ONS MOOI INDIË
UIT DAJAKLAND
KIJKJES IN HET LEVEN VAN DEN KOPPENSNELLER
EN ZIJNE OMGEVING
DOOR
J. JONGEJANS
CONTR. B.B.
MET 80 AFBEELDINGEN EN ÉÉN KAARTJE
UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF
TE AMSTERDAM IN HET JAAR MCMXXII
INHOUD
EERSTE AFDEELING.
80 AFBEELDINGEN NAAR PHOTOGRAPH. OPNAMEN blz. 1-72
TWEEDE AFDEELING.
INLEIDING 73
NAAR BORNEO'S BINNENLANDEN.
LANGS DE MAHAKAM 77
IN APO KAJAN 147
IN POEDJOENGAN EN LEPO MAOET 195
IN DE TIDOENGSCHE LANDEN 228
VAN BORNEO'S LAGE LANDEN AAN DE ZEE 257
AAN MIJNE DAPPERE VROUW
INLEIDING
"Is enich ghebrec in desen boecke
"dat is mi leet
"en soo wije dat ghebrec verbeteren wille
"dat is mi lief".
THOMAS VAN UTRECHT.
Borneo! Een wereld van gedachten ontplooit zich voor onzen geest.
Borneo! Een land van onbegrensde mogelijkheden, van ondoorvorschte
perspectieven, land van onvergaarde schatten wellicht.
Borneo! het land van nipah, water en modder, het land van donkere
wouden en wreede menschen.
Neen, eigenlijk is Borneo geen land van belofte!
Maar toch......
Laat ik eerlijk zijn en bekennen, dat toen mijn ambt ons van Sumatra's
zuidpunt naar Oost-Borneo in den uitersten noordhoek voerde en onze
zoekende oogen op de kaart steeds hooger kropen langs de kustlijn tot
we eindelijk onze plaats van bestemming vonden, hoog in het noorden,
ja, toen zagen we de toekomst donker in. Voor onzen geest stonden: land
zonder wegen, waterellende in allerlei vormen, ziekten, zelfbesturende
gebieden met allerlei lastige, domme, hebzuchtige potentaatjes en
ten slotte--en deze niet het minst--de koppensnellende dajak.
Nipah en water! die drongen zich wel aan ons op, toen we de eerste
groote rivier opvoeren. Water! en nipah aan weerszijden van den
breeden stroom, vele uren en uren lang, tergend in hun eentonigheid
en toch ook weer fascineerend door de gelijkvormigheid--het eerste
draadje van het net van Borneo's betoovering!
Eerst lang na deze als uitgestorven oorden begint het leven; en verder
gaat dit, verder tot in Borneo's levengevende macht; de brongebieden
van zijne rivieren.
Daarheen moesten we ons begeven, lukraak neergekwakt, èrgens,
waar we het gevoel hadden als uitgestootenen te zijn achtergelaten,
toen de laatste galm van het vertreksein van de boot was verklonken,
haar schroefslag niet meer te hooren...
Toen stonden we daar, nog bevangen door de eigenaardige beklemdheid,
die me nog telkens bevangt op de uitgestrekte wateren van dit land,
in de doodsche rust, die over de eindelooze eenvormigheid van de
benedenstroomen ligt.
Toen stonden we daar afgesloten van de wereld...
Maar nu, hoe anders is dit geworden! Hoe ben ik Borneo nu gaan
zien als het land van duizenderlei mogelijkheden. Wat is de wreede
koppensnellende dajak mij een genoegelijke reisgenoot geworden
op mijne vele en lange tochten tot in het hart van het land. Wat
al vele en dwaze verhalen zijn er omtrent dezen, in weerwil van
zijne vele fouten, sympathieken natuurmensch in omloop: hij zou--o,
gruwelijkheid! zijne medemenschen verslinden, zijne woningen bouwen
in boomen als de oermensen Daâh en vele dergelijke verhalen meer,
welke alle in het land der fabelen thuis behooren.
Dit boekske wil vertellen over dit land, over dezen mensch. Uit den
aard der zaak geene wetenschappelijke verhandeling, noch een werkje,
dat eenige aanspraak op letterkundige waarde maakt. Veeleer is het een
eenvoudig relaas, een sober, onopgesmukt, op eigen ervaring berustend
verhaal van het dagelijksch leven en streven van een bestuursambtenaar
en zijn gezin in de binnenlanden. Maar doordat dit leven zoo op
honderd en één wijzen is samengeweven met de bevolking, zal dit voor
den lezer wellicht een simpeler en zuiverder beeld scheppen, juist
van het zijn van dat volk, van zijn leven en streven in de grootsche,
doodsche, zenuwstillende èn zenuwontstellende stilte van de wateren
en bosschen van zijne omgeving.
Op meer maakt dit boekske geene aanspraak en mocht het mij gelukt zijn
een zuiverder kijkje in de dajakwereld te hebben gegeven, dan we uit
onze kinderjaren hebben bewaard en we gemeenlijk ook verkrijgen door
de dwaze voorstellingen, die door woord en beeld worden in het leven
geroepen, dan reeds is mijn doel bereikt.
Voor dengene, die meer van deze sympathieke menschen wil weten, staat
naast het grootsche werk van Prof. Nieuwenhuis: "Quer durch Borneo"
nog ten dienste het aangenaam geschreven reisverhaal van den arts
Tehupeiory: "Onder de dajaks van Centraal Borneo".
De foto's zijn grootendeels door mijzelf vervaardigd, terwijl ook
mijne Borneo-vrienden R. Posthumus, H. J. M. Sitsen, Jhr. J. M. von
Schmidt auf Altenstadt en J. A. J. Tielung, mij eenige mooie exemplaren
uit hunne collecties ter beschikking stelden, waarvoor ik hun hier
hartelijk mijn dank betuig.
Dit dan ter inleiding.
's Gravenhage, 1922.
NAAR BORNEO'S BINNENLANDEN
LANGS DE MAHAKAM.
Langzaam laten we ons voortwiegelen op de regelmatige slagen van onze
dajaksche roeiers. Hun bruingebronsde lichamen bewegen zich gelijkmatig
op en neer en beschenen door het blinkend oog van den dag zitten zij
daar als prachtmodellen voor den kunstenaar. Hun forsche spieren,
alle op het schoongevormde lijf zichtbaar, trekken zich krachtig
samen, groote bundels vormend om een oogenblik daarna zich weer te
ontspannen. Hoewel alleen bekleed met een lendengordel of awet en
op het hoofd een van rotan gevlochten mutsje, schijnt de warmte geen
vat op hen te hebben en vroolijk lachend en pratend werken ze steeds
met aandacht voort. Toch speurt hun oog steeds nauwlettend overal
rond, niets ontgaat hun; ieder levend wezen buiten de onmiddellijke
omgeving van hun prauw wordt intuïtief waargenomen en ieder plantje,
dat hun straks bij hun rijst als bijspijs kan dienen, is het hunne.
Ziet een van hen een wild zwijn de rivier overzwemmen, dan komen ze
dadelijk allen in actie. Met een schok staan ze zwijgend op, nadat zoo
stil mogelijk het sein is gegeven, de ranke prauw schommelt en dreigt
om te vallen, ze roeien uit alle macht naar de bestemde plaats, de
speren worden in gereedheid gebracht en in vliegende vaart gaat het af
op het nu vluchtende dier, dat intusschen zijn vijanden heeft bemerkt
en langs den oever een uitweg tracht te vinden. Steil is deze en
twee-, driemaal stort het naar beneden. Intusschen zijn de hunkerende
dajaks--een zwijnenbout is een heerlijk maal--hun prooi genaderd
en reeds tweemaal drong een speer met kracht in het borstelige lijf,
zoodat zijn bloed reeds rijkelijk begint te vloeien, maar nog geeft het
den strijd niet op; met de geweldige slagtanden in het meedoogenlooze
wapen bijtend, tracht het nog rivierwaarts te zwemmen om het veege lijf
te redden, een rood bloedspoor in het water achterlatend. Door den
stroom meegesleurd, weet het door hevige inspanning en bloedverlies
uitgeputte dier zich nog uit de voeten te maken, maar pijlsnel gaat
de moderne viking het achterna en nauwelijks genaderd geeft de voorman
uit de prauw het den genadestoot. Onder luid geroep wordt de kostbare
buit binnenboord gehaald om straks in het bivak aangekomen, geslacht
te worden. De dajak houdt van varkensvleesch--trouwens veel andere
dieren vindt men hier in de bosschen niet--en in de blijde gedachte
straks heerlijk te zullen smullen en zijn bamboekokers met vet en
ingewand te kunnen vullen, waaraan hij voor langen tijd genoeg heeft,
roeit hij weer welgemoed verder.
We bevinden ons nog in den benedenloop van de rivier; regens in den
bovenloop hebben het water doen zwellen en hier en daar een sterken
stroom en draaikolken doen ontstaan. Toch is dit voor den dajak geen
beletsel om het ranke, zwaar beladen vaartuig langzaam maar zeker
door zijn krachtigen slag te doen voortbewegen.
Heel vroeg is hij 's morgens reeds opgestaan om zijn rijst te koken
en te eten; zijn lichaam is weer hernieuwd, al heeft hij maar op den
grond gelegen, soms ook op de steenen van een grintbank, slechts
beschut door enkele matten; slapen doet hij er niet minder om en
's morgens vroeg staat hij al gereed om de blikken en koffers weer
in de prauwen te laden. Wij zijn nog niet altijd wakker, al hebben
we op een zacht veldbed gerust.
We hebben reeds eenige uren gevaren en hoewel ze niet van vermoeidheid
weten, is toch een kleine rust den roeiers aangenaam om even hun ruw
in elkaar geflanste sigaret te kunnen rooken en hun lichaam door een
bad te verfrisschen.
Daarna laten we ons weer voortwiegelen op hun krachtigen riemslag;
we bewegen ons vlak langs de oevers, daar de stroom ons meer naar het
midden van de rivier te sterk wordt. Hier en daar is het roeien door
de sterk vooroverbuigende boomen niet mogelijk; het neerleggen van
de roeiriemen en het opnemen van de boothaken of tekèns is slechts
het werk van een oogenblik; nog heftiger hortend en stootend worden
we door de kris en kras dooreengeslingerde takken voortgetrokken;
de voorman in de prauw staat met zijn mandau gereed om de takken,
die den doorgang dreigen te beletten, met één krachtigen slag af te
slaan. Is de moeilijkheid, welke dikwijls nog vermeerderd wordt door in
het water gevallen boomen, waardoor een nog sterker stroom ontstaat,
overwonnen, dan laten de roeiers in koor hun sonoor "oohoo" geluid
hooren, inderhaast wordt een sirihpruim gemaakt of een boomblad-sigaar
gedraaid en vroolijk gaan we weer verder onzen eentonigen gang.
Vertoont de rivier in haar benedenloop weinig afwisseling met haar
steeds groene oevers, hoe hooger we komen, hoe meer het terrein
verandert. Toch is en blijft alles nog groen, maar groen in honderden
tinten en kleurschakeeringen. Dieper ìn het donkergroen, bijna zwart,
meer naar den oever lichtere tinten; hier en daar een enkel roodachtig,
frisch getint blad, het is pas ontloken, maar na enkele dagen door
de felle zon beschenen te zijn, neemt ook dit een groene kleur aan.
Groen is alles, groen! Toch zijn op enkele punten de schoone
bloemtrossen van den "pohon bijoe" zichtbaar, maar ook deze zijn
weinige. De oranjekleurige bloembundels buigen zich over het water,
sprookjesachtige priëelen vormend, waaronder men een oogenblikje kan
verpoozen van de gloeiende zonnehitte, welke door het water weerkaatst,
de oogen pijn gaat doen. Als eene stille hulde aan den voorbijganger
steken ze hun oranjekleurige hoofden uit het eeuwige groen.
We naderen ons bivak en daar we een flink stuk hebben afgelegd,
verlangen we allen naar rust. Het is ons niet meer mogelijk een kampong
te bereiken, wat ons wel zoo aangenaam was geweest; we zoeken daarom
op den oever een plaats uit, die ons geschikt voorkomt; meestal is
die vrij spoedig gevonden, de prauw wordt op den wal getrokken en
allen begeven zich naar de aangewezen plaats om die schoon te kappen
en van vuil te ontdoen, hetgeen het werk is van een oogenblik. Daarna
verdwijnen allen het bosch in om het noodige hout voor onze hut of
lepau te halen; het hakken weerklinkt aan alle kanten en spoedig
zijn ze weer terug. De zes stijlen worden in den grond geplant, twee
aan twee door lange takken verbonden; eenige dunne takken worden
over het geheel uitgespreid en met rotan verbonden, alles met onze
samirs, gemaakt van silatbladeren, gedekt en zie, ons nachtlogies is
gereed! We zijn beschermd tegen regen, hetgeen voldoende is. Is het
geluk ons gunstig, dan slapen we zelfs zonder klamboe, maar meermalen
zijn deze noodig tegen de muskieten en de gevreesde agas, diertjes
kleiner dan een speldeknop.
Toch gaat niet ieder dadelijk op zijn bestemde plaatsje liggen,
maar zijn allen veeleer druk bezig; de dajak houdt in het algemeen
niet van stilzitten; hij snijdt een mandauheft, vlecht rotanbanden
voor zijn blanjet of draagmand en honderd dingen meer. Zijn ze erg
vroolijk gestemd, dan wordt er 's avonds gezongen (dajoeng), waarbij
één de solo vervult, de anderen gezamenlijk het refrein zingen met
hun sonore basgeluiden.
Soms worden oude legenden en volksverhalen bezongen. Deze
zangen vertoonen veel overeenkomst met de bardenzangen uit onze
middeleeuwen. Ook hier heeft men lange, aaneengeschakelde verhalen,
welke niet in één nacht gezongen zijn, doch twee, drie en meer
doorwaakte nachten vereischen. Ook hier zijn de hoofdmotieven
dapperheid en liefde en worden de heldendaden van den jongeling en de
lieftalligheid der jonkvrouw urenlang bezongen. Ook hier het mystieke
element der wonderen, van onzichtbaar makende helmen, vliegende
prauwen, het zich voor poenans (= zwervende dajaks, fig. bedelaars)
uitgeven van de vorsten. En ook hier het geloof aan het werkelijk
bestaan hebben dezer legendarische personen, waarvan soms de vroegere
woonplaatsen nog worden aangewezen. Hoewel bij onbekendheid met schrift
de vorm dezer overleveringen niet vastgelegd is en zij slechts van mond
tot mond overgaan, zoo is de inhoud van te algemeene bekendheid, dan
dat de zangers deze zouden kunnen wijzigen. Slechts in de woordenkeus
zijn ze vrij en groot is het succes van hem, die de lieftallige
jonkvrouw "schoon als de opkomende maan" in gloeiende kleuren weet af
te schilderen. Gejuich begroet elke nieuwe bijzonderheid en urenlang
kunnen de dajaks naar dit "dajoeng" luisteren, zelfs na een zware
dagtaak. Dit zingen der oude overleveringen neemt een zeer belangrijke
plaats in het dajaksche volksleven in.
Dikwijls echter ook is het onderwerp van deze zangen niet zoo
dichterlijk en worden meer dagelijksche gebeurtenissen bezongen: "We
zijn op reis met den toean poetih, deze zal goed voor ons zorgen,
laat ons vroolijk zijn! We zullen den witmensch veilig door de
gevaren voeren, zoodat hij weer gezond en wel weerkeert; eerst dan
is ons hart gerust", en dergelijke onderwerpen meer. Soms ook--en
dit gebeurt meermalen--zijn deze zangen zeer vulgair; vooral onder
jongelui hebben deze echter een groot succes.
Maar hoe gaarne ook de dajak naar deze zangen luistert, eindelijk
valt hij in slaap en droomt van den dag van morgen; we komen dan
in den bovenloop van de rivier met zijn gevaarlijke kihams of
stroomversnellingen.
Dan is de dajak eerst recht in zijn element, prachtkerels zijn het
dan! Evenals Wallace in zijn bekend werk: "The Malay Archipelago"
bij de beschrijving der Doboreis opmerkt, dat het toppunt van
schoonheid is een jonge papoea, zijn boog spannend, bij welk beeld
alle voortbrengselen der hooge grieksche kunst ten achterstaan,
zoo kan ik mij niets schooners denken dan een prauw, bemand met
dajaks; zij vormen eene schilderij van mooie lijnen, een beeld van
mannelijke kracht en behendigheid. Op het juiste moment weet hij
in den bruisenden stroom te springen en met den langen rotan in den
mond een vooruitstekend rotspunt al zwemmend te bereiken, vanwaar uit
hij gemakkelijker de prauw door den maalstroom kan trekken. Vaart de
prauw dit punt voorbij, dan voegt hij zich met één behendigen sprong
bij zijn makkers en voort gaat het weer!
Bij een groote kiham gekomen wordt eerst bij den oever aangelegd;
het gevaarlijke gedeelte wordt door de beste roeiers en den hoofdman
verkend vanuit het hoogste punt. Eene levendige discussie volgt, met
drukke gebaren en vingerwijzingen wordt de situatie besproken. Een
interessant schouwspel, een veldheer met zijn staf waardig!
Eindelijk--de dajak is lang van stof--is uitgemaakt welke route
door de versnelling genomen zal worden. Ieder neemt plaats in de
prauw, er wordt afgestooten en geroeid behalve door den man op den
voorsteven, die blijft staan kijken naar de kiham tot waar deze
begint, om dan plotseling te gaan zitten na zijn commando's te
hebben uitgeschreeuwd. Met arendsblik loert hij naar gevaarlijke
steenpunten om door één slag met zijn roeiriem links of rechts de
prauw te doen uitwijken. Ieder is stil, ieder is in actie bij het
passeeren van het hachelijke punt. Ieder weet naar welken kant hij
moet roeien. Ieder weet ook, dat een oogenblik van onoplettendheid de
prauw kan doen vergaan. Nog zorgzamer zijn ze, omdat ze een "witmensch"
met zich voeren, een witmensch, voor wiens leven ze zich aansprakelijk
voelen. Zoo voorzichtig, "als hadden ze een ei in de hand"--volgens
eene dajaksche uitdrukking--wordt hij behandeld.
Is eenmaal het groote gevaar geweken en schiet de prauw het einde
der kiham voorbij, dan barst het gejuich eerst recht los, waarbij
sommigen opgewonden in de prauw gaan staan en wuiven met hun pagaaien.
Zoo vaart de bestuursambtenaar dagen, weken, soms maandenlang..........
Maar mag ik eerst den lezer in Dajakland introduceeren en nader
omschrijven tot welk gedeelte van Borneo, hetgeen ik behandelen zal,
zich bepaalt. Waar in dit werkje gesproken wordt over Dajakland,
wordt daarmee dat gedeelte van Borneo bedoeld, hetwelk de geheele
afdeeling Samarinda omvat, dus noord-oost Borneo, hoewel veel van het
medegedeelde ook in het algemeen voor alle dajaks kan gelden. Het
grootste gedeelte hiervan wordt bewoond door dajaks, die door de
slechte verkeersmiddelen nog in hun primitieven, maar schoonen vorm
voorkomen. Alleen aan de kusten wonen maleiers, zooals die ook elders
in onzen archipel in kustgebieden plegen te verblijven. De afdeeling
Samarinda ressorteert onder de residentie Zuider- en Oosterafdeeling
van Borneo en omvat op haar beurt verschillende onderafdeelingen onder
controleurs of gezaghebbers: Oost- en West-Koetei, Balikpapan, Boven
Mahakam, Beraoe en Boeloengan met Apo Kajan, tijdelijk zelfstandig
onder een officier-gezaghebber te Long Nawang, maar behoorend tot
het gebied van den sultan van Boeloengan. De afdeelingschef zetelt
te Samarinda, de resident te Bandjermasin [1].
Enkele cijfers mogen ons een beeld geven van deze streken. De afdeeling
omvat een gebied ongeveer 6 maal grooter dan Nederland, terwijl
het aantal inwoners ongeveer op 150000 gesteld zal kunnen worden of
nauwelijks één ziel per KM2. Zijn deze cijfers voor Nederland 250,
voor Java 270, voor Semangka in de Lampongsche districten ruim 7 en
voor Halmaheira en Morotai in de residentie Ternate--we doen slechts
enkele grepen--3, dan is het duidelijk, dat deze gebieden wel abnormaal
groot, maar zeker niet dichtbevolkt zijn. Met uitzondering van de
Boven-Mahakam, zijn dit alle zelfbestuurde gebieden: de sultans
van Koetei, Beraoe (landschappen Goenoeng Taboer en Sembalioeng)
en Boeloengan (landschappen Boeloengan en Tidoengsche landen) zijn
de zelfbestuurders [2].
De dajaks behooren niet allen tot één stam, maar tot verschillende
tientallen van stammen, hetgeen ook uiting vindt in hun taal: een
bahau b.v. uit de boven-Mahakam zal niets verstaan van een poetoek
uit de Tidoengsche Landen. Deze menschen kennen wellicht elkaars
bestaan niet eens.
De afdeeling omvat van het zuiden naar het noorden gaande de
stroomgebieden van de Mahakam- of Koeteirivier, de Kelai en de Segah
of Makam in het Beraoesche, de Kajan of Boeloenganrivier met haar
groote zijrivieren de Bahau en de Poedjoenganrivier in Boeloengan
en de Sesajap, de Sembakoeng, de Seboekoe en de Simenggaris in de
Tidoengsche Landen. Het brongebied van de Kajan wordt ingenomen door
Apo Kajan (apo is hoogvlakte). Aan de Mahakam wonen hoofdzakelijk
Bahau's en enkele andere stammen; in Apo Kajan, Poedjoengan en Lepo
Maoet wonen Kenja's; in het brongebied van de Sesajap Poetoeks en
aan de Sembakoeng Tinggalan Dajaks (zie kaartje).
Maar genoeg! Wij zijn--dunkt me--voldoende georiënteerd om ons
reeds thuis te gevoelen op de krachtig stroomende Mahakamrivier,
die we thans opvaren. Samarinda en Tenggaron, zetel van den sultan
van Koetei, aan den benedenloop van de rivier zijn we reeds voorbij,
evenals meerdere maleische kampongs--de benedenlanden behandelen we
elders--en we stoomen met het riviervaartuig "Mahakam" naar Long Iram
(36 uur stoomens boven Samarinda), dat reeds zichtbaar is. We hebben
dan het eigenlijke Koetei reeds verlaten en bevinden ons in het gebied
van den officier-gezaghebber van den boven-Mahakam. Vroeger behoorde
dit ook aan den sultan van Koetei, maar ruim 10 jaar geleden werd
het om verschillende redenen noodig geoordeeld dit tot rechtstreeks
bestuurd gebied te maken tegen eene jaarlijksche schadevergoeding
aan het zelfbestuur van Koetei. Moesten we aan den eenen kant zorgen,
dat rust en orde verzekerd waren in de landen, grenzend aan Serawak,
aan den anderen kant ook moesten die streken in bescherming genomen
worden tegenover hun eigen heerschers. Al te veel toch waren de
sultans van Koetei en vooral hun omgeving geneigd deze landen te
beschouwen als te zijn geschapen uitsluitend voor hun materiëel
welzijn. Bovendien was de sultan niet in staat zijn onderdanen te
verdedigen tegen de Hebans uit Serawak, voor wie de dajaks tot op
dit oogenblik nog een heilige vrees hebben, noch ook tegen de zich
daar nestelende Boegineezen, Bandjareezen, Bekompaiers en anderen,
die maar al te goed in staat bleken het goede voorbeeld van de heeren
des lands na te volgen en dit gebied maakten tot het terrein van hun
afzetterijen en andere slechte praktijken. Ook trokken de sultans zich
van deze streken niet veel aan. Er was geen sprake van dat de sultan
zelf deze gebieden zou bezoeken. Zelfs was het hem verboden voorbij
den Goenoeng Sendawar bij Melak (= blijven staan, blijven liggen)
te varen; hetzelfde treffen we in Boeloengan aan, waar het den sultan
niet toegestaan is voorbij Poelau Majoen te varen, daartoe gehouden
door een eed door een zijner vaderen gedaan. Dat er aldus van een
intensief sultansbestuur geen sprake is of was, behoeft geen betoog.
Hoever de sultansmacht zich oorspronkelijk heeft uitgestrekt, is
moeilijk na te gaan. Toch is hun invloed steeds groot geweest, al is
hij dat ook niet volgens onze begrippen, aangezien alle teekenen van
de uitoefening van rechtstreeksch en feitelijk gezag ontbreken. Een
groot voordeel voor de sultans was, dat zij aan de monding der rivier
woonden, daar de dajaks, wilden ze hun boschproducten van de hand
doen, wel bij hen terecht moesten komen. In onze geschiedenis vindt
men dat terug. Ook daar pleegden de ridders dikwijls roof en vielen de
menschen, die van boven kwamen lastig met hun afpersingen. De sultan
en vooral zijn omgeving zorgden er wel voor, dat de verhouding zoo
eenigszins mogelijk van goeden aard was, daar ze ook wel inzagen,
dat ze ten slotte bij eventueel verzet, toch niet veel zouden kunnen
beginnen. Ze hielden de dajaksche hoofden zoet met allerlei titels
(pangeran, panembahan, e.d.), verleenden hun aanstellingen tot
hoofd, bekleedden hen met eenige macht en lieten hen de inkomsten
genieten van bepaalde rivieren en grondgebieden. Thans is dit alles
in de boven-Mahakam onder rechtstreeksch gezag van het gouvernement
afgeschaft en genieten ongeveer 25 hoofden eene toelage van 10 tot
20 gulden 's maands voor afgekochte rechten.
Dat de dajaks nog wel eens in verzet kwamen, bleek o.a. in Boeloengan,
toen de Segai's in 1906 onder aanvoering van Anji Lohong en Lig Pay
tegen den sultan opstonden, voor wien dit onaangename gevolgen had
kunnen hebben, zoo niet het gouvernement had ingegrepen en een einde
aan de geschiedenis had gemaakt. Zoo kwam ook wel het verzet uit den
boezem van de sultansfamilie zelve. In 1913 verzette zich Datoe Adil
tegen den sultan van Boeloengan en riep zichzelf uit tot sultan van
de benedenstreken en het voor de monding van de rivier gelegen eiland
Tarakan, bekend om zijn oliebronnen.
Zijne verbanning door het gouvernement volgde onmiddellijk en thans
leeft hij als balling te Menado. Het is niet te verwonderen, dat de
sultans in deze gebieden aanhangers van het gouvernement zijn; vooral
de beheerschers van Koetei behooren tot onze getrouwen. De macht,
die een of ander sultan had, stond ook in het nauwste verband met
den persoon van den zelfbestuurder of diens rijksgrooten. Waren deze
krachtige persoonlijkheden, dan was hun macht grooter en konden zij
bij misdrijven, begaan door dajaks, straffen opleggen, welke steeds
bestonden in het betalen van sommen gelds of levering van groote
hoeveelheden boschproducten, waarvan slechts een klein gedeelte aan de
dajaksche hoofden werd afgestaan en de rest verdween in de zakken van
den sultan en diens hof. Toch treft men wel overal eerbiedige vrees aan
voor het sultansbestuur, soms zelfs wanneer de sultan zelf door het
gouvernement is afgezet, al is dit later door allerlei knevelarijen
(heffingen en belastingen) en de inmenging van het gouvernement weer
veel minder geworden. Westenenk schreef indertijd over den sultan
van Pontianak: "Vond vroeger reeds algemeen geloof, dat de sultan
van Pontianak alles kon hooren en weten, wat aan de Kapoeas wordt
gesproken en gedaan, na zijn bezoek (n.l. aan de boven Kapoeas in
gezelschap van den toenmaligen resident Tromp), werd rondverteld,
hoe, toen de sultan Boenoet bereikte, de dag plotseling nacht werd! en
gretig wordt dit geloofd, als voortkomende uit des sultans "Kramat",
waarbij zelfs de dajaks nu en dan zweren."
Ook de vrees van dr. Nieuwenhuis voor de macht van den sultan van
Koetei, die niet gaarne inmenging zag in de afgelegen bovenstreken,
bracht hem er toe zijn beroemden tocht niet te beginnen aan de oost-,
maar wel aan de west-zijde, van Pontianak uit, de Kapoeas op, waar
dit bezwaar blijkbaar niet gold. Op het bericht van zijn komst is
dan ook door alle hoofden in de boven Mahakam vergaderd met het doel
dr. Nieuwenhuis te vermoorden. Alleen het machtig woord van Kwing
Irang heeft hen van die euveldaad kunnen afhouden; ware deze man er
niet geweest, dan had Nieuwenhuis waarschijnlijk het lot van Müller
ondergaan. Dat de sultans overigens vrij spel hadden, was voor een
niet gering deel te wijten aan het gouvernement zelf, hetwelk zich
weinig moeite getroostte voor de bovenstreken, terwijl het moeilijke
opvaren van de rivieren door de gevaarlijke stroomversnellingen den
bestuursambtenaren den lust ontnam zich langs dien weg een eenigszins
langdurig verblijf in de bovenstreken mogelijk te maken.
Thans is dit alles echter veranderd door de meer intensieve bemoeiingen
van het Gouvernement en al worden de sultans erkend in hun waardigheid
van zelfbestuurder, toch heeft de bestuursambtenaar, die hun als
adviseur is toegevoegd, heel wat in de melk te brokken en wordt
zelfs een last eerder opgevolgd, wanneer die uit het kantoor van den
controleur dan wanneer die uit het paleis van den sultan komt.
Long Iram is een vriendelijk aangelegd plaatsje, hoog op den
oeverwand van de rivier gelegen, opgericht in 1900 door den toenmaligen
controleur Barth, den pionier van deze gebieden. Het heeft uitvoer van
rotan, getah, vogelnestjes en bijenwas en wordt bewoond door maleiers,
boegineezen en chineezen.
Het gebied, waarvan Long Iram de voornaamste plaats is, beslaat eene
oppervlakte van 2/3 maal ons land en heeft eene bevolking van ± 10000
zielen. De eenige weg, die naar boven voert, is de rivierweg. Wel
zijn pogingen gedaan een landweg te vinden; in 1912 is met de opname
begonnen, maar in 1915 werd deze gestaakt. De bedoeling was een
geschikte verbindingsweg te zoeken met Apo Kajan, waarheen geregeld
vivres voor de aldaar gestationneerde militairen moesten worden
gezonden, daar de rivier dikwijls groote moeilijkheden in den weg
legt en er vele dagen mee heen gaan om Long Nawang, het voornaamste
dorp in Apo Kajan, te bereiken.
Ik deed er indertijd 40 dagen over en dat was nog gunstig; het is wel
voorgekomen, dat men er tweemaal zoo lang over deed. Om een idee te
geven van de afzondering van deze gebieden en de slechte verbinding,
moge dienen, dat het uitbreken van den wereldbrand in 1914 eerst
twee maanden daarna in Apo Kajan bekend was; ik bevond mij toen te
Semangka in Zuid-Sumatra; ook daar duurde het nog 14 dagen, voordat
de berichten tot mij doordrongen.
Het Mahakamgebied wordt bewoond door verschillende stammen, welker
opsomming hier overbodig mag heeten, van welke echter de Bahau's en
de Long Glats de voornaamste zijn.
Het stamland dezer dajaks moet gezocht worden in Apo Kajan, vanwaar
ze echter verdreven werden door de krijgszuchtige Kenja's, die op
hun beurt wederom verjaagd werden uit Serawak door de sterkere
Hebans. Dit moet ongeveer 200 jaar geleden zijn geweest. Tot de
kleinere stammen behooren de Pnihings en de Sepoetans, die aan de
boven Mahakam wonen en waarschijnlijk afkomstig zijn uit West-Borneo;
het zijn zwervende stammen, weinig talrijk en het minst beschaafd. Ze
hebben veel aanraking met het in de Westerafdeeling van Borneo gelegen
Poetoes Sibau, spreken bijna allen maleisch en zullen wel gedoemd
zijn uit te sterven of zich op te lossen in de maleische bevolking,
hetzelfde proces dus, dat we aantreffen in Zuid-Borneo, waar men
zelfs in plaatsen als Moeara Tewé en Poeroek Tjahoe, dagen lang de
Barito op, bijna geen dajaks meer aantreft.
Tot de minst onbeschaafde stammen behooren de Bahau's en Long Glats,
van welke de laatste de krachtigste, maar de eerste het meest talrijk
zijn. Zij bewonen thans het midden en gedeeltelijk boven Mahakamgebied
en troffen bij hun aankomst in deze gebieden weinig menschen aan,
die allen naar het beneden gedeelte van de rivier werden gedreven en
thans in geringe getale zich nog ophouden in het Koeteische en ten
zuiden van Long Iram in de kampong Moejoeb, op de grens van Koetei
en het boven Mahakamgebied.
Kajans, ook afkomstig uit Apo Kajan, treffen we ten slotte alleen nog
in de kampong Long Bloeoe. Hun aantal is gering, maar neemt steeds toe.
Welk eene dichterlijke opvatting deze dajaks over hun vaderlandsche
geschiedenis en over het leven en streven hunner vaderen hebben, moge
blijken uit het volgend verhaal, hetwelk ik uit den mond van kapitein
Sitsen, die lange jaren in de dajaklanden van Oost-Borneo doorbracht,
opteekende over den stam der Sepoetans.
Deze moeten oorspronkelijk gewoond hebben langs de boven Mahakam tot
aan de westelijke kihamreeks bij het vroegere Long Dehò, thans Batoe
Kelaoe. Onder de regeering van hun vorst Kadji Hiroe kwamen zij in
minder aangename aanraking met maleiers en voerden zelfs strijd met
hen. Het gevolg hiervan was, dat de Sepoetans meer stroomopwaarts de
Mahakam optrokken. Hun rust was hier echter niet van langen duur,
weer werden ze door maleiers bestookt en vestigden zich nu aan een
der zijrivieren van de Mahakam bij Long Tawang. Hier speelt zich de
legende af, dat Kadji Hiroe, eigenlijk een afstammeling uit den hemel,
een schildpad aan zijn lans rijgende, plotseling bemerkte, dat deze in
een gong veranderde. Later bij een hongersnood werd deze verkocht en
thans moet hij zich te Batoe Salah bevinden. Bij Long Tawang echter
hield de verontrusting door de maleiers op, maar thans waren het
de goden zelve, die het op hun rust hadden voorzien. Kadji Hiroe
bemerkte namelijk op een zekeren dag, dat het rotsblok, waarop hij
zat te visschen, plotseling heen en weer schudde en een stem beval
hem van hier te verhuizen. Hieraan werd gehoor gegeven. Kadji Hiroe
stierf in dien tijd en na de gebruikelijke verbodstijden te hebben
afgewacht, verhuisde zijn zoon Bo Aran naar Data Riang. Vanhier uit
zijn de verschillende Sepoetan-kampongs ontstaan, die nog geregeerd
worden door afstammelingen van Kadji Hiroe, de tegenwoordige hoofden
Hau en Batang Ngalau.
Den tocht langs de Mahakam zou ik meemaken met een militair
vivrestransport naar Long Nawang. Bij onze aankomst waren allen
reeds druk in de weer en de prauwenvloot, bestaande uit 44 groote
exemplaren, begon reeds hare voltooiing te naderen. Het geheel zou
staan onder leiding van luitenant Simons, terwijl Dr. Stoltz zijne
bestemming naar Long Nawang zou volgen en wij dus tevens geneeskundige
hulp gedurende den tocht zouden hebben. De 250 dajaksche roeiers,
gedeeltelijk bestaande uit Kenja's en gedeeltelijk uit Bahau's waren
reeds aangekomen en hielpen flink mede aan onze vloot. Daar ik na Long
Nawang den tocht verder alleen zou voortzetten naar Boeloengan, kreeg
ik als tolk mede Oemar, die indertijd reeds dezelfde reis had gemaakt
met assistent-resident Spaan en die mij later ook zou volgen op mijn
tocht naar Nieuw-Guinee, terwijl verder als vertrouwde nog meeging
Soera Oenjang, die indertijd reeds den tocht naar het Sneeuwgebergte
met Mr. Lorentz medemaakte en daarna de bronzen ster van verdienste
verwierf. Beide mannen hebben mij trouw geholpen.
Werkelijk interessant is het om te zien, welk eene handigheid de
dajaks bezitten in het maken van prauwen. Een 20 à 25 jonge mannen,
bewapend met bijl (belioeng) en prauwschaaf (bikoeng) trekken vroolijk
het bosch in, zoeken een dikken boom uit, geschikt voor hun doel;
onmiddellijk weerklinken de bijlslagen en het duurt niet lang of de
woudreus begint te kraken, om kort daarna onder vreeselijk geraas
neer te vallen onder vroolijk gejuich van de dajaks. Thans vallen
allen op hun prooi aan, het is een hakken, dat hooren en zien vergaat
en dit houdt niet eerder op dan nadat de bovenste helft van den boom
geheel versplinterd is en de onderste helft overblijft om tot prauw
gemaakt te worden. De knapste onder de knappen geeft ruw het model
aan en zoodra dit is geschied, vallen allen weer aan en begint het
gehak en geklop opnieuw, totdat al spoedig het model is te zien. Een
bewonderingswaardigen kijk hebben die menschen op dergelijk werk. De
rondingen worden nauwkeurig aangebracht met de prauwschaaf en zoolang
doorgehakt, totdat de bodem een dikte van ongeveer 2 vingers heeft;
met een boor wordt een gat in den bodem gemaakt, om daardoor de
dikte te kunnen controleeren. Intusschen zijn anderen reeds bezig
met het aanmaken van de boorden, lange planken, welke met rotan op
den bodem worden vastgebonden, nadat hiertusschen bij wijze van pek
een zachte sponzige lat is aangebracht, verkregen uit het binnenste
van de nerf van een palmblad, nadat het geplet is om door de vocht
beter te kunnen uitzetten. Van voren en van achteren wordt de prauw
met plankjes afgesloten, welke dikwijls met keurig snijwerk worden
versierd. Is de prauw ten slotte nog gebrand en zijn de roeiriemen
aangemaakt, dan is ze gereed en onder vroolijk gejuich wordt deze
te water gelaten. Twintig jonge mannen zijn meestal in een dag of
drie met een dergelijk werk gereed. Meestal is de prauw zóó gemaakt,
dat ze naar rechts overhelt, omdat naar links overhellen een ongunstig
teeken is. Bij het laden der prauw wordt hiermede rekening gehouden. Al
naar gelang de makers er zin in hebben, wordt de prauw met allerlei
figuren versierd en bewondert men reeds hun vaardigheid bij het maken
van de prauwen zelf, nog meer geldt dit voor deze snijkunstenaars,
die bij het bezichtigen van een vormloos, ruw bekapt stuk hout,
het concept kunnen vormen van het daaruit te voorschijn te roepen
grillige en fantastische, doch immer van mooie lijnen getuigend beeld.
Eindelijk sloeg het uur van vertrek en nadat we allerhartelijkst
afscheid hadden genomen van de gastvrije familie Landzaat, vertrok
onze vloot onder de lustige tonen van de aanwezige "slomprets". Het
was een schoone dag en vroolijk gingen we voorwaarts.
Denzelfden dag nog kwamen we--hoewel lang niet allen tegelijk--in de
dajakkampong Long Klian aan.
Het vrouwelijk hoofd van deze kampong Hadji Boea ontving ons
allervriendelijkst en welbespraakt als ze is, had ze ons dadelijk
allerlei nieuws te vertellen en wilde ze van ons ook allerlei dingen
weten. Zij had Dr. Nieuwenhuis zeer goed gekend en sprak waardeerend
over hem; eveneens over Barth, Spaan en andere bestuursambtenaren.
's Avonds was er ter onzer eere groot dansfeest. Door eenige aardige
Bahau-meisjes werd een zwaardendans uitgevoerd, begeleid door de
tonen van kledi en sampè, waarmede zich eenige verliefde jongelingen
belastten. Aan hun blikken en lonkoogen was duidelijk te zien, wie
van de schoone danseressen zij tot vrouw begeerden. De danspassen
werden keurig uitgevoerd, gepaard met allerlei bewegingen van lichaam
en armen. Na afloop hiervan kregen we een tooneelspel in één bedrijf,
uitgevoerd door drie mannen, waarvan één verkleed als vrouw.
Hadji Boea, zelf reeds op leeftijd, is een intelligente dajaksche
vrouw, welke eenige jaren geleden de bedevaart naar Mekka volbracht;
ze is nu gehuwd met een jongen Bandjarees Abdullah, die dit
blijkbaar deed om de gunstige handelsbetrekkingen, die daardoor
ontstonden. De maleiers toch vormen de verbinding tusschen de dajaks
en de buitenwereld; zij zijn het, die de binnenlanden intrekken,
de boschproducten verzamelen of inkoopen en deze daarna weer van de
hand doen aan chineesche of arabische handelaren. Dat de dajaks van
dezen handel dikwijls de dupe worden, behoeft geen betoog, al is dit
de laatste jaren door inmenging van bestuursambtenaren veel verbeterd.
Huwelijken van dajaksche vrouwen met maleiers komen meermalen voor;
omgekeerd niet. De vrouwen gaan in zulk een geval meestal tot den
Islam over; ze blijven echter in de kampong wonen. Na eene eventueele
echtscheiding keeren ze meestal weer tot het oude geloof terug. Zelfs
huwelijken met europeanen komen voor.
In Long Klian troffen we een echt Bahau-huis aan. Een dajakkampong
bestaat slechts uit enkele huizen; elk op zichzelf een combinatie
van woningen van meerdere families. Langs den voorkant loopt eene
doorloopende galerij, terwijl daarachter zich de afgeschoten kamers
bevinden. Dit model wordt ook door de Kenja's gebruikt, maar de
palen, waarop de huizen rusten, zijn lager dan die der Bahau's. In
het midden is meestal de woning van het dajaksche hoofd, kenbaar aan
het hoogere dak, terwijl ook de voorgalerij van dit gedeelte meer
naar voren steekt. Meestal is dit beter afgewerkt, de pilaren zijn
met snijfiguren versierd, terwijl de wand tusschen woning (lamin)
en voorgalerij (awa) dikwijls beschilderd is met het bekende naga- of
drakenmotief. Een ingekeepte boomstam geeft toegang tot de huizen. Een
eenigszins afwijkende vorm hiervan vertoont het Long Glattype. Ook
dit is op palen gebouwd, maar de galerij bevindt zich onder het huis;
een trap geeft hier toegang tot de daarboven gelegen familiekamers;
het trappengat wordt met een luik gesloten. Vanuit de galerij kan men
naar buiten zien, terwijl deze gebruikt wordt voor huishoudelijke
bezigheden, zooals stampen van rijst, bergen van rotan, ontvangen
van gasten. Een dergelijk model vertoont het huis van Bang Djoek
te Batoe Kelaoe; hier steekt het huis van het hoofd boven dat der
anderen uit. Ook komt het reeds voor, dat de huizen afzonderlijk
worden gebouwd, zooals b.v. met bovengenoemd huis het geval is. De
familiewoningen zijn hier dikwijls door kleine openingen, al of niet
door een deurtje gesloten, verbonden.
Daar het water ons gunstig was, konden we reeds den volgenden morgen
vroeg het gastvrije huis van Hadji Boea verlaten. 's Morgens vroeg was
er reeds gekookt voor den tocht onderweg, alle goederen werden weer
door de dajaks voorzichtig in de prauwen gelegd en nadat we hartelijk
afscheid genomen hadden, uitgeleide gedaan door bijna de geheele
kampong, gingen we weer welgemoed verder; denzelfden dag konden we dan
ook nog Ma Mehak Tebo bereiken, een flinke Bahau-kampong. Het zaai-
of toegalfeest was hier in vollen gang, zoodat het dan ook verboden
was de meeste huizen binnen te gaan (lali), hetgeen door een teeken op
de deur, waaraan een bosje takken, hout of iets dergelijks gebonden
wordt, duidelijk was gemaakt. Toen ik bij vergissing een dergelijk
huis binnenging en daarover mijne verontschuldigingen aanbood, werd
mij dit echter in het minst niet kwalijk genomen; het gold slechts voor
lieden van den eigen stam, dajaks en maleiers, niet voor europeanen.
Voor de huizen waren allerlei figuren opgesteld, kunstig versierd
met allerlei bladeren en houtkrullen, welke dienden om de booze
geesten af te weren, die een slechten invloed op den oogst zouden
kunnen uitoefenen.
Dat het toegalfeest--noegal beteekent het vieren van een dergelijk
feest--, eene belangrijke plaats in het dajakleven inneemt,
behoeft geen betoog, daar het gelukken van den oogst voor hen eene
levenskwestie is. Zoowel de Bahau als de Kenja legt droge rijstvelden
aan; door de mannen wordt een geschikt stuk grond uitgekozen,
nadat door het hoofd de vogels of andere dieren geraadpleegd en de
voorgeschreven verbodstijden zijn voorbijgegaan; vervolgens wordt het
struikgewas gekapt en wanneer dit door de zon gedroogd is, in brand
gestoken. Nadat vervolgens nog de groote boomen zijn omgehakt, is de
grond gereed voor het zaaien met de pootstokken. Zoo mogelijk wordt
met het zaaien gewacht tot op den dag, dat de zon op een bepaald
punt van den horizon ondergaat. Niet alleen bij de dajaks is dit
het geval. Ook de bewoners van Boeloengan langs de kustgebieden,
de maleiers, wachten met het planten, totdat het sterrenbeeld Orion
(maleisch bintang tiga) een bepaalden stand heeft aangenomen, hetgeen
ieder jaar op dezelfde tijdstippen plaats vindt, aangezien Orion haar
baan in denzelfden tijd aflegt als de zon. Van andere streken uit Indië
is dit eveneens bekend, o.a. uit Palembang, waar de bepaalde stand
moet worden waargenomen bij het doorkomen van de morgenschemering.
Is het werkelijke zaaien begonnen, dan begeven allen zich naar het
veld, maar het gebeurt wel, dat slechte voorteekenen de werkzaamheden
alsnog verhinderen. Vooral de eerste dag is belangrijk. Ziet men
b.v. een ree over het veld loopen, ontmoet men een waarzeggingsvogel,
die naar links opvliegt, ontdekt men een roodkoppige slang, die den kop
richt in de richting van het huis of breekt een ernstige ziekte uit,
dan zullen allen onmiddellijk terugkeeren en zal men in plaats van
rijst iets anders planten. De dajak is echter slim; om dergelijke
ongunstige teekenen niet te zien, gaat hij bij voorkeur 's nachts
naar het veld.
Om het moeizaam heen en weer trekken naar de ladangs te voorkomen,
bouwt men daarop--indien deze ver van de kampong verwijderd
zijn--kleine, tijdelijke woningen (lepau), waardoor het verband in een
kampong dikwijls verloren gaat. Meermalen gebeurt dit opzettelijk,
omdat een gedeelte der kampongbewoners het niet kan vinden met het
hoofd, hetgeen dan een lange reeks van moeilijkheden tengevolge heeft,
waarvan de oplossing den bestuursambtenaar dikwijls vele zorgen baart.
De religieuse feesten, die men gedurende den rijstbouw pleegt te
vieren, zijn bij verschillende dajaks verschillend, maar aan alle
ligt de begeerte ten grondslag, de geesten, die te veld staande
gewassen zouden kunnen schaden, tevreden te stellen en gunstig te
stemmen. Daarom mogen vreemdelingen ook nooit deze feesten bijwonen,
daar dezen de geesten zouden verschrikken en ergeren.
Op den eersten dag van het plantfeest mag niet gebaad worden; daarna
volgt eene rustperiode van acht dagen, terwijl op den tienden dag
wederom het badverbod in werking treedt. In de volgende periode
worden de groote velden beplant, waarna het rijstplanten na nog één
dag badverbod is afgeloopen.
Gedurende de gedwongen rusttijden houden de dajaks zich met allerlei
huiselijke dingen bezig en tevens met de voorbereidingen voor de
groote maskerdansen. De maskers (hoedò) stellen alle booze geesten
voor (zie afb. 19 en 20). De lichamen der dansers worden bedekt met
in lange reepen gespleten pisangbladeren en aldus uitgedost worden
de dansen, begeleid door een gong, uitgevoerd. Het gelijkt veel op
het javaansche tandakken, maar ook krijgsdansen worden uitgevoerd,
soms geheele voorstellingen gegeven.
Worden deze feesten reeds met veel animo gevierd, de glansrijkste
hebben wel plaats met nieuwjaar, wanneer de oogst is binnengehaald en
de schuren vol rijst zitten. De mooiste kleeren, die steeds zorgvuldig
bewaard worden, worden voor den dag gehaald en iedereen leeft acht
dagen lang in een roes van feestvieren en smullen; vreemdelingen zijn
thans welkom. Alle gewichtige familiegebeurtenissen worden zooveel
mogelijk tot deze dagen verschoven: de kinderen krijgen thans hun
werkelijken naam, bruiloften worden gevierd en wat niet al. Thans is
het de tijd, dat de maleische handelaren naar boven gaan en tegen
dikwijls hooge prijzen hun prulwaren aan den man weten te brengen;
iedereen is royaal en iedereen wil zich gedurende de feesten zoo mooi
mogelijk maken.
Op den bepaalden dag worden onder dankzeggingen der priesters groote
offers, bestaande uit allerlei lekkernijen, verzameld in het huis van
het hoofd en door de gansche kampong bijeengebracht aan de geesten
geofferd om hen te danken voor den overvloedigen oogst, waarna nog
meerdere dagen van overvloedige diners plaats hebben, totdat in de
kampong weer de rust van elken dag weerkeert. In de Mahakam-gebieden
worden bij dergelijke gelegenheden geen sterke dranken gedronken,
echter wel in overig dajakland.
In Ma Mehak troffen we de eerste christen-dajaks aan, leerlingen
van de eenige dagen stroomopwaarts gelegen school te Laham. Het was
duidelijk, waar deze woonden, weinige als ze zijn. Op de deur van hun
woningen toch waren portretten van den Paus, afbeeldingen van Christus
en verschillende crucifices vastgehecht als onheilafwerende djimats.
Ook deze kampong wilden we zoo spoedig mogelijk weer verlaten; een
snel opkomende bandjir belette ons dit echter, welke ons niet alleen
den volgenden dag, maar zelfs meerdere dagen ophield.
Op dergelijke tochten echter raakt men aan een zoodanig oponthoud
gewoon; het is wel voorgekomen, dat ik tien dagen in een eenzaam
boschbivak moest wachten voor eene stroomversnelling, omdat het water
maar woest bleef voortbruisen. Maar eindelijk konden we doorreizen en
nadat we Long Howong waren gepasseerd, waar juist groot geestenbezoek
was geweest, hetgeen bleek uit de vele vóór de kampong opgestelde
voorwerpen, bereikten we eindelijk Laham, den katholieken zendingspost,
waar we allervriendelijkst door Pastoor Goossen werden verwelkomd. Toen
we de laatste bocht namen en Laham in het gezicht kregen, was het
werkelijk aardig het echt hollandsch gebouwde kerkje te zien, uit hout
opgetrokken en staande op hooge palen met het oog op bandjirs. Rustig
en fier verhief zich het hollandsche torentje temidden der dajaksche
omgeving; we meenden een oogenblik weer in Holland te zijn en even
dwaalden onze gedachten af naar een hollandsch dorp.
De zending bestaat hier sedert 1908, gesticht door de orde der
Capucijners, wier algemeen hoofd te Rome zetelt. Van de orde vormen
Nederland en zijne koloniën eene z.g. provincie onder prefecten. De
prefect van Borneo is te Pontianak gevestigd; ook Laham ressorteert
hieronder.
Gedurende ons verblijf was de prefect, een echt middeleeuwsch
monnikentype, juist op inspectie.
Bij de vestiging behoort eene zendingsschool, welke eene
gouvernementssubsidie geniet; er zijn ongeveer 35 leerlingen met
een menadoneeschen onderwijzer, allen intern en op nette wijze
ondergebracht. We bezochten den volgenden dag de school, waar
eenige liederen ten gehoore werden gebracht; zelfs ons volkslied
werd gezongen in het hollandsch en in het maleisch. Met hun frissche
stemmen zongen ze van Neêrlands vlag: merah, poetih, biroe! Merah,
rood, eischt eerbiediging voor God en Koningin; poetih, wit, een rein
hart; biroe, blauw, stelt de Vorstin als voorbeeld van hechte trouw!
Of de zending in deze gebieden veel succes zal hebben, is eene
vraag, die de zendelingen zelve waarschijnlijk ontkennend moeten
beantwoorden; het ligt in den aard der zaak, dat deze natuurmenschen
niet ontvankelijk zijn voor onze opvattingen; zij blijven dezelfde
dajaks, die ze zijn; zelfs zijn ze onbruikbaarder geworden, daar ze
meenen reeds de wijsheid in pacht te hebben, als ze slechts eenige
woorden kunnen schrijven of lezen; zìj zijn het, die ongeschikt worden
voor het eenvoudige landwerk en zich daarboven verheven voelen,
zij zijn het, die hun sierlijken tjawat afleggen, deze door jas en
broek vervangen, als kleine boefjes door de kampong rondloopen en
hun kamponggenooten opruien tot het inbrengen van allerlei klachten
en opmaken van rekesten.