan, juichen toe of lachen uit. Het
bleef voor ons steeds weer een animeerend schouwspel.
Maar ook aan dit gedwongen verblijf kwam een einde en den zesden
November konden we weer vertrekken. Een moeilijk gedeelte stond
ons nog te wachten, maar het water was vrij gunstig, zoodat we
's morgens negen uur al het punt konden passeeren, waar luitenant
Simons den eersten keer had gebivakkeerd en over welk traject hij toen
den geheelen dag gedaan had. Dit was vlak bij de Soengei Belabau (=
muis) tot welk punt--hoogerop worden ze zeer zeldzaam--de z.g. batoe
Boh of bohsteenen gevonden worden. Dit is een bepaald soort steen,
welke alleen hier voorkomt en gretig door de dajaks wordt gezocht
als versiering voor hun mandau's na ze met een stuk metaal gespleten
en daarna in allerlei vormen geslepen te hebben. Het zijn donkere
steenen met witte vlekken, welke er uit zien als stukjes spek in een
worst. Volgens den dajak leeft het witte gedeelte van deze steenen. Het
zijn waarschijnlijk fossielen van weekdiertjes, een bewijs, dat Borneo
indertijd onder de zee-oppervlakte heeft gelegen. Een dergelijk soort
steen schijnt in de Alpen in grooten getale voor te komen.
Verder voortvarend bereikten we om 12 uur 's middags den geweldigen
kiham Oeloeasoe, bestaande uit drie zware gedeelten, welke we hadden te
passeeren. Gelukkig voert er langs de versnelling een behoorlijk pad,
zoodat wij de prauwen verlieten en na een half uur loopens ongeveer
het uiterste einde bereikten, waar het water veilig en rustig was. Het
passeeren kostte echter zooveel tijd, dat we besloten aan de kepala
kiham te gaan bivakkeeren, omdat eene geschikte plaats daarvoor werd
gevonden; door het zware water moesten we daar ook den volgenden dag
nog blijven. Dat deze versnelling gevaarlijk is, moge blijken uit de
mededeeling, dat op deze plek de graven zijn van 10 soldaten, die
bij het naar beneden gaan, verdronken. Het verhaal moge overdreven
zijn, een feit is, dat verschillende lieden, ook dajaks, hier den
dood vonden.
Den achtsten November wachtte ons weer een zware dag. De kiham batoe
bela (= rood) dreigde ons met dood en verderf. Deze versnelling
is kort, maar moeilijk te passeeren; groote rotsblokken verheffen
zich meters hoog, midden in den stroom en hoewel het laag water was,
kookte en bruiste het met geweld. Langs den steilen wand was het haast
niet mogelijk eenig houvast te krijgen, terwijl we éénmaal midden
in den sterken stroom werden gedreven, opgeheven door eene hooge
opborreling van het water. Het oogenblik was kritiek, maar gelukkig
trok Oemar boven op den steen staande de rotanlijn weer aan, zoodat
hij den toestand wist te redden. Een oogenblik van onbedachtzaamheid
en onoplettendheid had de inzittenden zeker doen verdrinken. Op
zulke oogenblikken, waarin ons leven in handen van deze eenvoudige
menschen is, krijgt men eerbied en genegenheid voor hen. Met weinig
tevreden, den geheelen dag hard werkend, 's nachts op een slecht bed
slapend, zijn ze vol toewijding voor ons en een ongeluk, een europeaan
overkomen, is voor hen een schande. Zijn er goederen verloren gegaan,
dan zijn ze daarover dagen lang beschaamd.
Den volgenden dag zouden we de Boh verlaten en de Ogah bereiken. Het
terrein wordt hier echt bergachtig, de stroom is woest en snelvlietend,
terwijl de rivierbedding bezaaid is met steenen en een gevaar
oplevert voor de prauwen niet alleen, maar ook het roeien ten
zeerste bemoeilijkt. Voor de medereizigers is het dan ook met de rust
gedaan. Men wordt dooreengeworpen van links naar rechts, zoodat het
een verluchting is, wanneer men 's middags de prauw kan verwisselen
met het bivak, waar men voor het gevoel nog langen tijd naschommelt. 's
Avonds kregen we een geweldig onweer, gepaard gaande met hevige regens,
waardoor het onschuldige beekje, waarlangs we gelegerd waren, in een
kwartier tijds in een ziedenden stroom veranderde.
We dachten er reeds over onze goederen in veiligheid te brengen,
toen de regen ophield en daardoor tevens de laatste oogenblikken
van ons beekje geteld waren. Blijkbaar had het in de bovengebieden
niet geregend, zoodat we den volgenden dag met prachtig weer
konden doorvaren. Hoe hooger men komt, des te schitterender de
riviergezichten, maar van varen kan men eigenlijk niet meer spreken,
veeleer is het trekken, rukken en duwen om de prauwen door het ondiepe
water en over de steenen voorwaarts te krijgen, tegengehouden door
den sterken stroom. Toch bereikten we dien dag nog de Temaha, waar we
op een zeer steile plaats een bivak betrokken. Op deze riviergedeelten
kost het dikwijls de grootste moeite een behoorlijke plaats daarvoor te
vinden. Bij de monding is de Temaha nog vrij breed, maar reeds spoedig
daarna is ze slechts ongeveer 10 meter breed en blijft dan voortdurend
smal, ligt vol steenen en kronkelt geweldig. Men bevindt zich tusschen
hooge wanden, waarboven de toppen der boomen elkaar soms raken.
De 13e November zou ons wederom voor nieuwe moeilijkheden brengen
en wel bij de moeilijke kiham Boerak (= dajaksche sterke drank),
welke niet door te trekken was, zoodat alle goederen uitgeladen en
zelfs de prauwen over de steenen gesleurd moesten worden. Tot vlak
voor de kiham vernauwt de rivier zich tot op twee meter met steile,
hooge wanden, daarna weer eene verbreeding in den vorm van een kom,
waar men het bruisen van de waterstortingen reeds hoort. Naar boven
klimmend heeft men eerst een goeden kijk op het woelende, borrelende,
neerstortende water. De versnelling is niet lang en er loopt een zeer
bruikbaar pad van enkele minuten langs. Het was werkelijk opwekkend
de dajaks hier wederom in actie te zien; de prauwen moesten bijna
loodrecht uit het water opgeheven worden. De rivier vertoont hier
allerlei buitensporige vormen; met weinig uitzonderingen zijn de oevers
overal tot 50 à 100 M. hoog, terwijl het langs de kale rotsen dikwijls
zeer moeilijk is vooruit te komen. Hier en daar waant men te varen
door onderaardsche holen, waarvan de wanden allerlei schoongevormde
nissen bevatten, zoodat men den indruk krijgt door een crematorium
te varen. Toch mocht het ons steeds gelukken een bivakplaats te
vinden, al gaf dit dikwijls heel wat hoofdbrekens en al kregen we
's nachts--we konden wegens afwezigheid van muskieten steeds zonder
klamboe slapen--dikwijls bezoek van allerlei griezelige dieren;
eens zelfs nestelde een kikvorsch zich op mijn gezicht. Later op
mijn tocht naar Nieuw-Guinee moesten we steeds van de klamboe gebruik
maken wegens het ontzettende aantal anophelinen.
Van het eene boschbivak trokken we naar het andere; na de Moeara
Troeno trokken we den 15en November door naar de Soengei Saripa. Een
afschuwelijk gedeelte moest dien dag worden afgelegd; de eene kiham
volgde op de andere; langs de steile, glibberige wanden, tot welke
het zonlicht nooit toegang kreeg, was geen plaats voor de roeiers
om hun voeten neer te zetten, terwijl ook de tekèns bijna nergens
houvast kregen. Het was een zeer zwaar gedeelte en nauwelijks was
men de woelingen van een bepaald gedeelte door of men kreeg weer
iets anders, dikwijls erger dan het vorige. Blijde was men, na zulk
een gedeelte achter den rug te hebben, wederom vlak water voor zich
te zien; maar de vreugde was van korten duur; voortdurend werden we
van Scylla naar Charibdis gedreven en het scheelde dan ook weinig of
van mijn voorraadprauwen was één geheel verloren gegaan. In een der
versnellingen stond mijn prauw plotseling boven op een steen te midden
van het bruisend gewoel, terwijl ze groote neiging vertoonde om te
vallen; ze wankelde geweldig. Gelukkig echter schoten andere prauwen
toe, zoodat de mijne wat ontlast en zonder gevaar voor kantelen weer
in het vrije water gelaten kon worden. Ze was reeds half vol water
geloopen, maar kwam plotseling met een ruk vrij.
Na het bivak aan de Soengei Saripa werd een ander betrokken aan de
Naha Klebit (= grintplaat der schilden). Dit gedeelte was al even
onaangenaam en zwaar als dat van den vorigen dag. De kiham Tadjau
(= dajaksche martavaan of tempajan) hadden we te nemen, een vrij
lange, zeer zware versnelling, waar het niet mogelijk was door de
gesteldheid van het terrein de goederen uit te laden. Eigenlijk is het
een combinatie van verschillende versnellingen, die ieder op zichzelf
reeds vele moeilijkheden boden en waarbij wederom bijna een mijner
voorraadprauwen verloren ging. Maar gelukkig wisten de handige roeiers
en mijn "tangan dingin" of gelukshand mij voor dit onheil te bewaren.
Eindelijk echter zouden de bezoekingen aan deze zijde van Apo Kajan
ophouden en met dit blijde vooruitzicht voor oogen legden wij het
laatste gedeelte af tot aan de Tagaharoek Mesai, welke rivier we dezen
dag bereikten, zoodat alleen nog het scheidingsgebergte ons van het
boven Kajangebied scheidde. Maar al was dit het laatste gedeelte
voorloopig, eene marteling was het tevens. De rivier wordt hier
zeer smal, vol steen en en boomstammen, welke steeds veel oponthoud
veroorzaken. De kiham Batoe Pelakau hadden we nog te passeeren,
een korte, maar zeer lastige versnelling en eigenlijk uit niets
bestaande dan eene verzameling rotsblokken, door de open ruimten
waarvan het water met geweldige kracht wordt voortgedreven. Driemaal
moesten de goederen worden uitgeladen, maar eindelijk kwamen we met
prauwen, waarvan niet veel meer over was en die een dergelijke vaart
misschien geen twee dagen meer hadden uitgehouden, aan den voet van
het scheidingsgebergte aan, waar een flinke koeboe of logeerhuis
is opgericht.
Zoo hadden we dan na veel moeite den eersten mijlpaal op onzen weg
na 4 weken ongeveer bereikt, zoodat een flinke rust wel gemotiveerd
was, temeer daar we de rest van het transport, dat in dergelijke
omstandigheden steeds uiteengerukt wordt, wilden inwachten.
Den volgenden dag arriveerde de leider, luitenant Simons, die
reeds dadelijk een aanvang maakte met het overbrengen der goederen
over de waterscheiding, nadat de post met enkele dajaks vooruit was
gezonden. Daar de dragers meerdere malen moesten loopen, besloten wij
met de laatste bezending mede te gaan. Zoo vertrokken we dan den 21en
November, na de prauwen te hebben achtergelaten. Aan de overzijde
der bergen zouden we door de goede zorgen van den gezaghebber van
Apo Kajan nieuwe vinden en zoo zouden we dan nu na een maand in de
prauwen gezeten te hebben de klauterpartij aanvangen, welke trouwens
slechts enkele uren zou duren, maar door het langdurig, gedwongen
stilzitten in de prauwen toch zeer zwaar werd.
Aan de overzijde van de Mesai begint het voetpad; na het overtrekken
van de rivier begint men reeds dadelijk eenige honderden meters te
stijgen, daarna wordt het terrein draaglijker, al is men voortdurend
met kleine afwisselingen stijgende. Midden in den weg ligt een bepaald
punt, Saupilan geheeten, waarheen dikwijls de goederen gebracht worden,
vanwaar uit ze dan--als alle daar verzameld zijn--verder worden
gebracht. Het pad was niet mooi, te slechter door den regen van de
laatste dagen. Hier en daar heeft men een mooi overzicht over het
omliggende terrein en men krijgt dan wel den indruk dat dit ongemeen
zwaar moet zijn.
Ongeveer 2 uur na Saupilan bereikt men reeds het oorsprongsgebied van
de Laja. De Kenja's uit Apo Kajan hebben hier verschillende teekens
aangebracht om te kennen te geven, dat hier de grens van hun gebied
is. De Laja, die zich straks in de groote Kajanrivier zal werpen, is
nu niet meer dan een poel, vol oud hout en steenen. Spoedig echter
komt er langs honderden wegjes meer water in, zoodat men reeds van
een beekje kan spreken. Soms volgt men een tijdlang de bedding van
de rivier, dan weer moet die verlaten worden, omdat ze zich van een
groote hoogte naar beneden stort. Telkens echter komt men na langeren
of korteren tijd weer in de bedding terug. Ze zit vol steenen en hout,
kris en kras dooreengewarreld, terwijl enkele vlakkere gedeelten
met fijne kiezelsteenen bedekt, daarin afwisseling brengen. Een
wandeling door zulke gedeelten is eene herademing na het geklim en
geklauter door de zwaardere rivierstukken, waar men nu eens van een
hoogte moet neerspringen, dan weer zich aan allerlei geïmproviseerde
rekstokken moet optrekken om het "pad" te kunnen volgen. Niet ver
van de koeboe Laja krijgt men nog een flinken klim. De dajaks hadden
hier een weg van boomstammen met inkepingen gemaakt, wat het gaan
heel wat vergemakkelijkte. Soms lagen deze langs de helling van een
steilen berg; doordat de boomstammen glad waren door regen en modder
waren deze niet weinig gevaarlijk en moesten we zeer op onze hoede
zijn. Onder en naast ons gaapte de afgrond, heel beneden in het dal
hoorden we een rivier klateren. Is men dit zware gedeelte voorbij,
dan komt men weer en nu voor het laatst aan de Laja en na deze
overgestoken te zijn, hebben we de koeboe aan de Tagaharoek Laja
bereikt, welke op een zeer gunstig punt gelegen is.
De rivier is hier al vrij breed, maar was bij den toenmaligen
waterstand zeer ondiep. Een bad in het heerlijke, heldere water deed
ons de moeilijkheden van den bergtocht, welke ongeveer 8 uur had
geduurd, vergeten. We bevonden ons toen dus reeds in het gebied van
den gezaghebber van Apo Kajan, waarover in het volgend hoofdstuk een
en ander gezegd zal worden.
's Avonds sliepen we heerlijk in ons landhuis, de temperatuur was
koel en 's morgens vroeg werden we al gewekt door het roehoegeroep
van de wawau, een soort aap.