teruggekeerd. Den Mahakam opvarend met 5 leerlingen van zijne
school, was hij het scheidingsgebergte overgetrokken, had aldus
Poetoes Sibau in de Westerafdeeling bereikt en was toen verder de
Kapoeas per stoomertje afgezakt naar Pontianak. Het verhaal klinkt
eenvoudig, maar voor wie Borneo kent, zullen de moeilijkheden van
een dergelijken tocht duidelijk zijn. De reis, welke ondernomen werd
om na te gaan of deze streek wellicht een arbeidsveld opleverde voor
de zending en tevens om verbinding te krijgen met de vestigingen in
de Westerafdeeling duurde ongeveer 1½ maand door het onherbergzame
binnenland. Wel is het reizen gemakkelijker dan een twintig jaar
geleden, toen dr. Nieuwenhuis "quer durch Borneo" trok; toen stond
men absoluut onbekend tegenover deze gebieden en de omstandigheden,
waaronder die tochten volbracht werden, waren heel wat moeilijker dan
thans, nu de kennis van die streken zooveel grooter is en de toestanden
zooveel meer geordend zijn. Na Müller, die in 1825 vermoord werd en
Molengraaff, die einde 19e eeuw veel studies in Centraal-Borneo maakte,
was het vooral prof. Nieuwenhuis, die de kennis van deze gebieden ten
zeerste verrijkte. Het bekende over die tochten geschreven werk zal
tientallen en tientallen van jaren de bron blijven voor hen, die eene
studie willen maken van deze gebieden. Het geheele denken en leven
van den dajak is met groote nauwkeurigheid beschreven. De journalen
van militaire patrouilles en verslagen van bestuursambtenaren verder
hebben ook veel ertoe bijgedragen deze gebieden nader tot ons te
brengen, maar de eenige bron is tot heden bovengenoemd werk gebleven,
speciaal voor de Mahakam en--hoewel minder uitgebreid--voor Apo Kajan;
de noordelijker gelegen gebieden zijn echter niet behandeld. In
Apo Kajan reisde nog in 1903 de controleur van Walchren, van wiens
hand een tijdschriftartikel verscheen en welke tocht uitvoeriger
werd beschreven door den toegevoegden medicus Tehupeiory in zijn
werkje: "Onder de dajaks van Centraal-Borneo", een zeer sympathiek
en leerzaam reisverhaal. Voor de taal is nog van belang het boek van
Barth. Merkwaardig is nog de reis van dr. Carl Lumholtz, een noorsch
onderzoekingsreiziger (van December 1915 tot Augustus 1916). Het doel
was de Barito op te varen, zijwaarts af te steken naar de noordelijke
zijrivier, de Boesang, om vervolgens de waterscheiding over te
gaan en aldus te komen in het Mahakamgebied. In zijn, naar Amerika
gezonden, 2000 woorden bevattend telegram, deed hij het voorkomen
alsof hij voor het eerst deze gebieden bezocht en dischte daarbij
allerlei bekende feiten als zoovele nieuwigheden op. Stellig heeft
hij--aldus prof. Niermeyer in de Telegraaf van 6 October 1916--aan
de mate van bekendheid met Borneo in Engeland, Amerika en in zijn
vaderland Noorwegen, gedacht, toen hij zijn telegram opstelde. De
reis langs de Barito was toch reeds in 1905 gedaan door den kapitein
van het indisch leger, J. J. Stolk, van wiens hand ook een artikel
daarover verscheen, waarvan de bijzonderheden overeenkomen met het
door Lumholtz medegedeelde.
Bij onze aankomst in Laham verkeerde de dajaksche gemeente in groote
vreeze voor eene aanstaande snelpartij, eene vrees, welke ieder jaar
schijnt terug te keeren. Er waren lieden aangekomen, die beweerden
in het bosch teekenen en sporen gezien te hebben, welke wezen op
eene aanstaande snelpartij, zoodat met groot genoegen werd gezien,
dat er een transport, begeleid door militairen, naar boven ging. Niet
alleen zijn ze bang voor een inval van Hebans uit Serawak, maar ook
van Kenja's uit Apo Kajan en zelfs van maleiers, van wie gezegd wordt,
dat ze elk jaar een kop noodig hebben voor den sultan van Koetei,
daar anders de grond geen petroleum meer zou leveren.
Het snellen is eigenlijk eene laffe bezigheid. Een dajak zal zijn
tegenstander nooit in een openlijken strijd neervellen; op de meest
laaghartige wijze wordt de vijand, hetzij man of vrouw of kind,
beslopen en vanuit zijn schuilplaats schiet de belager hem neer,
hetzij met een geweer, zoo hij dit heeft, hetzij met een soempitan,
waaruit een giftig pijltje wordt geblazen. Eerst wanneer de sneller
van uit zijn schuilplaats heeft gezien, dat zijn vijand werkelijk
weerloos is, komt hij naar buiten en slaat met zijn mandau het hoofd
van den romp. Meestal snelt een dajak onder naburige dajakstammen,
maar ook hoofden van andere inlanders zijn hem welkom; een europeaan
zal hij nooit snellen; de eenige europeaan, die in deze gebieden
is vermoord geworden, was Müller (1825), maar hierbij valt niet aan
eene snelpartij te denken. Hoewel snellen door ons gestraft wordt als
moord onder zeer verzachtende omstandigheden, is het toch eigenlijk
een heel ander begrip. Het komt waarschijnlijk uit de gedachte voort,
dat de sneller zich meester wil maken van de ziel van den verslagene,
welke voornamelijk in het hoofd zetelt, opdat deze een schutsgeest zij
voor den bezitter en tevens opdat deze eenen overledene dienaren en
slaven in het dajak-hiernamaals, het Apo Kesio, bezorge. Als zoenoffer
voor het vergoten bloed is het bij sommige dajakstammen gebruikelijk,
dat ze na een sneltocht een lok van het haar, eveneens zetel van de
ziel, de rivier doen afzakken.
Aanleiding tot snellen doet zich bij verschillende gelegenheden voor en
wel in de eerste plaats bij den dood van een hoofd. Deze schaamt zich
alléén in het Apo Kesio te komen en heeft dus één of meer gesnelde
koppen van noode. Tegenwoordig nog moeten voorzorgsmaatregelen
daartegen genomen worden. Zoo stierf in begin 1919 het dajakhoofd
Lian Toeran, zeer berucht wegens zijne vele snelpartijen. Ik bevond
mij toen juist in Poedjoengan en op het bericht van zijn dood ontbood
ik onmiddellijk zijn beide zoons, hield hun voor, dat ze geenszins op
sneltocht mochten gaan en dat ik hen eventueel zou verantwoordelijk
stellen en zwaar zou straffen. Hoewel men overal fluisterde, dat
er een groote wraaktocht op touw werd gezet, heeft die toch niet
plaats gevonden. Ook aan de Mahakam hebben zich dergelijke gevallen
voorgedaan. Zeker kan men er van zijn, dat, als ze ten dezen opzichte
geen vrees voor de Kompenie koesterden, snelpartijen nog aan de orde
van den dag zouden zijn.
Een tweede reden om op sneltocht te gaan, kan gelegen zijn in
het afleggen van rouw, welke eene bepaalde periode duurt, maar
om dezen geheel te kunnen uitwisschen, is het noodig, dat men de
schedelversiering met een verschen kop vermeerdert. In de derde plaats
dient het om zijn moed te toonen, al is die volgens onze begrippen dan
ook niet heel groot. Na het snellen toch mag de jonge dajak zich tooien
met de tanden van den koelè of panter, welke aan den bovenkant door
het oor gestoken worden met de punt naar voren, of met een oorhanger,
gemaakt uit de sneb van een neushoornvogel (teboen).
Aldus versierd waagt hij het zich te vertoonen voor het meisje van
zijn hart en haar zijn liefde te bekennen. Tevoren zou hij zeker zijn
afgewezen en telde hij niet mee in de rij der mannen. Wel heeft hij,
thuisgekomen, te bewijzen door een eed, dat hij werkelijk bedoelden
kop heeft gesneld, maar in het algemeen wordt het daarmee niet zoo
nauw genomen. Deze eed bestaat hierin, dat hij twee ronde steenen
op elkaar heeft te leggen. Gelukt hem dit, dan is hij inderdaad de
sneller, zoo niet, dan heeft hij zich die op eene of andere oneerlijke
wijze toegeëigend.
Ten slotte vinden snelpartijen hun grond meermalen in wraak. Wel
kan eene verzoening tot stand komen door teruggave der koppen en het
betalen van een bloed- of zoengeld, evenals in onze middeleeuwen aan de
naaste familieleden van het slachtoffer, maar dit gebeurt zelden en zoo
het gouvernement niet ingreep, zou op deze wijze daaraan evenmin als
bij de vendetta, ooit een einde komen, daar de laatste misdaad steeds
weer door een volgende gewroken zou dienen te worden. Zoo veroordeelde
ik te Boeloengan eens een jongen dajak, naar schatting niet ouder dan
16 of 17 jaar, tot 5 jaar gevangenisstraf, daar hij betrokken was in
eene snelzaak en zelf den moord had volbracht. Op de terechtzitting
bleek, dat ruim 6 maanden geleden de moeder van beklaagde was gesneld,
die in haar eentje op de ladang aan het werk was; hieruit blijkt,
dat zelfs vrouwen, trouwens ook kinderen, niet ontzien worden. Het
eigenaardige echter was, dat beklaagde niet den moordenaar zelf van
zijne moeder had kunnen snellen, daar deze intusschen gestorven was,
maar daarvoor een familielid nam, dien hij toevallig op zijn weg
was tegengekomen.
Zooals reeds gezegd, heeft het snellen tegenwoordig geen grooten omvang
meer en het ontbreken van schedels geeft den dajak, die nog aan den
ouden adat hecht, dikwijls veel moeilijkheden bij het vieren van zijne
adatfeesten. Zoo vroeg mij eens een dajak of hij een stukje mocht
hebben van een der schedels uit mijne verzameling of anders van die,
welke als stukken van overtuiging op mijn kantoor hingen. Het was hem
niet duidelijk, wat ik daarmede moest doen en bovendien gaf het vele
moeilijkheden bij het aanstaande te vieren meerderjarigheidsfeest
van zijn jongsten zoon. Bij gebrek aan een heelen schedel zou hij
dan maar met een stukje genoegen nemen. Zoo werden in het geheim ook
wel schedelstukken tusschen de dajaks verhandeld, wat natuurlijk niet
toegelaten werd. In verschillende dajaksche kampongs toch worden nog
schedelversieringen aangetroffen uit vroeger tijd (zie afb. 12) en
zoolang er geen bijzondere reden voor bestaat, wordt hun toegestaan
deze in hunne voorgalerij te laten hangen.
Meestal zijn het slechts de stamhoofden, die in het bezit daarvan
zijn en doordat ze geregistreerd zijn, bestaat er contrôle op.
Op sneltocht (zie afb. 34 en 35) kleedt de dajak zich meestal in
volle wapenrusting. Op het hoofd eene bedekking van ongespleten
rotan, dikwijls overtrokken met de huid van een aap of lynx of
kralenversiering met naga-motief en versierd met veeren, in de hand
een blaasroer (soempitan) met zwaar giftige pijlen en lanspunt, aan
de zijde het zwaard of mandau. Op het lichaam droeg hij eertijds de
gewatteerde jas tegen pijlschoten; thans is dit echter in onbruik
geraakt. Om het middel windt hij zich het lendenschort of awet,
vroeger van boomschors (foeja), thans van linnen of katoen gemaakt,
waaraan zijn pijlkoker, van bamboe gemaakt, hangt en waarin de
vlierdoppen worden geborgen en nog een ander kokertje voor zijn tabak
met vuurslag. Over zijne schouders hangt een dierenhuid van den koelè
of panter en een draagmand (blanjet) voor het medenemen van zijn rijst
voor eenige dagen en een van palmblad gemaakte tentbedekking. In de
handen ten slotte nog het houten schild, beschilderd met allerlei
gezichten en draken om den vijand af te schrikken. Na eene snelpartij
heeft altijd een feest plaats, waaraan dikwijls de geheele kampong
deelneemt.
Hoewel voor een buitenstaander meestal niet merkbaar, bestaan er in
een dajakkampong verschillende standen. Bij de Bahau's aan de Mahakam
onderscheidt men den hoogen (hipoei aja), den kleinen (hipoei oek) en
den laagsten adel (poenggawa). Beneden dezen staat de gewone kampongman
(panjin) en ten slotte de slaven (oeloen), hoewel deze officieel niet
meer kunnen bestaan. Hun toestand is echter van dien aard, dat het
geene aanbeveling zou verdienen, daarin verandering aan te brengen. Ze
worden goed behandeld, wonen bij hun meesters in en hoewel ze in het
algemeen wel bestemd zijn voor gewone, minderwaardige werkjes, hebben
ze absoluut geen reden tot klagen; het overgroote deel zou dan ook
niet gaarne van bestaan willen veranderen. Slechts enkele malen werd
ingegrepen, éénmaal toen ik in Poedjoengan zijnde een dajak meenam,
die verzocht had teruggevoerd te worden naar zijn stam aan de boven
Melinaurivier in de Tidoengsche landen, vanwaar hij indertijd geroofd
was. Aan zijn verzoek werd natuurlijk voldaan. Later nog eens, toen ik
in de Lepo Maoetstreken vertoefde, verzocht een der Njiboenghoofden
mij of ik mijne bemiddeling wilde verleenen om eene vrouw, welke bij
Lian Toeran in Poedjoengan woonde als slavin, aan hem terug te geven.
Later besprak ik deze aangelegenheid, maar de vrouw zelve wilde van
geen terugkeeren weten, daar ze in den nieuwen stam reeds gehuwd was
en kinderen had. In dit geval was er geene aanleiding haar met geweld
terug te voeren. Vroeger intusschen was hun toestand veel slechter
en werden ze zelfs dikwijls bij den dood van hun meester opgeofferd
ter beëindiging van den rouw. Zelfs bij den dood van het beroemde
dajakhoofd Kwing Irang werd nog gevraagd een slaaf te mogen dooden. Bij
den dood van een slaaf blijkt ook thans nog zijn afkomst. Hij wordt
nl. in een eenvoudige kist, op eene afzonderlijke plaats begraven,
terwijl de hoofden schitterend bewerkte kisten en doodenhuisjes
(salongs) krijgen.
Alle dajaksche stammen zijn animisten met uitzondering van eenige
weinige christenen en mohammedanen. Als zoodanig vertoonen de
verschillende dajakstammen dan ook veel overeenkomst, al bestaat er
in onderdeelen, benaming enz. natuurlijk wel verschil. Prof. Wilken
definiëerde het begrip animisme als volgt: "Het animisme uit zich
in twee ongeformuleerde en onuitgesproken, maar met onbepaald
geloof aangehangen leerstukken. Het eene, het grond-dogma luidt:
alles in de natuur, in dieren- en plantenwereld, het bewerktuigde en
onbewerktuigde, ieder voorwerp, groot of klein heeft een ziel. Het
tweede dogma kan aldus worden uitgedrukt: De zielen of geesten,
die in de voorwerpen wonen, hebben de macht die te verlaten en
vrij rond te spoken, onbelichaamd voort te leven of in andere
lichamen over te gaan." Men heeft aldus fetisisme: aanbidding van
zinlijk waarneembare voorwerpen als bezielde wezens en spiritisme:
vereering van onzichtbare, onbelichaamde geesten en van de zielen
der afgestorvenen.
Men behoeft echter niet te denken, dat een dajak, evenmin als
waarschijnlijk een oude griek, in voortdurende vrees zou leven. Hij
is niet fanatiek en spotten of grappen maken over zijne geesten
wekt den lachlust en het is in het geheel niet verwonderlijk,
wanneer hij het bij bepaalde gelegenheden met zijne geesten op een
accoordje gooit. Wanneer hij bijvoorbeeld uit de vlucht der vogels
iets ongunstigs gelezen heeft en hij vindt het om een bepaalden reden
zeer gewenscht, een of anderen tocht te maken, dan raadpleegt hij
nogmaals de vogels en blijven de teekenen ongunstig, dan weet hij wel
een reden te vinden om dit ongedaan te maken. Wanneer hij tegenwoordig
met europeanen reist, bemerkt men van dit raadplegen der voorteekens
niets meer. Wachten, zooals b.v. Nieuwenhuis, van Walchren, Tehupeiory
en andere reizigers indertijd deden omdat er ongunstige teekens waren
waargenomen, is thans ondenkbaar. Wel probeeren ze het soms, wanneer
ze niet veel zin hebben om verder te roeien, maar daaraan storen
we ons niet. Slecht tweemaal gedurende de drie jaar, dat ik Borneo
bereisde, heb ik me eenige oogenblikken daardoor laten ophouden; dit
was in de Tidoengsche landen aan de boven Sembakoeng, waar de dajak
veel primitiever en ouderwetscher is dan in de zuidelijke gedeelten.
Den eersten keer konden we er af komen door met de prauw viermaal in
het rond te draaien en de tweede maal door ter plaatse gezamenlijk
een strootje te rooken, een oponthoud, dat in beide gevallen niet
langer dan enkele minuten duurde.
In het algemeen schamen ze zich tegenover de europeanen wel een weinig
over hun gewoonten; maar onder elkaar reizende, wordt er nog steeds
rekening mede gehouden. Toen ik einde 1919 dajaksche roeiers aanwierf
voor de wetenschappelijke expeditie naar Centraal Nieuw-Guinee,
vroeg men mij toestemming de vogels te mogen raadplegen, hetgeen
ik toestond onder die voorwaarde, dat ze gunstig moesten zijn. Den
uitslag van den wichelaar heb ik niet vernomen, maar het gevraagde
aantal, zelfs meer dan dat, ging mee.
Toch zullen dajaks in hun eigen milieu zich nog wel hieraan houden,
vooral bij groote tochten, als handels- en sneltochten. Er worden
dan 5 vogels en een hert geraadpleegd. Bij kleinere tochten of
met europeanen wordt alleen de pelaki of kiekendief en de boekang
d.i. een klein staartloos kolibrietje, geraadpleegd, wat op zijn
hoogst 5 dagen in beslag neemt. Het raadplegen geschiedt in het
bosch in pondoks of kleine hutjes, steeds aan den rivieroever,
bovenstrooms of benedenstrooms, al naar gelang de reis stroomop of
stroomafwaarts zal zijn. Ze mogen niet gestoord worden noch naar de
kampong terugkeeren. Is de tocht eenmaal aangevangen, dan moeten de
reisgenooten langs dezen pondok en aldaar overnachten. Vogels naar
links vliegend of in de tegengestelde richting van de reis, gelden
als ongunstig.
Het bovenaardsche denkt de dajak zich ingericht als zijn eigen
maatschappij; de geesten zijn begiftigd met menschelijke eigenschappen,
evenals we dat in de mythologie van Grieken en Romeinen terugvinden. Er
zijn enkele hoofdgoden, overal met verschillende namen aangeduid,
die in den hemel wonen; de helder witte wolken zijn daarin de rotsen
en dit is ook de verblijfplaats der zielen, welke soms ook in dieren
huizen, b.v. apen of honden, van welke de eerste bij sommige, de
tweede bij alle stammen goede verzorging ondervinden.
Daarnaast bestaan vele geesten, die zich overal in bevinden. Het
onweer is de stem van een geest, het weerlicht zijn tong, de regenboog
zijn lendenschort, dat te drogen wordt gehangen. In zooverre vindt de
dajak zijne omgeving ook veel gemakkelijker te begrijpen dan wij, die
dikwijls peinzen over het waarom der dingen of het doel van het leven,
waarbij we toch geen antwoord vinden. De dajak denkt daar niet over,
hij vindt alles verklaarbaar en leeft blijmoedig verder. Voor hem
schijnt een dag, waarop hij niet gelachen heeft, een verloren dag
te zijn!
Welk een verschil met den strakken javaan of maleier!
De eenige moeilijkheid echter voor hem is den wil der goden te
kennen, de goden, die evenals zijne aardsche hoofden, maar dan veel
strenger, kunnen straffen. Enkele mannen of vrouwen, die daartoe
uitverkoren zijn, zijn in staat de verbinding tusschen den mensch en
de geestenwereld tot stand te brengen. Om in extase te geraken, staren
ze op een blinkend voorwerp onder rythmisch gezang der omstanders;
hun ziel verlaat tijdelijk het lichaam en na terugkomst daarin weten
zij den wil der goden en kunnen den vragenden mensch raad geven.
Of deze dajaksche heiligen-priesters betrouwbaar zijn, is mij niet
bekend; van de romeinsche augures, die dezelfde diensten verrichtten,
werd door het volk beweerd, dat deze elkaar op straat niet konden
voorbijgaan zonder in lachen uit te barsten over de dwaasheden,
die zij den menschen verkondigden. Wel genieten deze menschen bij de
dajaks een zeker aanzien en verrichten zij ook diensten bij genezing
van zieken. Ook is de wil der goden soms kenbaar door dieren en als
zoodanig hecht de dajak groote waarde aan droomen; loopt b.v. een slang
door het huis of droomt hij dit, dan is dit een ongunstig teeken en
zijn de goden verstoord. Ziet hij in zijn slaap een huis instorten,
dan staat hem ook allerlei kwaad te wachten. De geesten en goden
denkt men zich als strenge rechters; bij niet opvolging van hun wil,
straffen ze met misoogst, omslaan van handelsprauwen, veroorzaken
van ziekten en andere narigheden. Onder dergelijke omstandigheden
wordt de dajak bevreesd. Zoo zag ik in de boven Bahau het ladangwerk,
dat al aardig gevorderd was, opgegeven, omdat er enkele sterfgevallen
onder de bewerkers van het veld waren voorgekomen. Of deze families
later gebrek aan rijst zouden hebben, daaraan werd niet gedacht. Men
wist alleen, dat de goden ernstiger bezoekingen zouden zenden, als
ze met de bewerking voortgingen.
Ons verblijf te Laham, hoe aangenaam het ook was, moesten we na 2
dagen beëindigen en thans dit laatste tipje van europeesche beschaving
den rug toedraaiend, bereikten we na een flinken roeidag tegen den
middag Ma Mehak, een groote half maleische, half dajaksche kampong. De
maleiers hebben hier een handelscentrum gevormd, doen vandaar uit hun
tochten meer naar het binnenland en voeren de verkregen producten naar
beneden. Na deze kampong beginnen al spoedig de groote versnellingen;
hier verlaten we dan ook het midden Mahakamgebied en komen in de
bovengebieden. We onderscheiden de versnellingen in twee reeksen,
de oostelijke en westelijke reeks: de eerste begint boven Ma Mehak
en loopt tot het vroegere Long Dehò, tegenwoordig Batoe Kelaoe,
een lengte van ongeveer 43 K.M., de tweede van Batoe Kelaoe tot Long
Tepai met een lengte van ongeveer 22 K.M.
Aan de midden Mahakam worden hier en daar bronzout en steenkolen
gevonden, hetgeen eene aanwijzing is, dat er meestal ook petroleum
voorkomt. Hoewel er uit deze streken geen uitvoer van steenkool plaats
vindt, weet de dajak deze zelf wel te gebruiken in zijn primitieve
kampongsmederijen, bestaande uit meestal drie dikke, houten buizen
met daarin passende houten zuigers; de lucht wordt afgesloten door een
krans van vogelveeren. Aan de voorzijde van iedere buis iets boven den
grond, bevindt zich een gat, waarin een dunne bamboe past; het uiteinde
daarvan rust op den grond. De brandende steenkolen worden daarmee
aangeblazen. Dit gebruik zal wel van de maleiers zijn overgenomen.
In deze echt bahausche kampong troffen we een man aan, die door zijn
kamponggenooten in de gevangenis was gezet. Deze bestond uit een uit
dikke boomstammen samengesteld hok en daar hij als krankzinnige was
gebrandmerkt (hij had zijn eigen vrouw vermoord) had men zijn hals en
beenen bovendien door een blok gehaald en daarbuiten vastgebonden. Deze
maatregelen worden in de kampong steeds genomen, totdat het bestuur
deze aangelegenheid nader regelt. Vroeger werden dergelijke menschen
eenvoudig afgemaakt.
Het hoofd van Ma Mehak had juist een bericht gezonden naar dat van
de meer stroomopwaarts gelegen kampong Long Moeroh, meldend dat een
50 man ongeveer, lieden uit de boven Barito, voornamelijk beruchte
Bekompaiers, bezig waren zijn vogelnestjes te rooven. Er zijn toch
verschillende hoofden, die zich rechten toekennen, welke ook erkend
worden, op de in de vele holen en grotten voorkomende vogelnestjes,
die een flinke handelswaarde vertegenwoordigen. Dikwijls worden ze
vervoerd naar de boven Barito en daar verhandeld om de tjoekei--10%
van de handelswaarde--te kunnen ontduiken. Hoewel het hoofd van Long
Moeroh, zooals we den volgenden dag vernamen, zeer ontsteld was op het
hooren van het bericht van de rooverijen, durfde hij toch niet zelf
de maleiers tegemoet te gaan, bang als ze voor deze lieden zijn, maar
riep hij de hulp van het bestuur in, aan welk verzoek we voldeden door
bericht van een en ander te zenden aan den gezaghebber te Long Iram.
Op dit riviergedeelte genoten we van de prachtige vergezichten. De
oevers zijn hier over een betrekkelijk grooten afstand vrij laag,
terwijl op den achtergrond bergen en rotsen zich steil uit den grond
verheffen. Boven op die hooge steenmassa's woonden in vroeger tijd
de dajaks, evenals de ridders in hun verheven rotskasteelen. Daar
boven voelde men zich veilig, was men onbereikbaar; door snellers kon
men niet plotseling overvallen worden en alleen bij hoogen noodzaak
verliet men deze veilige oorden. Later toen de toestanden meer geregeld
werden, was dit niet meer noodig. Toch worden deze rotsen thans nog
wel gebruikt voor het begraven der dooden, ook om beveiligd te zijn
tegen roof; voorbijgaande maleiers toch berooven nog wel eens deze
graven, waarin allerlei bezittingen van den overledene mede begraven
worden. Het is werkelijk een sprookjesachtig gezicht deze kalkbergen,
hier en daar helder wit, beschenen door het zonlicht en overigens
begroeid met laag opschietend hout. Vooral 's avonds, belicht door
de ondergaande zon, was het een verrukking daarnaar te zien, terwijl
we rustig in ons bivak een strootje zaten te rooken.